ECLI:NL:OGEAA:2026:216

ECLI:NL:OGEAA:2026:216

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 14-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer AUA202501789
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij gehuwden worden de inkomens volgens artikel 20 Lv IB toegerekend aan de echtgenoot met het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen. De ontslagvergoeding telt mee als persoonlijk arbeidsinkomen. Omdat de echtgenote daardoor het hoogste arbeidsinkomen heeft, moeten de persoonlijke lasten bij haar worden afgetrokken. Het Gerecht volgt de duidelijke tekst van de wet en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

Uitspraak van 14 augustus 2026

BBZ nr. AUA202501789

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], wonende te Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Aruba,

de Inspecteur.

1. PROCESVERLOOP

Aan belanghebbende is op 27 december 2022 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd voor het jaar 2020 naar een belastbaar inkomen van Afl. 89.680, resulterend in een te betalen bedrag van Afl. 6.201.

Belanghebbende heeft op 21 februari 2023 tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Op 4 april 2025 heeft belanghebbende een aanvulling op het bezwaarschrift ingediend.

De Inspecteur heeft op 10 april 2025 uitspraak op bezwaar gedaan en heeft de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft op 4 juni 2025 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.

De Inspecteur heeft op 15 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [A]. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

De zaak van belanghebbende is gelijktijdig behandeld met de zaak van zijn echtgenote (BBZ nrs. AUA202501785, 202501787 en 202501788).

2. FEITEN

Belanghebbende is gehuwd met [A] (hierna: de echtgenote).

Belanghebbende heeft in 2020 een persoonlijk arbeidsinkomen genoten van Afl. 89.680. De echtgenote van belanghebbende heeft een hoger persoonlijk arbeidsinkomen genoten, namelijk het loon uit tegenwoordige en vroegere arbeid van Afl. 10.544 ([X]), Afl. 46.876 ([Y]) en een ontslagvergoeding van Afl. 38.555, in totaal Afl. 95.975. De ontslagvergoeding is onderworpen aan een bijzonder tarief van 15%.

Belanghebbende heeft kosten in aftrek gebracht, waaronder hypotheekrente tot een bedrag van Afl. 12.046 en rente in verband met een persoonlijke lening van Afl. 772. De Inspecteur heeft deze kosten niet bij belanghebbende in aanmerking genomen, maar bij de echtgenote van belanghebbende. Daarnaast heeft belanghebbende een bedrag van Afl. 4.245 aan giften opgevoerd als persoonlijke last. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag geen rekening gehouden met deze giftenaftrek.

Op 6 juli 2026 heeft belanghebbende een bankafschrift overgelegd ter onderbouwing van de geclaimde giftenaftrek. Uit de naar aanleiding daarvan uitgevoerde herberekening volgt dat de giftenaftrek Afl. 3.495 bedraagt en niet Afl. 4.245.

3. GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

In geschil is of de aanslag inkomstenbelasting tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende betoogt dat, hoewel de echtgenote formeel het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen had, dit uitsluitend het gevolg is van de eenmalige ontslagvergoeding en dat geen sprake is van een door de echtgenote genoten structureel hoger progressief belast inkomen. Volgens belanghebbende is het de bedoeling van de wetgever geweest om de persoonlijke lasten, waaronder de hypotheekrente en de rente op de persoonlijke lening, toe te rekenen aan degene met het hoogste progressief belaste inkomen, zijnde belanghebbende. Voorts voert belanghebbende in zijn beroepschrift aan dat bij het vaststellen van de aanslag IB ten onrechte geen rekening is gehouden met de giftenaftrek ten bedrage van Afl. 4.245.

De Inspecteur stelt dat de ontslagvergoeding van de echtgenote belastbaar inkomen uit (vroegere) arbeid is, omdat deze een vervanging vormt van gederfd loon. Op grond van artikel 20, lid 4 LIB moet deze vergoeding aan de echtgenote worden toegerekend. Hierdoor had zij in 2020 het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen en zijn de persoonlijke lasten terecht bij haar in aanmerking genomen. De Inspecteur verwerpt het beroep op de bedoeling van de wetgever, omdat de LIB hiervoor geen wettelijke grondslag biedt.

De Inspecteur heeft de giftenaftrek bij de aanslagregeling gecorrigeerd, omdat de giften niet met bewijsstukken zijn aangetoond. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat hij akkoord gaat met een giftenaftrek tot een bedrag van Afl.3.495, zijnde het bedrag dat belanghebbende op 6 juli 2026 aangetoond heeft (zie 2.4), zij het dat ook dit bedrag bij de echtgenote in aanmerking dient te worden genomen.

