Uitspraak van 3 augustus 2026
BBZ nrs. AUA202600144, AUA202600145, AUA202601153 en AUA2026001154
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], gevestigd te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Aruba,
hierna te noemen: de Inspecteur Belastingen.
1. PROCESVERLOOP
Belanghebbende heeft op 12 september 2025 aangifte ten invoer ([aangifte 1]) gedaan voor 16 bundels bankbiljetten, met een aangegeven douanewaarde van Afl. 1.468.699. Op deze invoer was een tarief van 0% invoerrechten van toepassing. Ter zake van deze invoer heeft belanghebbende een totaalbedrag van Afl. 102.809 aan Belasting op Bedrijfsomzetten (BBO), Belasting Additionele Voorzieningen Projecten (BAVP) en Bestemmingsheffing AZV (BAZV) betaald.
Belanghebbende heeft op 23 september 2025 aangifte ten invoer ([aangifte 2]) gedaan voor 12 pallets met munten, met een aangegeven douanewaarde van Afl. 212.729. Ter zake van deze invoer heeft belanghebbende een totaalbedrag van Afl. 27.654,85 aan invoerrechten en BBO, BAVP en BAZV betaald.
Belanghebbende heeft op 19 januari 2026 aangifte ten invoer ([aangifte 3]) gedaan voor 29 pallets munten. Ter zake van deze invoer heeft belanghebbende een totaalbedrag van Afl. 43.082,10 aan BBO, BAVP en BAZV betaald.
Belanghebbende heeft op 12 november 2025 bezwaar gemaakt bij de Inspecteur Belastingen tegen de aangiften ten invoer [aangifte 1] en [aangifte 2]. Op 9 december 2025 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
De Inspecteur Belastingen heeft op 14 november 2025 aangegeven het bezwaar niet in behandeling te zullen nemen, omdat hij van oordeel is dat het bezwaar dient te worden ingediend bij de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen (hierna: Inspecteur Douane).
Tussen belanghebbende en de Inspecteur Belastingen heeft nadien mailverkeer plaatsgevonden over welke Inspecteur bevoegd is om het bezwaar in behandeling te nemen. Daarbij volhardt belanghebbende in haar standpunt dat de Inspecteur Belastingen bevoegd is en is de Inspecteur Belastingen van mening dat de Inspecteur Douane bevoegd is.
De Inspecteur Belastingen heeft het bezwaar op 9 december 2025 doorgestuurd aan de Inspecteur Douane.
Belanghebbende heeft op 12 januari 2026 pro forma beroep ingesteld vanwege de weigering door de Inspecteur Belastingen om te beslissen op de bezwaren. Op 24 februari 2026 heeft belanghebbende de gronden van het beroep aangevuld. Ter zake van het beroep heeft belanghebbende een griffierecht van Afl. 150 betaald.
Op 18 februari 2026 heeft belanghebbende, gegeven de bij haar levende onduidelijkheid bij welke Inspecteur bezwaar moet worden ingesteld, ter behoud van rechten, bij de Inspecteur Belastingen bezwaar gemaakt tegen de aangifte ten invoer [aangifte 3].
Eveneens op 18 februari 2026 heeft de Inspecteur Belastingen het bezwaar, vermeld onder 1.9, doorgestuurd aan de Inspecteur Douane.
Op 15 april 2026 heeft belanghebbende beroep ingediend tegen de weigering op uitspraak op bezwaar te doen. Ter zake van het beroep heeft belanghebbende een griffierecht van Afl. 150 betaald.
De Inspecteur Belastingen heeft geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2026 te Oranjestad. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. J. Vlasblom en mr. J.P. Ruiter, beiden verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur Belastingen zijn verschenen mr. [A] en mr. [B]. Namens de Inspecteur Douane zijn verschenen mr. [C] en [D].
Ter zitting hebben beide partijen een pleitnota voorgedragen en overgelegd aan de wederpartij en het Gerecht.
2. FEITEN
Belanghebbende heeft het exclusieve recht om bankbiljetten en munten in Aruba uit te geven. Zij verzorgt de geldsomloop van bankbiljetten en brengt namens het Land Aruba bankbiljetten en munten in omloop.
Ter zake van de invoer van bankbiljetten heeft belanghebbende op 15 september 2025 een bedrag van Afl. 102.809 aan BBO/BAVP en BAZV bij invoer voldaan.
