ECLI:NL:OGEAA:2026:215

ECLI:NL:OGEAA:2026:215

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 14-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer AUA202501785, AUA202501787 en AUA202501788
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Het Gerecht oordeelt dat de ontslagvergoeding terecht volledig met AOV/AWW- en AZV-premies is belast, omdat het loon uit vroegere dienstbetrekking betreft. Het beroep is alleen gegrond omdat het belastbaar inkomen door giftenaftrek wordt verlaagd van Afl. 70.914 naar Afl. 67.419.

Uitspraak

Uitspraak van 14 augustus 2026

BBZ nrs. AUA202501785, AUA202501787 en AUA202501788

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], wonende te Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Aruba,

de Inspecteur.

1. PROCESVERLOOP

Aan belanghebbende zijn op 27 december 2022 aanslagen inkomstenbelasting (IB), premies AOV/AWW en AZV opgelegd voor het jaar 2020 naar een belastbaar inkomen van Afl. 70.914 (IB) en premie-inkomen van Afl. 85.000 (AOV/AWW en AZV), resulterend in een terug te betalen bedrag van Afl. 2.994 (IB) en te betalen bedrag van respectievelijk Afl. 2.844 (AOV/AWW) en Afl. 1.926 (AZV).

Belanghebbende heeft op 21 februari 2023 tegen de aanslagen premies AOV/AWW en AZV bezwaar gemaakt. Kennelijk is, eveneens op 21 februari 2023, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB. Op 4 april 2025 heeft belanghebbende een aanvulling op het bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag IB ingediend.

De Inspecteur heeft op 10 april 2025 uitspraken op bezwaar gedaan en heeft de aanslagen gehandhaafd.

Belanghebbende heeft op 4 juni 2025 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.

De Inspecteur heeft op 25 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Belanghebbende is verschenen, alsmede haar echtgenoot. Namens de Inspecteur is verschenen mr.[A]. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

De zaak van belanghebbende is gelijktijdig behandeld met de zaak van haar echtgenoot (BBZ nr. AUA202501789).

2. FEITEN

Belanghebbende is gehuwd met de heer [B] (hierna: de echtgenoot).

Belanghebbende heeft in 2020 de volgende bedragen als loon uit tegenwoordige en vroegere arbeid genoten: Afl. 10.544 ([X]), Afl. 46.876 ([Y]) en een ontslagvergoeding van Afl. 38.555, in totaal Afl. 95.975. De ontslagvergoeding is onderworpen aan een bijzonder tarief van 15%. Het persoonlijk arbeidsinkomen van de echtgenoot bedraagt Afl. 89.680.

De aanslag AOV/AWW bedraagt Afl. 13.175 en is opgelegd naar een (maximum) premie-inkomen van Afl. 85.000. Rekening houdend met de ingehouden premies van Afl. 10.331 is aan belanghebbende een aanslag opgelegd naar een bedrag van Afl. 2.844 aan premies AOV/AWW.

De aanslag AZV bedraagt Afl. 8.925 en is opgelegd naar een (maximum) premie-inkomen van Afl. 85.000. Rekening houdend met de ingehouden premies van Afl. 6.999 is aan belanghebbende een aanslag opgelegd naar een bedrag van Afl. 1.926 aan premies AZV.

In diens aangifte inkomstenbelasting 2020 heeft de echtgenoot een bedrag van Afl. 4.245 aan giften opgevoerd als aftrekpost. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag geen rekening gehouden met deze giftenaftrek.

De echtgenoot heeft daarnaast in diens aangifte inkomstenbelasting 2020 persoonlijke lasten in aftrek gebracht, waaronder hypotheekrente (Afl. 12.046) en rente in verband met een persoonlijke lening (Afl. 772). De Inspecteur heeft deze kosten bij de echtgenoot gecorrigeerd en bij belanghebbende in aanmerking genomen.

De maximum premiegrenzen voor de sociale premies voor het jaar 2020 bedragen als volgt.

AOV/AWW

Bedrag (Afl.)