4. OVERWEGINGEN

Wettelijke regeling

Artikel 3 van de Landsverordening inkomstenbelasting (Lv IB) luidt voor het onderhavige jaar 2020 voor zover van belang als volgt:

1. De binnen Aruba wonende personen zijn belastingplichtig naar hun belastbare inkomen.

2. Onder belastbaar inkomen wordt verstaan het zuivere inkomen, verminderd met de kinderaftrek, de ouderenaftrek en de te verrekenen verliezen.

3. Onder zuiver inkomen wordt verstaan het onzuivere inkomen, verminderd met:

a. de persoonlijke lasten;

b. de buitengewone lasten.

4. Onder onzuiver inkomen wordt verstaan al hetgeen wordt genoten als zuivere opbrengst van:

a. onroerende goederen;

b. roerend kapitaal;

c. onderneming en arbeid;

d. rechten op periodieke uitkeringen.

Artikel 11 lid 1, onderdeel a van de Lv IB luidt voor het onderhavige jaar voor zover van belang als volgt:

1. Tot de bestanddelen van het onzuivere inkomen behoren mede:

a. afkoopsommen, schadeloosstellingen en tegemoetkomingen welke toegekend zijn:

(…)

Artikel 16 Lv IB luidt voor het onderhavige jaar voor zover van belang als volgt:

1. Persoonlijke lasten zijn:

a. (…);

b. (…);

c. de niet als kosten tot verwerving, inning, en behoud van de opbrengst en op de opbrengst rustende lasten aan te merken renten van schulden en kosten van geldleningen, andere dan de in onderdeel g genoemde, tot een bedrag van vijfduizend florin;

d. (…);

e. (…);

f. giften (…) tot een bedrag van Afl. 50.000, mits de giften met schriftelijke bewijsstukken worden aangetoond;

g. de volgende kosten welke verband houden met de eigen woning die de belastingplichtige als hoofverblijf dient:

1° rente van schulden en kosten van geldleningen aangegaan ter verwerving, onderhoud of verbetering van een onroerend goed in de vorm van een woning die de belastingplichtige tot hoofdverblijf dient (…);

h. (…).

2. (…).

Artikel 20 Lv IB luidt voor het onderhavige jaar voor zover van belang als volgt:

1. In afwijking van artikel 3 worden ten aanzien van gehuwde, in Aruba wonende belastingplichtigen de zuivere inkomens van beide echtgenoten in aanmerking genomen bij de echtgenoot met het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen.

2. Ingeval de echtgenoten, bedoeld in het eerste lid, geen persoonlijk arbeidsinkomen hebben genoten, dan wel hun persoonlijke arbeidsinkomen even hoog is, wordt het zuivere inkomen van beiden in aanmerking genomen bij de man.

3. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid worden onder persoonlijk arbeidsinkomen verstaan de zuivere opbrengst van onderneming en arbeid.

4. Het eerste en het tweede lid vinden geen toepassing voor de zuivere opbrengsten van onderneming en arbeid. Voor die opbrengsten wordt elke echtgenoot afzonderlijk in de heffing betrokken.

5. Op gezamenlijk verzoek van beide echtgenoten kan het vierde lid buiten toepassing blijven. Dit verzoek dient schriftelijk te worden gedaan en als bijlage bij de aangifte te worden gevoegd.

6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing indien:

a. de belastingplichtigen niet het gehele kalenderjaar met elkander gehuwd zijn;

b. één of beide echtgenoten niet het gehele kalenderjaar in Aruba wonen;

c. de belastingplicht van één of beide echtgenoten gedurende het kalenderjaar is beëindigd wegens overlijden.

7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gehuwd verstaan gehuwd, niet duurzaam gescheiden levend.

Inhoudelijk

Volgens de in artikel 3 Lv IB neergelegde hoofdregel is iedere belastingplichtige afzonderlijk inkomstenbelasting verschuldigd. Voor gehuwde belastingplichtigen wordt van deze hoofdregel afgeweken. In artikel 20 lid 1 Lv IB is immers bepaald dat de zuivere inkomens van beide echtgenoten in aanmerking worden genomen bij de echtgenoot met het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen.

