ECLI:NL:OGEAA:2026:22

ECLI:NL:OGEAA:2026:22

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer AUA202503808 EJ
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

EJ. Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

Beschikking van 21 januari 2026

Behorend bij AUA202503808 EJ

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

BOOGAARD ASSURANTIËN N.V.,

te Aruba,

verzoekster,

hierna ook te noemen: Boogaard,

gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch,

tegen:

[Verweerster],

te Aruba,

verweerster,

hierna ook te noemen: [verweerster],

gemachtigden: mr. D. Canwood en mr. J. Thijssen.

1. DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 25, ingediend op 14 november 2025;

- het verweerschrift met producties 1 tot en met 3,

- de akte eiswijziging,

- de pleitnota namens Boogaard,

- de pleitnota namens [verweerster].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2025 in aanwezigheid van partijen. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

Vandaag wordt uitspraak gedaan.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

Met ingang van 3 mei 2005 is [verweerster] (geboren op [geboortedatum] 1962) in loondienst voor Boogaard werkzaam. Zij heeft de functie van Customer Service Center Officer. Haar basissalaris bedraagt Afl. 5.495,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en dertiende maand. Zij bouwt pensioen op bij Boogaard. Op [geboortedatum] 2027 bereikt zij de pensioengerechtigde leeftijd.

Boogaard exploiteert een verzekeringskantoor op Aruba. [Verweerster] werkte op haar vestiging in [locatie].

Bij brief van 30 juni 2025 van Boogaard is [verweerster] geschorst met behoud van loon hangende een door Boogaard uit te voeren onderzoek. De redenen van de schorsing worden in de brief als volgt uitgelegd:

“Uit voorlopige bevindingen is gebleken dat u in de periode van januari tot en met juni 2025 op maandelijkse basis – gemiddeld zesmaal per maand – contante betalingen van klanten heeft ontvangen en daarmee, namens deze klanten, premies heeft voldaan via Point-of-Sale (POS)-transacties. Vooralsnog kan niet worden uitgesloten dat deze handelwijze ook buiten de genoemde periode door u is toegepast.

Tijdens het gesprek heeft u verklaard contante betalingen in Amerikaanse dollars (USD) van klanten te accepteren, waarna u de desbetreffende premiebedragen zelfstandig in Arubaanse florin (AWG) overboekt. Voorts heeft u aangegeven dat u ten behoeve van een klant een verzekering heeft afgesloten, waarbij u de bijbehorende premie zelf heeft voldaan via een Point-of-Sale (POS)-transactie.

Deze handelwijze wijkt niet alleen in aanzienlijke mate af van de binnen onze organisatie geldende procedures en werkinstructies, maar is tevens in strijd met het geldende ‘cashless beleid’ op ons kantoor te [locatie] en met de bepalingen uit onze ‘Code of Conduct’.”

De schorsing loopt nog steeds.

Boogaard heeft op 30 juni 2025 een melding over deze kwestie gedaan aan haar toezichthouder; de Centrale Bank van Aruba.

Op 2 september 2025 heeft Boogaard een onderzoeksrapport opgesteld. De conclusie van dat onderzoeksrapport luidt als volgt:

“Het doel van het onderzoek was om vast te stellen of [verweerster] de geldende procedures heeft nageleefd en of er sprake was van eventuele onregelmatigheden.

Uit het onderzoek is gebleken dat [verweerster] in strijd met de vastgestelde procedures heeft gehandeld door contante betalingen in Amerikaanse dollars van klanten te accepteren om vervolgens met haar bankpas de premies in Arubaanse guldens te betalen, ondanks het geldende cashless beleid. Uit het patroon blijkt dat deze betalingen in 2025 zijn toegenomen ten opzichte van 2023 en 2024. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het aannemen van contant geld en het gebruik van haar eigen bankpas voor premiebetalingen een structureel en herhaaldelijk gedragspatroon is geworden bij [verweerster].

Gezien het bovenstaande is het vertrouwen in de zakelijke relatie tussen [Boogaard] en [verweerster] ernstig geschaad.” In het rapport staat verder dat [verweerster] van maart 2023 tot en met juni 2025 142 keer contant geld (Afl en USD) heeft aangenomen van klanten. Daarna heeft zij met haar pinpas vanaf haar eigen bankrekening de verschuldigde prolongatiepremies aan Boogaard overgemaakt. Het gaat om in totaal Afl. 50.221,59.

