GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Appellante],
wonend in Aruba,
APPELLANTE,
gemachtigde: [gemachtigde],
gericht tegen:
DE MINISTER BELAST MET VREEMDELINGEN- EN INTEGRATIEBELEID,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
niet verschenen.
INLEIDING
Bij brief van 7 februari 2024 heeft appellante verweerder verzocht om een viertal beschikkingen, gedateerd 14 februari 2008, 10 maart 2009, 12 augustus 2015 en 3 augustus 2016, strekkende tot weigering van door appellante aangevraagde vergunningen tot verblijf, te heroverwegen deze vergunningen alsnog te verlenen.
Tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek heeft appellante op 11 mei 2024 bezwaar gemaakt.
Tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar heeft appellante beroep ingesteld bij dit gerecht. Bij uitspraak van 5 maart 2025 heeft het gerecht het beroep gegrond verklaard, de fictieve afwijzende beslissing op het bezwaar van appellante vernietigd en bepaald dat verweerder binnen twee weken na dagtekening van die uitspraak een reële beslissing op het bezwaar van appellante dient te nemen.
Bij uitspraak van 21 mei 2025 heeft het gerecht, beslissend op het verzoek van appellante op grond van artikel 53 van de Lar, bepaald dat verweerder binnen vier weken na dagtekening van deze uitspraak alsnog een beslissing neemt op het bezwaar van appellante, onder verbeurte van een dwangsom van Afl. 100,- voor elke dat verweerder in gebreke blijft om aan die opdracht te voldoen, met een maximum van Afl. 5.000,-.
Bij beslissing van 18 juni 2025 (bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek tot heroverweging beslist en – voor zover thans nog in geschil –- de afwijzende beschikkingen van 10 maart 2009 (vergunningaanvraag nr. 6) en 3 augustus 2016 (vergunningaanvraag nr. 13) gehandhaafd.
Hiertegen heeft appellante op 4 augustus 2025 pro-forma beroep ingesteld bij het gerecht. Op 25 september 2025 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 8 april 2026. Appellante is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd (via videoverbinding). Verweerder is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
Hierna is de uitspraak nader bepaald op vandaag.
OVERWEGINGEN
Beslissing in promo of beslissing op bezwaar?
2. Het gerecht is met appellante van oordeel de bestreden beschikking, hoewel dit daaruit niet met zoveel woorden blijkt, moet worden aangemerkt de beslissing op haar bezwaar, gegeven ter uitvoering van de uitspraken van het gerecht van 5 maart 2025 en 21 mei 2025. Appellante kan derhalve in haar beroep worden ontvangen.
Wat is relevant om te weten?
Appellante wenst in aanmerking te komen voor de Nederlandse nationaliteit. Zij heeft daartoe een optieverklaring afgelegd als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Bij beschikking van 21 december 2023 heeft de Gouverneur van Aruba geweigerd de optieverklaring te bevestigen, aangezien uit een zogeheten Bericht Omtrent Toelating (BOT) van 29 juni 2023 is gebleken dat appellante van 9 maart 2008 tot 5 januari 2010 en van 6 januari 2015 tot 24 januari 2016 geen toelating heeft gehad tot Aruba. Door deze zogeheten verblijfsgaten voldoet zij niet aan het vereiste van een onafgebroken periode van tenminste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk. Tegen deze afwijzende beschikking heeft appellante bezwaar gemaakt, waarop nog niet is beslist.
Met haar verzoek aan verweerder tot heroverweging van de daarin genoemde afwijzende beschikkingen wenst appellante alsnog in aanmerking te komen voor de gevraagde verblijfsvergunningen, zodat de hiervoor bedoelde verblijfsgaten worden “gedicht”.
De inhoud van de bestreden beslissing
4. In de bestreden beslissing staat - voor zover van belang – het volgende:
“(…)
Met referte aan uw verzoek ingediend op 8 februari 2024 bij de D.I.M.A.S., tot heroverwegingen van de afwijzende beschikkingen van 14-2-2008, 10-3-2009, 12-8-2015 en 3-8-2016, wordt u hierbij van het volgende op de hoogte gesteld.
(…)
Om een beslissing te heroverwegen ondanks dat die beslissing onaantastbaar is geworden, is mogelijke wanneer er nieuwe feiten of omstandigheden zijn opgekomen of wanneer het besluit onmiskenbaar onjuist is.
(…)
Bij aanvraag nummer 6 ingediend op 15 januari 2009 bent u bij beslissing va 14-2-2008 op de hoogte gesteld dat u reeds een afwijzende beschikking heeft ontvangen dat u slechts voor een periode van maximaal 3 jaar wordt toegelaten en dat het bestuursorgaan niet terug zal komen op die eerdere beslissing. U was al voor 3 jaren toegelaten en er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden die deze situatie veranderd.
Het bezwaarschrift gericht tegen deze beslissing is d.d. 8 september 2009 niet ontvankelijk verklaard.
(…)
Het verzoek nummer 13 ingediend op 7-1-2016 is bij beschikking van 3 augustus 2016 afgewezen omdat de werkgever op 27 februari 2016 kwam te overlijden.
U voert aan dat DIMAS “simpelweg de garantsteller (een familielid van de overledene kon wijzigen”, maar dit zou niet betekenen dat de vergunning alsnog zou worden uitgereikt omdat de nieuw garantsteller dan wel zou moeten voldoende aan de vereisten om garant te staan voor u als inwonende dienstbode.
(…)”.
Wat is het standpunt van appellante?
5. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing. Appellante heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat zij nooit een beschikking strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen de afwijzende beschikking op haar aanvraag nr. 6 heeft ontvangen, zodat nog immer op dat bezwaar moet worden beslist. Anders dan verweerder stelt is deze beschikking dus nog niet onherroepelijk geworden. Dit betekent onder meer dat de desbetreffende aanvraag moet worden beoordeeld aan de hand van de inmiddels gewijzigde wetgeving, waarin niet langer een maximale toelatingsduur van drie jaren voor buitenlandse arbeidskrachten is opgenomen. Verweerder heeft dit nagelaten.
Voorts heeft appellante aangevoerd dat ook de afwijzing van aanvraag nr. 13 niet in rechte onaantastbaar is. Er is nimmer op het tegen die afwijzende beslissing ingediende bezwaar beslist. Verweerder heeft miskend dat hij In het kader van de door hem nog te nemen beslissing op dat bezwaar alsnog dient te onderzoeken of de gevraagde vergunning, na het overlijden van de werkgever die in de aanvraag is genoemd, alsnog kon worden verleend voor werkzaamheden bij een andere werkgever. Hierdoor kleeft volgens appellante aan de afwijzing een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. De afwijzing van de gevraagde vergunningen vormt bovendien een inbreuk op haar recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat zij inmiddels twintig jaar in Aruba woont, een sterke band met Aruba heeft en gedurende dertien jaar heeft gewerkt voor deze familie. Daarnaast stelt appellante dat zij door de bestreden beslissing pas op 75-jarige leeftijd in aanmerking zou komen voor het Nederlanderschap, hetgeen volgens haar evenzeer een ongerechtvaardigde inbreuk op haar privéleven oplevert.
Wat vindt het gerecht?
Volgens vaste jurisprudentie dient degene die een bestuursorgaan verzoekt terug te komen op een in rechte onaantastbare beslissing, nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren die aanleiding kunnen geven om van die eerdere beslissing terug te komen. Indien dergelijke feiten of omstandigheden ontbreken, mag het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen, tenzij de weigering om terug te komen op die beslissing evident onredelijk is.
Het gerecht is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de afwijzende beslissingen op de aanvragen nrs. 6 en 13 rechtens onaantastbaar zijn geworden. Weliswaar ontkent appellante de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen de beschikking van 10 maart 2009 op aanvraag nr. 6 te hebben ontvangen, doch ook los daarvan kan de conclusie worden getrokken dat appellante zich kennelijk heeft neergelegd bij die beschikking. Nadien heeft zij immers wederom toelating verkregen terwijl zij in de periode van bijna vijftien jaar na de afwijzende beschikking – tot aan het onderhavige verzoek om heroverweging – er geen blijk van heeft gegeven alsnog een beslissing op haar bezwaar te wensen. Hetzelfde geldt voor de afwijzende beschikking op aanvraag nr. 13. Ook met betrekking tot die beschikking kan worden geconcludeerd dat appellante daarin heeft berust. In dit verband is van belang dat de Bezwaaradviescommissie bij brief van 19 augustus 2021 aan appellante heeft laten weten dat bij een opschoning van haar administratie is gebleken dat het bezwaar nog niet door de commissie in behandeling was genomen en is aan appellante de vraag gesteld of zij de behandeling van het bezwaar nog wenst voort te zetten. Niet is gebleken dat appellante hierop heeft gereageerd. Mede gelet op het ook in dat geval aanzienlijke tijdsverloop sedert de indiening van het bezwaarschrift, is de gevolgtrekking gerechtvaardigd dat de beschikking van 12 augustus 2015, onherroepelijk is geworden.
Het gerecht is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om terug te komen op de eerdere afwijzingen. Appellante heeft dat ook niet gemotiveerd betwist. Het gerecht ziet evenmin grond voor het oordeel dat de weigering van verweerder om terug te komen op de in geding zijnde beschikkingen evident onredelijk is. Ook het beroep van appellante op artikel 8 van het EVRM kan haar niet baten, nu deze beschikkingen er niet toe hebben geleid dat appellante het door haar gestelde gezinsleven in de zin van dat verdragsartikel in de tijdvakken waar het hier over gaat, niet heeft kunnen uitoefenen. Voor zover de beschikkingen tot gevolg hebben dat appellante vooralsnog het Nederlanderschap niet kan verkrijgen, valt niet in te zien dat verweerder daarmee een inbreuk heeft gemaakt op het privéleven van appellante.
CONCLUSIE EN GEVOLGEN
7. Geen van de door appellante aangevoerde beroepsgronden slaagt. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting 24 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.