Ter zake van de invoer van munten heeft belanghebbende op 25 september 2025 een bedrag van Afl. 27.654,85 aan BBO/BAVP en BAZV bij invoer voldaan.
Op 12 november 2025 heeft belanghebbende bij de Inspecteur Belastingen een bezwaarschrift ingediend tegen de belasting die door haar op aangiften (zie 2.2 en 2.3) is voldaan.
Bij e-mail van 14 november 2025 heeft de Inspecteur Belastingen aan belanghebbende medegedeeld dat, nu in bezwaar een beroep wordt gedaan op een vrijstelling op grond van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer, het bezwaar dient te worden ingediend bij de Inspecteur Douane.
Bij e-mail van 17 november 2025 heeft belanghebbende op het bericht van de Inspecteur Belastingen gereageerd. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur Belastingen bevoegd is om op het bezwaar inzake de BBO/BAVP en BZAV bij invoer te beslissen en dat de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar door deze Inspecteur dient plaats te vinden.
Eveneens op 17 november 2025 heeft de Inspecteur Belastingen aan belanghebbende bericht dat de Inspecteur Douane is belast met de uitvoering van de belastingheffing ter zake van de invoer van goederen en dat dus een bezwaar gericht tegen de belastingheffing of vrijstelling van invoer bij de Inspecteur Douane moet worden gedaan.
Bij e-mail van 19 november 2025 heeft belanghebbende de Inspecteur Belastingen verzocht uitspraak op het bezwaar te doen.
Bij e-mail van 5 december 2025 heeft de Inspecteur Belastingen op het verzoek van belanghebbende gereageerd en (nogmaals) aangegeven dat de beslissing of er te veel of ten onrechte belasting is betaald aan de grens wordt genomen door de autoriteit bij de grens, te weten de Inspecteur Douane.
Op 9 december 2025 heeft de Inspecteur Belastingen het bezwaarschrift, alsmede de aanvulling daarop, doorgestuurd naar de Inspecteur Douane.
Belanghebbende heeft op 12 januari 2026 een pro-forma beroepschrift ingediend tegen de weigering van de Inspecteur Belastingen om op het ingediende bezwaarschrift te beslissen. Op 24 februari 2026 heeft belanghebbende de gronden van het beroep aangevuld.
Ter zake van de invoer van munten heeft belanghebbende op 25 september 2025 een bedrag van Afl. 43.082,10 aan BBO, BAVP en BAZV bij invoer voldaan.
Op 18 februari 2026 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur Belastingen tegen de belasting die door haar op aangifte (2.12) is voldaan.
Eveneens op 18 februari 2026 heeft de Inspecteur Belastingen het bezwaarschrift doorgestuurd naar de Inspecteur Douane.
Op 15 april 2026 heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend tegen de weigering van de Inspecteur Belastingen om op het bezwaarschrift te beslissen.
3. GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
In geschil is zijn de volgende vragen:
I. Is de Inspecteur Belastingen of de Inspecteur Douane bevoegd om uitspraken op bezwaar te doen?
II. Indien de Inspecteur Belastingen daartoe bevoegd is, dient de weigering om uitspraken op bezwaar te doen dan te worden beschouwd als een uitspraak op bezwaar waartegen beroep openstaat?
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur Belastingen bevoegd is om uitspraken op het bezwaar te doen. Volgens haar heeft de wetgever met de invoering van de Landsverordening Belastingplan 2023 de bevoegdheid om te beslissen op bezwaren betreffende BBO/BAVP en BAZV uitdrukkelijk bij de Inspecteur Belastingen gelegd. Het niet doen van uitspraken op bezwaar dient volgens belanghebbende te worden opgevat als een weigering om uitspraken op bezwaar te doen, hetgeen volgens belanghebbende op grond van artikel 18, lid 2 Algemene landsverordening belastingen (ALB) een beroepsgrond voor belanghebbende oplevert. Belanghebbende concludeert dat het Gerecht dient te oordelen dat de Inspecteur Belastingen de bevoegde Inspecteur is en hem moet opdragen inhoudelijk uitspraken op de bezwaren te doen.
De Inspecteur Douane acht zich onbevoegd om beroep in te stellen, omdat het beroep is gericht tegen het uitblijven van een beslissing van de Inspecteur Belastingen en niet tegen een beslissing van de Inspecteur Douane. Ten aanzien van de onderliggende bezwaren acht hij zich echter wel bevoegd. Volgens hem hangt de heffing van BBO/BAVP en BAZV bij invoer rechtstreeks samen met de vraag of aanspraak bestaat op een vrijstelling van invoerrechten. Indien de invoerrechten zijn vrijgesteld, ontbreekt tevens de grondslag voor de heffing van BBO/BAVP en BAZV.
De Inspecteur Belastingen stelt dat hij niet bevoegd is om het bezwaar te behandelen. Volgens hem betreft het geschil geen reguliere belastingaanslag, maar de vraag of sprake is van een vrijstelling van invoerrechten als bedoeld in artikel 128 Landsverordening In-, Uit-, en Doorvoer (LIUD). Omdat de vrijstelling van BBO/BAVP en BAZV bij invoer rechtstreeks afhankelijk is van die douanevrijstelling, valt het geschil volgens hem onder de LIUD en niet onder de ALB. Hij verzoekt het Gerecht daarom hem onbevoegd te verklaren en te oordelen dat de Inspecteur Douane bevoegd is om het bezwaar te behandelen.
4. OVERWEGINGEN
Vraag I: Is de Inspecteur Belastingen of de Inspecteur Douane bevoegd uitspraak op bezwaar te doen?
Juridisch kader
Ingevolge de Landsverordening tarief van invoerrechten bepaalt artikel 2, eerste lid, dat ter zake van de invoer van goederen invoerrechten verschuldigd zijn.
Artikel 1 van de LIUD definieert invoeren als: ‘het brengen in het vrije verkeer, voor zover zulks, (…), geschiedt in het Land Aruba, zowel rechtstreeks in het buitenland als na voorafgaande opslag in entrepot.’
Artikel 128 van de LIUD bepaalt welke goederen van de heffing van invoerrechten zijn vrijgesteld.
Artikel 128b van de LIUD bepaalt dat de aangever die bezwaar heeft tegen de berekening van de invoerrechten of de toepassing van het tarief op door hem ten invoer aangegeven goederen, binnen één maand na de dagtekening van de aangifte een bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.
Naast (eventueel) invoerrechten kunnen goederen die worden ingevoerd op grond van het bepaalde in de Landsverordening belasting op invoer van goederen, over bedrijfsomzetten en additionele voorzieningen PPS-projecten (hierna: Lv BBO) en de Landsverordening Bestemmingsheffing AZV (Lv AZV) tevens zijn onderworpen aan BBO/BVAP en AZV.
In de Lv BBO is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
Hoofdstuk IA
Belastingheffing ter zake van de invoer van goederen
Artikel 1a
1. Er wordt een belasting geheven ter zake van de invoer van goederen door ondernemers.
(…)
Artikel 1b
1. De in artikel 1a, eerste lid, bedoelde belasting wordt berekend over de waarde bij invoer.
2. De waarde van de goederen bij invoer wordt vastgesteld overeenkomstig de wettelijke regelingen inzake de douanewaarde bij invoer.
(…)
Artikel 1d
1. Vrijstelling van de in artikel 1a, eerste lid, bedoelde belasting wordt verleend ter zake van de invoer van goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling van invoerrechten bestaat overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Landsverordening in-, uit- en doorvoer.
2. Ontheffing van de in artikel 1a, eerste lid, bedoelde belasting wordt slechts verleend overeenkomstig artikel 128c van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer.
3. Teruggaaf van de in artikel 1a, eerste lid, bedoelde belasting wordt verleend overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Landsverordening in-, uit- en doorvoer.
Artikel 1e
Ter zake van de heffing van de in artikel 1a, eerste lid, bedoelde belasting zijn de voorschriften van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer van overeenkomstige toepassing met inbegrip van die welke betrekking hebben op navordering en strafbepalingen, zoals opgenomen in de Landsverordening in-, uit- en doorvoer.
Artikel 1f
Het Departement der Invoerrechten en Accijnzen is belast met de uitvoering van het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
In de Lv AZV is een nagenoeg gelijkluidende tekst opgenomen als die vermeld onder 4.4.
Het Gerecht begrijpt het bepaalde in Hoofdstuk IA, zoals vermeld in overweging 4.4, aldus dat indien bij invoer een vrijstelling van toepassing is, heffing van BBO/BAVP en BAVZ bij die invoer eveneens een vrijstelling deelachtig wordt. De Inspecteur Belastingen komt dan niet in beeld. De heffing van BBO/BAVP en BAVZ heeft in dat geval een van de heffing van invoerrechten afhankelijk karakter. Zulks volgt onverkort uit het bepaalde in artikel 1d Lv BBO.
Echter, ook indien bij invoer geen vrijstelling van invoerrechten van toepassing is, is bij de heffing van BBO/BAVP en BAZV geen rol voor de Inspecteur Belastingen weggelegd. Bij invoer dient aangifte bij invoer te worden gedaan via het Asycuda World aangifteprogramma waarna de belasting vervolgens conform de Asycuda-aangifte dient te worden voldaan. Heffing en inning geschiedt derhalve door de Inspecteur Douane. Dat dit zo is volgt ook uit de Memorie van Toelichting, alwaar is vermeld:
De introductie van BBO/BAVP en BAZV aan de grens systeem zou met zich meebrengen dat ondernemers bij de invoer van goederen van buiten Aruba naast invoerrechten en accijnzen, ook BBO/BAVP en BAZV zijn verschuldigd, die door de Douane worden geheven, geïnd en gecontroleerd [cursivering: Gerecht]. Bij de invoer van goederen is het noodzakelijk om gebruik te maken van een voor deze situatie toegesneden heffingssystematiek, door middel van de douaneaangifte met daarbij gebruikmaking van het online aangifteprogramma Asycuda World.
In dit verband is het van belang om vast te stellen dat de verschuldigde BBO/BAVP en BAZV bij invoer los dient te worden gezien van de ‘binnenlandse omzet’ en de daarover verschuldigde belasting. De BBO die op aangifte moet worden verantwoord en voldaan op grond van art. 10, lid 1 Lv BBO, omvat dan ook niet mede de bij invoer aangegeven en betaalde BBO. De BBO bij invoer en de BBO verschuldigd over ‘binnenlandse omzet’ zijn dan ook twee gescheiden trajecten waarvan de uitvoering dan ook is neergelegd bij twee verschillende inspecteurs: de heffing van belasting bij invoer bij de Inspecteur Douane, de heffing over de ‘binnenlandse omzet’ bij de Inspecteur Belastingen.
Bij de wijze van heffing ter zake van invoer heeft de wetgever aangesloten bij een door de Inspecteur Douane bekende maatstaf van heffing. Zoals volgt uit artikel 1b Lv BBO wordt de belasting ter zake van invoer berekend over de douanewaarde overeenkomstig de wettelijke regelingen inzake de douanewaarde. Het bepalen van de douanewaarde is exclusief een expertise van de Inspecteur Douane. De Lv BBO laat er overigens ook geen twijfel over bestaan dat de waardebepaling en de heffing bij invoer berust bij de Inspecteur Douane, nu artikel 1f Lv BBO bepaalt dat het Departement der Invoerrechten is belast met de uitvoering van hetgeen in hoofdstuk IA van de Lv BBO is bepaald (zie hierna 4.9.4 en 4.9.5).
In de onderhavige casus zijn invoerrechten geheven en in het kielzog en als gevolg daarvan eveneens BBO/BAVP en BAZV door de Inspecteur Douane, op een wijze als beschreven in 4.7 en 4.8.
Belanghebbende is van mening dat ten onrechte invoerrechten zijn geheven en daarmee dus ook ten onrechte BBO/BAVP en BAZV en wenst tegen de belastingheffing van BBO/BAVP en BAZV in bezwaar te komen.
In deze zaak zal niet inhoudelijk worden ingegaan op de door belanghebbende aangegeven redenen waarom geen invoerrechten geheven zou mogen worden; het gaat in de onderhavige zaak om de vraag welke Inspecteur bevoegd is het door belanghebbende gemaakte bezwaar te behandelen.
Het Gerecht is van oordeel dat de Inspecteur Douane bevoegd is om het door belanghebbende ingediende bezwaar te behandelen en zal hierna uiteenzetten om welke redenen het tot dat oordeel komt.
Het afhankelijk karakter (zie 4.6) van de te heffen BBO/BAVP en BAZV bij invoer, waarbij die heffing afhankelijk is van het al dan niet van toepassing zijn van een vrijstelling van invoerrechten voor de ingevoerde goederen, betekent dat allereerst beoordeeld dient te worden of de vrijstelling van invoerrechten terecht al dan niet is verleend. Ingevolge artikel 128b LIUD (zie 4.3) had belanghebbende in bezwaar dienen te komen bij de Inspecteur Douane tegen de beslissing om geen vrijstelling te verlenen. Indien de Inspecteur Douane na behandeling van het bezwaar zou beslissen dat de vrijstelling bij invoer verleend had moeten worden, dan zou hij eveneens vrijstelling verlenen voor de door de Inspecteur Douane geheven BBO/BAVP en BAZV.
Daarnaast oordeelt het Gerecht het systematisch onjuist dat de Inspecteur Belastingen in een zaak als de onderhavige bevoegd zou zijn om het bezwaar en beroep te behandelen. De systematiek van belasting- en douanewetgeving is immers gebaseerd op het uitgangspunt dat de Inspecteur die een bepaalde voor bezwaar vatbare beschikking uitvaardigt, een voor bezwaar vatbare beslissing neemt of bij wie aangifte is gedaan en de ter zake daarvan verschuldigde belasting heeft afgedragen of voldaan, tevens het bestuursorgaan is waarbij tegen de hiervoor genoemde gedraging bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Nu aangifte is gedaan bij de Inspecteur Douane en de Inspecteur Douane de BBO/BAVP en BAZV op grond daarvan heeft geheven (zie ook: 4.7), zou op systematische gronden bezwaar (en beroep) moeten worden ingediend bij de Inspecteur Douane.
Wordt daarentegen de zienswijze van belanghebbende gevolgd, dan zou deze systematiek worden doorbroken. Dit zou betekenen dat de Inspecteur der Belastingen moet beoordelen of de Inspecteur Douane al dan niet terecht een vrijstelling heeft verleend of dat de Inspecteur Douane de douanewaarde juist heeft bepaald, terwijl de specifieke expertise ter zake nu juist bij de Inspecteur Douane ligt.
Met wat onder 4.9.2 is overwogen komt overeen hetgeen is geregeld in Hoofdstuk IA van de Lv BBO. Aldaar is bepaald dat de waarde bij invoer wordt vastgesteld overeenkomstig de wettelijke regelingen inzake de douanewaarde bij invoer (artikel 1b, lid 2), vrijstellingen, ontheffingen en teruggaaf worden verleend overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de LIUD, dat hetzelfde heeft te gelden voor de wijze van heffing verschuldigd ter zake van de invoer van heffingen (artikel 1d en en 1e), en dat met de uitvoering van het hiervoor vermelde het Departement der Invoerrechten en Accijnzen belast is.
Het feit dat bij invoer BBO/BAVP en BAZV wordt geheven (en uitgevoerd) door de Inspecteur Douane en dat de douaneregelgeving daarop van toepassing is, leidt naar het oordeel van het Gerecht eveneens tot de conclusie dat de Inspecteur Douane bevoegd is om het door belanghebbende gemaakte bezwaar te behandelen.
In haar beroepschrift van 15 april 2026 heeft belanghebbende aangevoerd dat het Departement der Invoerrechten en Accijnzen, dat in artikel 1f Lv BBO wordt vermeld als uitvoerend orgaan van het bepaalde in Hoofdstuk IA, niet een bestuursorgaan is en (derhalve) geen wettelijke bevoegdheid heeft om uitspraak op bezwaar te doen.
Belanghebbende heeft gelijk dat de formulering in artikel 1f Lv BBO onzorgvuldig is en tot onduidelijkheid kan leiden. Het Departement der Invoerrechten en Accijnzen is niet een bij of krachtens de wet/landsverordening daartoe aangewezen formeel juridisch orgaan dat met (enige) uitvoering is belast.
De LIUD is van oorsprong een oude landsverordening, die geleidelijk aan op onderdelen gemoderniseerd is. In het verleden bevatte de LIUD (veel) meer verwijzingen naar daartoe niet wettelijk bevoegde organen, zoals het ‘Departement der Invoerrechten en Accijnzen’, ‘Algemeen Directeur van het Departement der Invoerrechten en Accijnzen’ en de ‘administratie’. Vrijwel al deze verwijzingen zijn in de loop der tijd door middel van diverse (wijzigings)wetten vervangen door ‘Inspecteur’.
Dat in recente wetgeving de terminologie wordt gebruikt die al geruime tijd niet meer wordt gebruikt, is dan ook merkwaardig te noemen. Het Gerecht gaat er evenwel vanuit dat met het begrip ‘Departement der Invoerrechten en Accijnzen’ in artikel 1f Lv BBO bedoeld is: ‘de Inspecteur’, zijnde de Inspecteur Douane. Deze Inspecteur is uiteraard bevoegd een bezwaarschrift in behandeling te nemen.