Boogaard heeft ook een extern rapport laten opstellen. Uit de conclusie daarvan:

“(…) In onderhavig geval blijkt dat [verweerster] in strijd heeft gehandeld met het intern beleid inzake het aanvaarden van contante betalingen, de gedragscode, bepalingen in de Ltv, Lta, de AML/CFT Ordinane, het AML/CFT Handbook, en de RIB. Conform de RIB, heeft Boogaard dit incident bij de CBA gemeld en de ernst daarvan belicht. Dit wilt zeggen dat de toezichthouder op de hoogte is gesteld van het onregelmatig handelen van [verweerster]. Het betaamt een onder toezicht staande instelling de juiste corrigerende maatregelen te treffen conform de ernst van het wangedrag. Zo behoudt de onder toezicht staande instelling haar integriteit en ethische bedrijfscultuur.

Het hoeft geen betoog dat, zoals beschreven in bovenstaande onderdelen van dit rapport, [verweerster] verschillende artikelen van de vigerende wet- en regelgevingen niet heeft nageleefd. Daarnaast heeft [verweerster] de interne procedures van Boogaard, alsmede de meeste artikelen van de gedragscode van Boogaard niet nageleefd. [Verweerster] heeft zich niet professioneel gedragen en heeft mogelijk twijfel gezaait over de integriteit en de professionaliteit van de Guardian Group (reputationele schade). Voor het publiek zou het immers kunnen lijken alsof de medewerkers van het bijkantoor te [locatie] de vigerende interne procedures niet hoeven te volgen, en tevens geen rekening dienen te houden met de toepasselijke wet- en regelgevingen van de CBA.”

3. HET VERZOEK EN HET VERWEER

Na eiswijziging luidt het verzoek van Boogaard als volgt:

“(…) bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

de arbeidsovereenkomst met [verweerster] per onmiddellijk te ontbinden, zonder toekenning van enige vergoeding op grond van voren omschreven gewichtige redenen, bestaande uit dringende redenen dan wel verandering in de omstandigheden;

[Verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van AWG 9.788,50, bestaande uit AWG 7.878,55 en AWG 1.909,95, ter dekking van de kosten van het conceptrapport d.d. 23 september 2025 en het aangepaste rapport d.d. 16 oktober 2025, voortvloeiende uit haar eigen handelen, dan wel tot een ander bedrag dat Uw Gerecht in goede justitie passend acht;

Voor het geval Uw Gerecht van oordeel is dat [verweerster] aanspraak heeft op een billijke vergoeding, Boogaard de gelegenheid te bieden om het ontbindingsverzoek in te trekken op grond van artikel 7:685 lid 9 BW;

Dan wel elke andere door U E.A. in alle goede justitie te vermenen voorziening te treffen;

Alles met veroordeling van [verweerster] in de kosten en nakosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van de beschikking.”

De conclusie van het verweerschrift van [verweerster] luidt als volgt:

“(…)

het ontbindingsverzoek van Boogaard af te wijzen, dan wel

Het ontbindingsverzoek toe te wijzen met toekenning aan [verweerster] van een vergoeding van Afl. 104.569,85.

Alles met veroordeling van Boogaard in de kosten van deze procedure.”

4. DE BEOORDELING

Opzegverbod

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een opzegverbod.

Karakter van de ontbindingsprocedure

Het Gerecht brengt in herinnering dat de ontbindingsprocedure een bijzondere procedure is. De rechter mag uitgaan van aannemelijkheden. Hij is namelijk niet gebonden aan het bewijsrecht, waaronder begrepen de stelplicht, omdat de procedure is gericht op een snelle beslissing of een arbeidsovereenkomst al dan niet moet worden ontbonden. Daarom is er ook geen hoger beroep mogelijk. In die zin heeft een ontbindingsbeschikking geen, doch in elk geval minder, precedentswaarde dan een procedure waarin het bewijsrecht wel van toepassing is en wel hoger beroep mogelijk is.

Vaak wordt een ontbindingsprocedure voorwaardelijk gevoerd. De voorwaarde is dan dat het ontslag op staande voet door de bodemrechter niet rechtsgeldig wordt geacht. Als het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding wordt toegewezen heeft de werkgever een datum waarop de arbeidsovereenkomst in elk geval eindigt zodat hij weet wat de maximale aanspraak op loon is waarop de werknemer recht heeft. Ook weet hij in dat geval zeker dat hij de werknemer vanaf die datum niet meer hoeft toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden zodat partijen niet langer tot samenwerking zijn veroordeeld in het geval dat de werkgever dat echt niet meer wil. Omgekeerd geldt min of meer hetzelfde voor een ontbindingsverzoek dat door de werknemer wordt ingediend maar dat is hier niet aan de orde.

Boogaard heeft ervoor heeft gekozen om [verweerster] niet op staande voet te ontslaan maar haar te schorsen, onderzoek te plegen en vervolgens dit onvoorwaardelijke verzoek in te dienen. Dat vindt het Gerecht netjes; een ontslag op staande voet is vaak onnodig schadelijk voor de werknemer zeker als dat plaatsvindt tegen de achtergrond van de kleine gemeenschap die Aruba is. Een ander voordeel is dat de werknemer niet met een inkomensval wordt geconfronteerd en dat lang procederen wordt voorkomen. Tot slot geldt, als het Gerecht geen dringende reden zou aannemen, dat de ontbindingsrechter, als sprake is van gewijzigde omstandigheden, met het toekennen van een vergoeding maatwerk kan leveren. Het niet precies kunnen vaststellen wat er precies is gebeurd en wie gelijk heeft, maar ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer kunnen worden verwerkt in de vergoeding naar billijkheid die kan worden opgelegd. Als die vergoeding niet naar wens is van de verzoekende partij kan het verzoek worden ingetrokken en kunnen partijen alsnog een bodemprocedure beginnen, onderhandelen over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst eindigt. Ook kan de arbeidsovereenkomst natuurlijk gewoon worden voortgezet.

Gewichtige redenen

Ontbinding is mogelijk wegens gewichtige redenen. Er zijn twee varianten; de dringende reden (geen vergoeding) en de gewijzigde omstandigheden (mogelijkheid tot een vergoeding). Het kan natuurlijk ook zo zijn dat er geen sprake is van gewichtige redenen volgens de ontbindingsrechter. Dan wordt het verzoek afgewezen en duurt de arbeidsovereenkomst voort tot het moment dat deze om een andere reden rechtsgeldig eindigt.

De feiten nader beschouwd

Tegen deze achtergrond gaat het Gerecht nader in op de feiten. De vestiging in [locatie] is sinds enkele jaren cashless. Er moet worden gepind. Vaste klanten (de aan [verweerster] verweten betalingen zien alleen op prolongatiepremies) kwamen in een aantal gevallen niettemin met contant geld naar dat kantoor om te betalen. Omdat zij niet op de hoogte waren van het cashless beleid of geen pinpas hadden. Als dat het geval was riepen de baliemedewerkers [verweerster] erbij. Zij was dan bereid de contante gelden in ontvangst te nemen en betaalde vanaf haar eigen privé-rekening de premie op de bankrekening van Boogaard. Let wel: alle klanten waren al door de screening van Boogaard gekomen want het gaat om prolongatiepremies. Er zijn geen aanwijzingen dat anderen dan de verzekeringnemers of verzekerden de premies hebben betaald. Het is ook moeilijk denkbaar dat daarvoor een reden zou bestaan gelet op de relatief kleine premiebedragen.

Dringende reden

Volgens Boogaard leveren deze feiten een dringende reden op. Zij stelt dat deze handelwijze van [verweerster] in strijd is met allerlei belangrijke regels tegen witwassen en terrorismefinanciering e.d. (zie rov. 2.6) en dat Boogaard nu in het vizier van de toezichthouder (CBA) is gekomen. Aan [verweerster] was duidelijk verteld dat zij dit niet mocht doen en zij heeft het toch gedaan. Ook stelt Boogaard dat zij enkele honderden florijnen aan inkomsten heeft misgelopen hierdoor en dat er sprake is van belangenverstrengeling. De geldstromen van Boogaard en [verweerster] zijn immers door elkaar gaan lopen door de contante betalingen aan [verweerster] en de vele betalingen vanaf haar bankrekening richting Boogaard. [Verweerster] voert hiertegen inhoudelijk verweer.

Het Gerecht zal de arbeidsovereenkomst niet ontbinden op grond van een dringende reden. Dat wordt als volgt uitgelegd. Bij een ontbinding wegens een dringende reden moet een afweging worden gemaakt tussen de belangen van de werkgever en de persoonlijke belangen van de werknemer. Het Gerecht is het eens met Boogaard dat [verweerster] fout heeft gehandeld door in strijd met het cashless beleid en de toezichtsregelgeving contant geld van klanten te accepteren zodat hun premies via de onder 4.6 omschreven methode aan Boogaard konden worden betaald. [Verweerster] heeft in de correspondentie voorafgaande aan de zitting en ook op de zitting volmondig beaamd dat zij hiervan spijt heeft en enorm is geschrokken van de gevolgen. Zij heeft beloofd het nooit meer te zullen doen. Wel heeft zij benadrukt dat zij uitsluitend zo handelde om de klanten te helpen waardoor Boogaard de premies ontving. Ook heeft zij erop gewezen dat sprake is van een onberispelijk dienstverband, dat er ten onrechte gelijk wordt gekozen voor de meest vergaande stap (einde arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden) en dat er onvoldoende rekening mee wordt gehouden dat zij nog maar, pakweg, twee jaar te gaan heeft voordat zij met pensioen kan.

Boogaard voert aan dat [verweerster] persoonlijk voordeel heeft ondervonden maar dat vindt het Gerecht onvoldoende aannemelijk. Duidelijk is immers geworden dat de gelden van de klanten aan haar werden overhandigd in het bijzijn, of zelfs op initiatief, van baliemedewerkers. Dat gebeurde dus in alle openheid wat er niet op duidt dat [verweerster] uit was op persoonlijk voordeel. Temeer nu Boogaard wat betreft de premies heeft gekregen wat haar toekomt. Het gaat Boogaard, zo begrijpt het Gerecht haar stellingen, er meer om dat [verweerster] heeft gehandeld in strijd met het cashless beleid en in strijd met de toezichtregels. Wat dat eerste betreft geldt dat meerdere medewerkers daarvan op de hoogte waren en haar, zoals gezegd, er juist bij riepen als er een klant was die contant wilde betalen. Met andere woorden: het was een praktijk die zeer geruime tijd bekend moet zijn geweest in het kantoor [locatie] bij meerdere collega’s. Bovendien geldt in dit verband ook dat het bijzonder is dat de eigen interne controles van Boogaard en van haar accountant hebben gefaald. De vele betalingen door [verweerster] op de bankrekening van Boogaard moeten toch in het oog zijn gesprongen? Het is immers ongebruikelijk dat een werknemer geld overmaakt aan de werkgever. Dat is doorgaans andersom. Met deze achtergrond houdt het Gerecht rekening en dat maakt dat het handelen in strijd met het cashless beleid onvoldoende zwaarwegend wordt gevonden om een dringende reden aan te nemen.

Dat geldt ook voor de (mogelijke) strijd van de handelwijze met voormelde regelgeving van de overheid. Het Gerecht stelt voorop dat de CBA op de hoogte is gesteld maar ziet verder geen enkele actie van deze toezichthouder richting Boogaard. Mogelijk natuurlijk omdat Boogaard zo verstandig was om gelijk openheid van zaken te geven. Mogelijk ook omdat toch wel direct duidelijk is dat er geen sprake is van fraude met het doel geld te witwassen, te gebruiken voor terrorismefinanciering, belastingontduiking, ondermijning of wat voor ander ernstig verwijt ook. Met Boogaard onderschrijft het Gerecht natuurlijk wel dat naleving van de toezichtsregels van belang is en dat het tegen de regels is dat via een persoonlijke bankrekening van een werknemer premies worden betaald.

Tegen deze achtergrond wegen de persoonlijke belangen van [verweerster] zwaarder. Ontbinding wegens een dringende reden is een ultimum remedium, en daarvoor is het verwijt aan [verweerster] niet zwaar genoeg. Ook omdat dit voor [verweerster] een inkomensval en pensioenschade zou inhouden. Bovendien is ontbinding wegens een dringende reden, gelet op de geschetste achtergrond en haar intenties, te diffamerend. Daarom wordt het verzoek op grond van een dringende reden afgewezen.

Veranderde omstandigheden

Wel is het Gerecht het eens met Boogaard dat voortzetting van het dienstverband niet mogelijk is. Daarvoor is het noodzakelijke vertrouwen van Boogaard in [verweerster] verdwenen. Terecht voert Boogaard aan dat [verweerster] had moeten beseffen dat het op deze wijze van helpen van klanten niet past in een professionele omgeving van een verzekeringskantoor, temeer gelet op de seminars en cursussen die zij over de toepasselijke regelgeving heeft gevolgd. Klantvriendelijkheid mag inderdaad niet zover gaan dat [verweerster] haar eigen betaalpas gebruikt om premies te betalen nadat zij in contanten de premiegelden had geïnd, ook niet als zij daar geen financieel voordeel van geniet. Dat levert inderdaad ongewenste verhoudingen op. [Verweerster] had beter moeten weten. Er is dan ook sprake van een verandering in de omstandigheden die meebrengt dat de arbeidsovereenkomst dient te eindigen.

Vergoeding

Nu moet de vraag worden beantwoord of aan [verweerster] een vergoeding toekomt. Die vraag wordt bevestigend beantwoord om de volgende redenen: het overigens onberispelijke dienstverband, het motief om klanten te helpen zodat van persoonlijk winstbejag geen sprake was, het voorkomen van te veel inkomens- en pensioenschade en de gevorderde leeftijd van [verweerster] waardoor haar kansen op de arbeidsmarkt beperkt zullen zijn.

Verweerster] beaamt dat Boogaard van de vertrouwensbreuk slechts deels een verwijt kan worden gemaakt. Op de mondelinge behandeling heeft zij namelijk uitgelegd dat de door haar verzochte vergoeding van Afl. 104.569,85 bruto is gebaseerd op de oude kantonrechtersformule met een correctiefactor van 0,5. Daarmee brengt zij tot uitdrukking dat het voor een belangrijk gedeelte haar eigen schuld is dat de arbeidsovereenkomst tot een einde komt. Het Gerecht maakt de volgende berekening. Bruto maandsalaris is Afl. 5.495,00 + Afl. 439,00 vakantiegeld + Afl. 457,00 13e maand = Afl. 6.391,00. Uitgaande van de ontbindingsdatum van 1 februari 2026 zijn er nog 21 maanden te gaan tot de pensioendatum van [geboortedatum] 2027. Dat komt qua totaal salaris (inclusief emolumenten) uit op Afl. 134.211,00 bruto. Het Gerecht acht een billijke vergoeding van 65% van dit bedrag op haar plaats, dus: Afl. 87.237,00 bruto. Op dit bedrag dient een eventuele aan [verweerster] toekomende cessantia-uitkering, die volgens haar uitkomt op een bedrag van Afl. 42.000,- bruto in mindering te worden gebracht.

De kosten van de onderzoeken

Het Gerecht ziet onvoldoende aanleiding om de kosten van de onderzoeken in mindering te brengen op de vergoeding of anderszins toe te wijzen, voor zover dat al mogelijk zou zijn in een procedure als de onderhavige. Belangrijkste grond daarvoor is dat geen sprake is van een dringende reden maar een overtreding van interne en toezichtsregels die Boogaard veel eerder had moeten zijn opgevallen. Het is daarom onredelijk om de kosten daarvan voor rekening van een werknemer te brengen die geen kwaad in haar zin had en spijt heeft betuigd.

Intrekkingstermijn

Omdat een vergoeding wordt opgelegd geeft het Gerecht aan Boogaard de mogelijkheid haar verzoek in te trekken.

Uitvoerbaar bij voorraad

Het is niet nodig deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat hoger beroep op grond van de wet niet mogelijk is.

Proceskosten

Omdat partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld wordt bepaald dat zij de proceskosten voor eigen rekening moeten houden.

5. DE BESLISSING

Het Gerecht:

geeft aan Boogaard de gelegenheid om tot en met 30 januari 2026 een brief bij de griffie te deponeren waarin zij haar verzoek intrekt en, als het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, bestaande uit veranderde omstandigheden met ingang van 1 februari 2026,

kent aan [verweerster] een vergoeding toe van Afl. 87.237,00 bruto, waarop een eventueel nog toe te kennen cessantia-uitkering in mindering strekt, en veroordeelt Boogaard de vergoeding op door [verweerster] aan te geven wijze aan haar te betalen binnen 14 dagen waarna daarover wettelijke rente wordt verschuldigd tot aan de dag van algehele betaling,

en, ongeacht of het verzoek wordt ingetrokken of niet:

bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening moeten houden;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

---

---

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?