GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Appellant 1],
[Appellant 2] ,
[Appellant 3] en
[Appellane 4],
allen wonende, althans domicilie kiezend in Aruba,
APPELLANTEN,
gemachtigde: drs. M.L. Hassell,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID EN TOERISME,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).
INLEIDING
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het beroep van appellanten tegen de fictieve afwijzende beslissing van verweerder op het bezwaar van 16 januari 2023.
Verweerder heeft op 11 september 2023 een verweerschrift ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 10 januari 2024. Appellanten zijn verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.
Hierna zijn partijen opgedragen om nadere stukken, zoals een verklaring van erfrecht met betrekking tot de op 29 juni 2021 overleden [ouder van appellanten] (hierna: wijlen [ouder van appellanten]), de verleende vergunningen en de adviezen van de verschillende overheidsdiensten op het verzoek van wijlen [ouder van appellanten] om een koffiehuis- en restaurantvergunning B, over te leggen.
Partijen hebben de door het gerecht verzochte stukken niet overgelegd.
OVERWEGINGEN
Waar gaat het in deze zaak over?
Wijlen [ouder van appellanten] heeft op 24 februari 2012 een verzoek ingediend ter verkrijging van een koffiehuis-, bierhuis- en restaurantvergunning voor de lokaliteit te [adres].
Dit verzoek is bij beschikking van 6 oktober 2012 afgewezen. Wijlen [ouder van appellanten] heeft hiertegen rechtsmiddelen aangewend.
Bij beslissing van 14 oktober 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing gegrond verklaard en opnieuw beslissende op die aanvraag, deze wederom afgewezen.
Het hiertegen gerichte beroep is bij uitspraak van dit gerecht van 29 juni 2015 (ECLI:NL:OGEAA:2015:126) gegrond verklaard, waarbij de bestreden beschikking is vernietigd en verweerder is opgedragen om binnen drie maanden opnieuw te beslissen op het bezwaar.
Bij beschikking van 13 oktober 2015 is aan wijlen [ouder van appellanten] de verzochte vergunning verleend.
Bij brief van 2 oktober 2016 heeft wijlen [ouder van appellanten] schadevergoeding verzocht voor de door hem geleden schade wegens het door verweerder nalaten binnen redelijke termijn op voornoemde aanvraag te beslissen.
Tegen het uitblijven van een beschikking heeft wijlen [ouder van appellanten] bezwaar gemaakt. Tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op zijn bezwaar heeft wijlen [ouder van appellanten] beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 november 2017 (ECLI:NL:OGEAA:2017:900) heeft dit gerecht het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen een termijn van drie maanden een reële beslissing op het bezwaar moet nemen.
Bij beslissing van 31 januari 2018 heeft verweerder het verzoek van wijlen [ouder van appellanten] afgewezen.
Het gerecht heeft het hiertegen ingestelde beroep bij uitspraak van 26 november 2018, ongegrond verklaard (ECLI:NL:OGEAA:2018:755). Hiertegen heeft wijlen [ouder van appellanten] hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 17 januari 2020 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (ECLI:NL:OGHACMB:2020:96), voornoemde uitspraak vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de beschikking van 31 januari 2018 vernietigd en verweerder opgedragen om binnen drie maanden een nieuwe beschikking te nemen.
Op 29 juni 2021 is wijlen [ouder van appellanten] overleden.
Bij beschikking van 9 december 2022 heeft verweerder het verzoek van wijlen [ouder van appellanten] om schadevergoeding wederom afgewezen. Deze beschikking is gericht aan “De Erven [ouder van appellanten] p/a”.
Hiertegen heeft de gemachtigde voornoemd, kennelijk namens “de erven van [ouder van appellanten]” op 16 januari 2023 bezwaar gemaakt. Voor het gerecht is het niet duidelijk wie bezwaar heeft of hebben gemaakt, nu de naam of namen van de indiener(s) van het bezwaar in het bezwaarschrift niet worden genoemd.
Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar heeft de gemachtigde vervolgens beroep ingesteld. Uit het beroepschrift blijkt niet namens welke personen het beroep is ingesteld, nu de namen van de indieners van het beroepschrift niet worden genoemd. Het gerecht begrijpt uit de overgelegde machtiging en de kopieën van paspoorten en geboorteaktes dat dit beroep namens de in de machtiging genoemde personen is ingesteld. Gelet hierop is dit in de aanhef van deze uitspraak aldus weergegeven.
Uit de overgelegde stukken volgt, dat appellanten [appellant 2], [appellant 1] en [appelant 3] kinderen van wijlen [ouder van appellanten] zijn. Onduidelijk is gebleven wat de relatie tussen appellant [appellant 4] en wijlen [ouder van appellanten] is, en of de appellanten tevens erfgenamen van wijlen [ouder van appellanten] zijn.
Zijn appellanten belanghebbenden in de zin van de Lar?
Voordat het gerecht het beroep kan beoordelen, moet worden vastgesteld wie als rechtsopvolgers van wijlen [ouder van appellanten] thans als belanghebbenden bij de door verweerder genomen afwijzende beschikking van 9 december 2022 kunnen worden aangemerkt. Nu dat niet zonder meer uit het bezwaar- noch beroepschrift kan worden vastgesteld, heeft het gerecht tijdens de behandeling van onderhavig beroep ter zitting van 10 januari 2024 de gemachtigde van appellanten verzocht een verklaring van erfrecht over te leggen.
Het gerecht constateert dat de verzochte verklaring van erfrecht tot op heden niet is overgelegd. Het gerecht kan dus niet vaststellen of de appellanten in deze als belanghebbenden in de zin van artikel 3 in samenhang met artikel 23 van de Lar, dienen te worden aangemerkt. Gelet hierop zal het gerecht het beroep nietontvankelijk verklaren.
4. Nu de vertraging in de afdoening van deze zaak in overwegende mate is toe te rekenen aan appellanten, ziet het gerecht geen aanleiding voor het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden op een wijze die aanleiding geeft tot (ambtshalve) toekenning van een vergoeding.
5. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten bestaat geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst af het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag, 19 augustus 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).
Het beroepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de dag van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75,- verschuldigd.