Blijkens artikel 3, lid 3, Lv IB moet onder zuiver inkomen worden verstaan het onzuiver inkomen verminderd met de persoonlijke lasten en de buitengewone lasten.

De ontslagvergoeding valt volgens vaste jurisprudentie (HR 11-07-1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4085) onder het arbeidsinkomen, omdat deze voortvloeit uit de dienstbetrekking. Onder ontslagvergoeding wordt verstaan een vergoeding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening inkomstenbelasting, die wordt toegekend aan een ontslagen werknemer en rechtstreeks verband houdt met dit ontslag.

Belanghebbende erkent dat op grond van een grammaticale interpretatie van artikel 20 van de Lv IB de persoonlijke lasten dienen te worden afgetrokken bij degene met het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen, maar meent dat deze interpretatie niet strookt met de bedoeling van de wetgever.

In dit verband verwijst belanghebbende naar de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 12 augustus 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:196), waarin het Hof onder punt 5.4.12 heeft overwogen dat:

“De voorlopige conclusie van het Hof is dan ook dat de grammaticale interpretatie in het onderhavige geval moet wijken voor de bedoeling van de wetgever. Indien deze uitspraak op basis van dit oordeel onherroepelijk is geworden, roept het Hof de wetgever met klem op om de tekst van de wet in overeenstemming te brengen met diens daadwerkelijke bedoeling. Naar het oordeel van Hof dient een einde te komen aan de gesignaleerde spanning tussen de wettekst en de bedoeling van de wetgever, omdat de door de wettekst gesuggereerde rechtszekerheid tot frustratie bij belastingplichtigen zal of kan leiden.”

Belanghebbende stelt dat, ondanks dat zijn echtgenote het hoogste (persoonlijke) inkomen heeft (gelet op ontvangen ontslagvergoeding), de aftrekposten bij hem in aanmerking moeten worden genomen. Volgens belanghebbende was het de bedoeling van de wetgever om de aftrek van persoonlijke lasten te verlenen aan de echtgenoot met het hoogste marginale tarief, net als dat dit destijds in Nederland het geval was.

Het Gerecht overweegt dat de tekst van artikel 20 Lv IB geen onderscheid maakt tussen structurele en incidentele bestanddelen van het arbeidsinkomen. Zowel reguliere loonbestanddelen als eenmalige uitkeringen, zoals een ontslagvergoeding, vallen onder het begrip “persoonlijk arbeidsinkomen” in de zin van deze bepaling. De wetgever heeft geen aanwijzingen gegeven dat bepaalde looncomponenten buiten beschouwing zouden moeten blijven bij de bepaling van het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen. Dat in het verleden in Nederland wellicht het (hoogste) marginale tarief een rol speelde bij de toerekening van bepaalde inkomensbestanddelen, maakt het vorenstaande niet anders, nu immers sprake is van toepassing van het Arubaanse belastingrecht.

De grammaticale uitleg van artikel 20 Lv IB leidt ertoe dat de persoonlijke lasten in aftrek komen bij de echtgenoot met het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen, ongeacht de hoogte van marginale tarieven of fiscale voordelen. Deze uitleg strookt met de duidelijke tekst van de wet en bevordert de rechtszekerheid en uitvoerbaarheid.

Hoewel het Gerecht erkent dat het standpunt van belanghebbende dat de aftrek bij degene met het hoogste marginale tarief fiscaal gunstiger zou uitvallen, kan deze zienswijze niet worden gehonoreerd zolang de wettelijke regeling daarvoor geen ruimte biedt. De door belanghebbende aangehaalde uitspraak van 12 augustus 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:196) betrof een andere rechtsvraag, waarbij de spanning tussen de letterlijke tekst en de kennelijke bedoeling van de wetgever zodanig was dat afwijking van de grammaticale interpretatie geboden werd. In het onderhavige geval is van een dergelijke spanning geen sprake. De bewoordingen van artikel 20 Lv IB en de wetsgeschiedenis zijn duidelijk en laten geen ruimte voor een alternatieve interpretatie.

Slotsom

De slotsom is dat, nu de echtgenote het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen heeft, en louter de hoogte van het persoonlijke arbeidsinkomen beslissend is, de persoonlijke lasten in aanmerking moeten worden genomen bij de echtgenote. Het gelijk is derhalve aan de Inspecteur. Het beroep is ongegrond.

5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten nu niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

6. BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier griffier N.N. Noël - van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: Afl. 75

-personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand