Uitspraak van 25 augustus 2026
BBZ nr. AUA202503102
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], wonende te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN, zetelend te Aruba,
de Inspecteur.
1. PROCESVERLOOP
Belanghebbende heeft door middel van zijn “broker” op 24 juli 2024 aangifte gedaan ten invoer van een motorfiets, merk Harley Davidson Road King, bouwjaar 2002, VIN: [VIN-nummer 1], met een aangegeven douanewaarde van USD 3.200.
Bij controle heeft de douaneambtenaar de aangegeven waarde niet aanvaard en de douanewaarde ambtshalve verhoogd naar USD 6.000. Deze vaststelling is bij nederlegging van 30 juli 2024 gedaan overeenkomstig artikel 60, tweede lid, van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer (hierna: LIUD).
Belanghebbende heeft op 5 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen deze waardevaststelling.
Bij uitspraak op bezwaar van 29 augustus 2025 is het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft op 24 september 2025 beroep ingesteld. Belanghebbende heeft hierbij een bedrag van Afl. 25 betaald aan griffierecht.
De Inspecteur heeft op 27 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van 26 februari 2026, waar belanghebbende in persoon is verschenen alsmede Y. Zimmerman en mr. J.J.C. Odor verbonden aan het advocatenkantoor [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [A], mr. [B] en [C].
Beide partijen hebben ter zitting een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
De behandeling is aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot een vergelijk te komen. Een compromis is niet bereikt.
Partijen zijn op 26 mei 2026 bericht dat het onderzoek is gesloten en dat uitspraak zou volgen.
2. FEITEN
Belanghebbende heeft op 26 juni 2024 een motorfiets gekocht in de Verenigde Staten, merk Harley Davidson Road King, bouwjaar 2002, met chassisnummer [VIN-nummer 1]. Volgens de “bill of sale” bedraagt de factuurprijs USD 3.200.
Bij de aangifte ten invoer, [aangiftenummer 1], is een douanewaarde van USD 3.200 vermeld.
Ter onderbouwing van de aangegeven waarde van USD 3.200 heeft belanghebbende in de loop van de procedure onder meer de volgende stukken overgelegd:
- de in 2.1 vermelde “bill of sale”;
- een “Certificate of Title”;
- een ontvangstbewijs van contante betaling van USD 3.200, ondertekend door de verkoper;
- WhatsApp- en Messenger-berichten tussen belanghebbende en de verkoper;
- een kopie van het identiteitsbewijs van de verkoper.
Uit de overgelegde berichten blijkt dat voorafgaand aan de aankoop communicatie heeft plaatsgevonden tussen belanghebbende en de verkoper, over de motorfiets en de prijs.
De douaneambtenaar heeft de aangegeven douanewaarde niet aanvaard en de waarde vastgesteld op USD 6.000.
Ter onderbouwing van de vastgestelde douanewaarde van USD 6.000 heeft de douaneambtenaar online referentieprijzen van Harley Davidson Road King motorfietsen van vergelijkbaar bouwjaar overgelegd.
Bij de behandeling van het bezwaar heeft de Inspecteur contact opgenomen met de verkoper. Volgens een door de Inspecteur overgelegde weergave van dat gesprek heeft de verkoper verklaard dat de motorfiets aanvankelijk te koop stond voor USD 5.500, dat de prijs is verlaagd naar USD 3.200, wegens geringe belangstelling (“there had been so little interest) en dat de betaling contant heeft plaatsgevonden.
3. GESCHIL
In geschil is de douanewaarde als bedoeld in artikel 59 LIUD van de ingevoerde motorfiets.
Belanghebbende stelt dat deze dient te worden vastgesteld op USD 3.200, zijnde de door hem betaalde koopprijs, welke hij heeft onderbouwd met een “bill of sale”, een ontvangstbewijs van contante betaling en WhatsApp- en Messenger-berichten met de verkoper. Hij stelt dat op basis van artikel VII van de GATT 1994 de werkelijk betaalde prijs primair uitgangspunt is voor de douanewaarde.
De Inspecteur stelt dat de aangegeven waarde niet overeenstemt met de normale prijs in de zin van artikel 59 LIUD en dat deze dient te worden vastgesteld op USD 6.000 op basis van marktinformatie en referentieprijzen van vergelijkbare motorfietsen.
4. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 127, eerste lid LIUD wordt invoerrecht geheven naar een percentage van de douanewaarde van een goed.
Ingevolge artikel 59, eerste lid, LIUD wordt onder de douanewaarde van goederen verstaan de normale prijs: de prijs die geacht wordt op de dag van aangifte voor levering ter plaatse van invoer voor die goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen tot stand gekomen overeenkomst van koop en verkoop. Deze bepaling is in overeenstemming met de in artikel VII van de GATT 1994 neergelegde waarderingsbeginselen.
Artikel VII van de GATT 1994 heeft geen rechtstreekse werking in de nationale rechtsorde. De daarin vervatte beginselen zijn verankerd in artikel 59 LIUD en dienen binnen dat kader te worden beoordeeld.