Dat in artikel 2, aanhef en onder i, ALB de belasting op invoer onder de werkingssfeer van de ALB is gebracht, zoals door belanghebbende is aangevoerd, maakt het vorenoverwogene niet anders. Immers, de Inspecteur Belastingen is exclusief bevoegd met betrekking tot de gedragingen betreffende het (tijdig) doen van aangifte en het (tijdig) voldoen van de verschuldigde belasting op grond van artikel 10 Lv BBO (met betrekking tot de ‘binnenlandse omzet’). Onderdeel van het doen van aangifte en het voldoen van de verschuldigde belasting is het op de verschuldigde belasting in aftrek kunnen brengen van de ter zake van de invoer van handelsgoederen betaalde belasting (zie artikel 10 en 10a Lv BBO). Reeds om die reden heeft de wetgever de belasting op invoer terecht onder de werkingssfeer van de ALB gebracht.
Tot slot voert belanghebbende nog aan dat ook de in de Memorie van Toelichting benadrukte benodigde samenwerking tussen de Inspecteur Douane en de Inspecteur Belastingen erop duidt dat door de Inspecteur Belastingen gesignaleerde organisatorische problemen er niet aan in de weg kunnen staan dat de Inspecteur Belastingen voor wat betreft de behandeling van het bezwaar bevoegd is. Belanghebbende doelt daarbij op de volgende passage:
Het voorgaande vergt in de nieuwe situatie per 1 juli 2023 een goede informatie-uitwisseling tussen de twee betrokken beleidsdepartementen die onafhankelijk van elkaar werken en beiden onder het ministerie, belast met Financiën ressorteren. In het onderhavige ontwerp is hiertoe een wettelijke basis opgenomen in zowel de Landverordening belasting over bedrijfsomzetten en additionele voorzieningen PPS-projecten en de Landsverordening bestemmingsheffing AZV. De hechte samenwerking tussen de twee departementen is nader uitgewerkt aan de hand van convenanten die tussen de belastingdienst en de douane zijn opgesteld. De belastingdienst en de douane wisselen gegevens uit die nodig zijn voor zowel de BBO/BAVP en BAZV wetgeving.
Naar het oordeel van het Gerecht rechtvaardigt de geciteerde passage niet de kennelijk door belanghebbende getrokken conclusie dat de Inspecteur Belastingen bevoegd is om het door belanghebbende ingediende bezwaar te behandelen. Vermelde passage gelast enkel en alleen dat de Inspecteur Douane en Belastingen dienen samen te werken om zodoende tot een juiste belastingheffing bij invoer te komen. Naar het oordeel van het Gerecht is die samenwerking noodzakelijk, omdat de Inspecteur Douane en Belastingen elk verantwoordelijk zijn voor een onderdeel van de belastingheffing bij invoer: de Inspecteur Douane voor de heffing aan de grens en de Inspecteur Belastingen voor het (deels) verlenen van aftrek van die aan de grens geheven belasting indien die invoer handelsgoederen betreft. Met name als de Inspecteur Belastingen slechts een deel van de ingevoerde goederen als handelsgoederen meent te moeten aanmerken, of in het geval dat de Inspecteur informatie nodig heeft om te bepalen óf sprake is van handelsgoederen zal informatie-uitwisseling noodzakelijk zijn. Blijkens de Memorie van Toelichting bestaan er convenanten tussen de Belastingdienst en de Douane waarin die samenwerking is geregeld. Geen van de partijen heeft aan die convenanten gerefereerd dan wel ter zake daarvan iets gesteld, laat staan doen blijken.
Vraag I dient aldus te worden beantwoord dat de Inspecteur Douane bevoegd is om uitspraken op bezwaar te doen. Vraag II behoeft geen beantwoording.
Slotsom
Belanghebbende is, onder verwijzing naar artikel 18, lid 2 ALB, in beroep gekomen tegen de door haar veronderstelde weigering van de Inspecteur Belastingen om uitspraken op bezwaar te doen tegen de door belanghebbende op respectievelijk 12 november 2025 en 18 februari 2026 ingediende bezwaarschriften. De Inspecteur Belastingen heeft evenwel terecht geen uitspraken op genoemde bezwaarschriften gedaan, omdat niet hij, maar de Inspecteur Douane, daartoe bevoegd is.
Het Gerecht zal dan ook het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaren.
Het gevolg van deze uitspraak is dat de Inspecteur Douane uitspraken op bezwaar dient te doen.
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht
6. BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en is uitgesproken op 3 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël - van der Biezen BSc.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
-natuurlijke personen: Afl. 75
-personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300