%

Premiegrens

85.000

Maximumpremie

13.175

15.5

Werkgeversdeel

-

10.5

Werknemersdeel

10.331

5

AZV

Bedrag (Afl.)

%

Premiegrens

85.000

Maximumpremie

8.925

10.5

Werkgeversdeel

-

8.9

Werknemersdeel

6.999

1.6

Op 6 juli 2026 heeft belanghebbende een bankafschrift overgelegd ter onderbouwing van de geclaimde giftenaftrek. Uit de naar aanleiding daarvan uitgevoerde herberekening volgt dat de giftenaftrek Afl. 3.495 bedraagt en niet Afl. 4.245.

3. GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Het geschil betreft de vraag of:

I. de ontslaguitkering van Afl. 38.555 ten onrechte bij belanghebbende in aanmerking is genomen;

II. de premies AOV/AWW en AZV over de in 2020 ontvangen afkoopsom (ontslagvergoeding) terecht bij belanghebbende zijn geheven, of dat deze premies (geheel of gedeeltelijk) ten laste van de (ex-)werkgever hadden moeten komen.

In haar bezwaarschrift inkomstenbelasting heeft belanghebbende betoogd dat de ontslaguitkering van Afl. 38.555 niet bij haar, maar bij haar echtgenoot als (arbeids)inkomen in aanmerking dient te worden genomen.

Voorts is belanghebbende het niet eens met de aanslagen premieheffing AOV/AWW en AZV over 2020. Zij stelt dat de (ex-)werkgever verantwoordelijk is voor de afdracht van deze premies, omdat de werkgever bij het berekenen van de afkoopsom op de hoogte was van haar inkomen. Volgens belanghebbende had de werkgever bij de uitbetaling rekening moeten houden met nog niet afgedragen premies. Zij ziet geen verschil tussen de afkoopsom en gewoon salaris en meent dat zij ten onrechte belasting en premies over de afkoopsom heeft betaald. Daarom verzoekt zij om vermindering van de aanslagen.

De Inspecteur is, onder verwijzing naar artikel 11 Lv IB, van mening dat de ontslagvergoeding als (te derven) arbeidsinkomen bij belanghebbende in aanmerking moet worden genomen.

Voorts stelt de Inspecteur dat de ontslagvergoeding moet worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, omdat deze verband houdt met in het verleden verrichte arbeid. Over een ontslagvergoeding is geen werkgeversdeel aan premies AOV/AWW en AZV verschuldigd, waardoor de volledige premielast voor rekening van de ex-werknemer komt. Het werkgeversdeel van deze premies kan dus niet bij de werkgever, maar moet bij belanghebbende worden geheven.

Ter zitting heeft belanghebbende haar standpunt dat de ontslaguitkering van Afl. 38.555 bij haar echtgenoot in aanmerking moet worden genomen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud laten varen en verklaard dat die uitkering als (arbeids)inkomen bij haar in aanmerking moet worden genomen. Vraag I behoeft derhalve geen beantwoording meer.

Ter zitting heeft de Inspecteur toegezegd dat de door belanghebbende gedurende de beroepsprocedure overgelegde bewijsstukken met betrekking tot de giften voor hem aanleiding vormen om tot een bedrag van Afl. 3.495 alsnog bij belanghebbende persoonlijke lasten in aanmerking te nemen.

4. OVERWEGINGEN

Vraag II: Zijn over de ontslaguitkering terecht premies AOV/AWW en AZV geheven bij belanghebbende?

Belanghebbende is in 2020 als ingezetene van Aruba verzekerde en premieplichtig voor de AOV en de AWW (artikel 5 en 23 van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (LAOV) en artikel 6 en 26 van de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (LAWW)). Zij is ook verzekerde en premieplichtig voor de AZV (artikel 3 en 38b van de Landsverordening algemene ziektekostenverzekering (LAZV).

De verschuldigde premies worden geheven over het in het kalenderjaar genoten premie-inkomen en vastgesteld in een percentage van dat inkomen (artikel 26, lid 1 LAOV, artikel 29, lid 1 LAWW en artikel 38b, lid 3 LAZV).