Het bepaalde in artikel 59 LIUD is na het verkrijgen van de ‘status aparte’ per 1 januari 1986 integraal overgenomen uit artikel 59 Algemene Verordening I.U. en D. 1908 (zie artikel 1 Algemene overgangsregeling wetgeving en bestuur, AB 1987 no. GT 2). In de wetsgeschiedenis is over artikel 59, lid 1 Algemene Verordening I.U. en D. 1908, het volgende opgemerkt:
‘Bij de vaststelling van de normale prijs fungeert de koopprijs als een hulpmiddel. Zij wordt geacht de normale prijs uit te drukken indien:
de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst gericht is op levering van de goederen ter plaatse van invoer;
de koper getracht heeft de goederen zo goedkoop mogelijk te verkrijgen en daartegenover de verkoper ernaar heeft gestreefd een zo hoog mogelijke prijs te bedingen;
de koper geen andere verplichting op zich heeft genomen dan betaling van de koopsom;
geen bijzondere betrekkingen tussen de koper en verkoper bestaan, welke geacht worden van invloed te zijn op de tot stand gekomen koopprijs.’
(MvT, zitting 1970-1971, 46, nr. 3, p. 9).
Hieruit volgt dat de tussen onafhankelijke partijen overeengekomen koopprijs in beginsel de normale prijs vertegenwoordigt, tenzij uit de feiten en omstandigheden blijkt dat daarvan moet worden afgeweken.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat, indien de Inspecteur de aangegeven douanewaarde verwerpt, op hem de last rust aannemelijk te maken dat deze waarde niet de normale prijs in de zin van artikel 59 LIUD vertegenwoordigt en dat een hogere waarde in aanmerking dient te worden genomen.
Beoordeling
In het onderhavige geval heeft belanghebbende ter onderbouwing van de aangegeven douanewaarde van USD 3.200 een “bill of sale”, een ontvangstbewijs van betaling, correspondentie met de verkoper en een verklaring van de verkoper overgelegd. Vaststaat dat koper en verkoper onafhankelijke partijen zijn. Gesteld noch gebleken is dat tussen hen een bijzondere verhouding bestond die de overeengekomen koopprijs heeft beïnvloed.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangegeven waarde niet de normale prijs vertegenwoordigt en dat belanghebbende in werkelijkheid meer heeft betaald dan de factuurprijs. Ter onderbouwing daarvan heeft hij gewezen op de aanvankelijke vraagprijs van USD 5.500 en op referentieprijzen van vier Harley Davidson Road King motorfietsen van hetzelfde bouwjaar met vraagprijzen variërend van USD 5.800 tot USD 10.995. Daartegenover heeft belanghebbende advertenties overgelegd van Harley Davidson Road King motorfietsen van vergelijkbare bouwjaren (2002, 2003, 2004 en 2005) met vraagprijzen tussen USD 2.850 en USD 4.000.
Het Gerecht is van oordeel dat de Inspecteur hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende meer heeft betaald dan het op de “bill of sale” vermelde bedrag van USD 3.200. Weliswaar bestond een aanzienlijk verschil tussen de aanvankelijke vraagprijs van USD 5.500 en de koopprijs van USD 3.200, maar de verkoper heeft verklaard dat de prijs is verlaagd wegens geringe belangstelling voor de motorfiets. De Inspecteur heeft zijn standpunt uitsluitend gebaseerd op algemene referentieprijzen en geen onderzoek verricht naar de concrete staat, kilometerstand en onderhoudsgeschiedenis van de onderhavige motorfiets. De overgelegde referentiegegevens bieden daarom onvoldoende grond om de transactiewaarde terzijde te stellen. Dat oordeel vindt steun in de door belanghebbende overgelegde advertenties, waaruit blijkt dat vergelijkbare motorfietsen eveneens voor aanzienlijk lagere bedragen werden aangeboden. Onder deze omstandigheden heeft de Inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om aannemelijk te maken dat de door belanghebbende gestelde koopprijs van USD 3.200 niet de normale prijs in de zin van artikel 59 LIUD vertegenwoordigt.
Nu de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overeengekomen koopprijs van USD 3.200 niet de normale prijs vertegenwoordigt, en ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die afwijking van de tussen onafhankelijke partijen overeengekomen transactiewaarde rechtvaardigen, dient voor de toepassing van artikel 59 LIUD te worden uitgegaan van de aangegeven douanewaarde van USD 3.200.
De door de Inspecteur vastgestelde douanewaarde van USD 6.000 kan daarom niet in stand blijven. Het beroep is gegrond.
Voor zover belanghebbende daarnaast heeft aangevoerd dat de waardevaststelling onvoldoende is gemotiveerd, dat daaraan onvoldoende zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt en artikel 59 LIUD onjuist is toegepast, behoeven deze grieven, gelet op het voorgaande, geen afzonderlijke bespreking.
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor het instellen van beroep.
Ingevolge artikel 15, eerste lid van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
In artikel 15, tweede lid, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. De kosten kunnen worden berekend op Afl. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van Afl. 700, een wegingsfactor 1).
Griffierecht
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, vierde lid LBB het betaalde griffierecht van Afl. 25 aan belanghebbende te vergoeden.
6. BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de douanewaarde van de ingevoerde motorfiets vast op USD 3.200;
- bepaalt dat de Inspecteur de invoerrechten, BBO (BAVP) en BAZV herberekent op basis van deze waarde;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van Afl. 1.400;
- veroordeelt de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van Afl. 25 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.A. Brinkenberg, rechter, en is uitgesproken op 25 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel- van der Biezen BSc.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op …………aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Afl. 75
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300