Het premiepercentage en het premie-inkomen waarover maximaal premies worden geheven, worden jaarlijks vastgesteld. Indien de verzekerde in dienstbetrekking werkzaam is, betaalt de werkgever ter compensatie van de door de verzekerde verschuldigde premies een toeslag op het loon (artikel 58 LAOV en 52 LAWW en artikel 38l LAZV). Voor de in het onderhavige jaar geldende premie-percentages, de maximum premie-inkomens en de hoogte van het zogenaamde werkgeversdeel van de premies verwijst het Gerecht naar het overzicht in 2.7.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de werkgever verantwoordelijk is voor de afdracht van deze premies, omdat de werkgever bij het berekenen van de afkoopsom op de hoogte was van haar inkomen. Volgens belanghebbende had de werkgever bij de uitbetaling rekening moeten houden met de nog verschuldigde premies.

In artikel 29, lid 2 LAOV en 32, lid 2 LAWW en in artikel 38eLAZV is opgenomen dat de heffing van de premie van verzekerden, “die van een inhoudingsplichtige loon (…) uit een bestaande dienstbetrekking genieten” (AOV/AWW) of “die in dienstbetrekking werkzaam zijn” (AZV), bij wijze van inhouding geschiedt. Ingevolge artikel 58 LAOV en 52 LAWW betalen “inhoudingsplichtigen die personen in dienst hebben”, ter compensatie een toeslag op het loon (het werkgeversaandeel). Ingevolge artikel 38l LAZV betaalt “de werkgever bij wie een premieplichtige in dienstbetrekking werkzaam is”, ter compensatie een toeslag op het loon. Het Gerecht leidt uit deze bepalingen af dat er slechts inhoudingsplicht bestaat bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en dat ook slechts in die situatie een werkgeversaandeel voor rekening van de inhoudingsplichtige komt. Voor zover de verzekerde andere inkomsten geniet dan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, zoals winst uit onderneming of inkomsten uit vroegere dienstbetrekking, komt de premie daarover voor rekening van de verzekerde.

Belanghebbende heeft in het kader van zijn ontslag een ontslagvergoeding ontvangen van Afl. 38.555. De vraag die, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, beantwoord moet worden is of die vergoeding loon uit tegenwoordige dienstbetrekking vormt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 31 januari 2014 over het onderscheid tussen inkomsten uit tegenwoordige en vroegere arbeid het volgende geoordeeld:

“Voor het onderscheid tussen inkomsten uit tegenwoordige arbeid en inkomsten uit vroegere arbeid komt het erop aan of de genoten inkomsten ten nauwste verband houden met bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid waarvoor die inkomsten een rechtstreekse beloning vormen, dan wel of die inkomsten niet een onmiddellijke tegenprestatie voor die arbeid vormen doch slechts meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid. De omstandigheid dat de dienstbetrekking waaruit de inkomsten worden genoten ten tijde van het genieten ervan nog bestond, is daarbij niet doorslaggevend (vgl. HR 26 juni 1968, nr. 15929, BNB 1968/169).”

De ontslagvergoeding vormt naar het oordeel van het Gerecht, geen onmiddellijke tegenprestatie voor in een bepaald tijdvak verrichte arbeid, doch vindt meer algemeen haar oorzaak in het voorheen verricht zijn van arbeid. Dat betekent dat de ontslagvergoeding inkomsten uit vroegere arbeid ofwel uit vroegere dienstbetrekking vormt. Of de dienstbetrekking op het moment van het genieten van de ontslagvergoeding nog bestond is daarbij niet van belang. Bij een ontslaguitkering wordt de dienstbetrekking geacht te zijn beëindigd, ook in het geval dat die in feite nog bestaat.

Omdat de ontslaguitkering loon uit vroegere dienstbetrekking vormt hoeft de werkgever daarover geen werkgeversaandeel te vergoeden en komt in zoverre de volledige premie voor rekening van belanghebbende. Het gelijk is aldus aan de Inspecteur.

Belanghebbende stelt dat in dit geval het vertrouwensbeginsel is geschonden. Zij voert aan dat een werknemer die wordt ontslagen, erop mag vertrouwen dat de fiscale gevolgen van de ontslagvergoeding duidelijk en juist worden weergegeven. Volgens haar wordt in de communicatie in grote letters vermeld dat de ontslagvergoeding wordt belast tegen 15%, terwijl in de kleine lettertjes blijkt dat dit voor personen met een lager inkomen ongunstiger kan uitpakken. In sommige gevallen bedraagt de daadwerkelijke heffing niet 15%, maar kan deze oplopen tot 30%. Bovendien worden de premies pas in rekening gebracht nadat de aanslagen zijn opgelegd. Dit leidt volgens belanghebbende tot een gevoel van onrechtvaardigheid en tast het vertrouwen in de overheid aan.

Bovendien is volgens belanghebbende sprake van rechtsongelijkheid indien bij belanghebbende bij wijze van aanslag premies worden geheven over de ontslagvergoeding. Er zijn namelijk ook categorieën van personen die geen premies betalen over een ontslagvergoeding. Belanghebbende noemt in dit verband: personen die een schadevergoeding ontvangen met een (overig) inkomen van meer dan Afl. 85.000 (maximum premie-inkomen) of personen die geen aangifte (hoeven te) doen.

Het vertrouwensbeginsel houdt in dat een belastingplichtig onder bepaalde omstandigheden erop mag vertrouwen dat de Inspecteur een bepaalde gedragslijn, (al dan niet impliciete) toezegging of standpuntbepaling, uitlating of (in uitzonderlijke gevallen) inlichting of toelichting zal respecteren, ook als deze achteraf bezien juridisch niet juist blijkt te zijn. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Het gaat hier om een correcte (niet-)inhouding door de werkgever. Door de Inspecteur is op geen enkele wijze vertrouwen gewekt.

Dat bepaalde categorieën personen een bepaalde door belanghebbende verschuldigde heffing niet verschuldigd zijn betekent niet dat van belanghebbende onrechtmatig (premies) is geheven. Belanghebbende is op grond van de Lv AOW, AWW en AVBZ de van haar geheven premies verschuldigd. Dat van een ander die premies al dan niet terecht niet (of minder) worden geheven, maakt de verschuldigdheid door belanghebbende niet anders. Het is immers een illusie om te veronderstellen dat dat de Inspecteur in staat is om alle materieel verschuldigde belasting en premies daadwerkelijk te heffen.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat bij de heffing van de premies over de ontslagvergoeding tevens rekening dient te worden gehouden met de giftenaftrek heeft het volgende te gelden.

De aftrek van giften als persoonlijke lasten zijn uitsluitend van invloed op de heffing van inkomstenbelasting en niet op de heffing van premies AOV/AWW en AZV. In artikel 26, lid 2 LAOV, artikel 29, lid 2 LAWW en artikel 38b, lid 2 LAZV is immers bepaald dat onder premie-inkomen wordt verstaan het onzuiver inkomen in de zin van de Lv IB, eventueel verminderd met bepaalde uitgekeerde pensioenen en uitkering (van welke pensioenen en uitkeringen hier geen sprake is). Persoonlijke lasten (aftrekbare giften) maken geen deel uit van het onzuiver inkomen, dus evenmin van het premie-inkomen.

Slotsom

De slotsom is dat het beroep gegrond is. Het door de Inspecteur vastgestelde belastbaar inkomen van Afl. 70.914 zal worden verminderd met de aftrekbare giften van Afl. 3.495 tot een belastbaar inkomen van Afl. 67.419.

5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten nu niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Wel dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4, LBB, het betaalde griffierecht van Afl. 25 aan belanghebbende te vergoeden.

6. BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vermindert de belastbaar inkomen tot Afl. 67.419;

- gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van Afl. 25 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël - van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: Afl. 75

-personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand