GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[Appellant],
DE MINISTER, BELAST MET INTEGRATIE- EN VREEMDELINGENZAKEN,
Uitspraak van 19 augustus 2026
Lar nr. AUA202500230
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
verblijvend in Aruba,
APPELLANT,
gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee,
gericht tegen:
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. S. Orman (DIMAS).
PROCESVERLOOP
Appellant heeft op 9 september 2021 een verzoek gedaan om internationale bescherming (de asielaanvraag).
Bij beschikking van 28 maart 2024 is de asielaanvraag afgewezen. Hiertegen heeft appellant op 13 mei 2024 bezwaar gemaakt.
Bij beslissing op bezwaar van 12 december 2024 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft hiertegen op 27 januari 2025 beroep ingesteld bij het gerecht.
Verweerder heeft op 26 maart 2026 een verweerschrift met stukken ingediend.
Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2026. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd. Appellant is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is nader bepaald op vandaag.
BEOORDELING
2. Het gerecht is van oordeel dat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard en legt hierna dit oordeel uit.
Wat is relevant om te weten?
Appellant is geboren in [geboorteplaats] en bezit de [nationaliteit] nationaliteit. Op 16 januari 2016 is hij als toerist Aruba binnengekomen. Na het verstrijken van de toegestane verblijfsduur heeft appellant Aruba niet verlaten. Op 28 augustus 2021 heeft hij een verzoek om internationale bescherming ingediend. Met dit verzoek beoogt appellant te voorkomen dat hij naar Venezuela wordt teruggezonden. Hij stelt te vrezen dat hij daar door de Venezolaanse autoriteiten zal worden opgepakt en vervolgd vanwege zijn politieke overtuiging. Daarnaast beroept appellant zich op de algemene situatie in Venezuela. Volgens appellant is de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming in strijd met het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Bij beschikking van 28 maart 2024 heeft verweerder het verzoek van appellant om internationale bescherming afgewezen. Bij de bestreden beslissing van 12 december 2024 heeft verweerder het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat op appellant een bijzondere verdragsrechtelijke uitzonderingsgrond van toepassing is. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellant, gelet op de door hem overgelegde documenten, bezien in samenhang met de door hem afgelegde verklaringen, niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ten slotte is volgens verweerder niet gebleken dat terugkeer van appellant naar Venezuela vanwege de aldaar heersende algemene situatie voor hem van bijzondere hardheid zou zijn.
Is het beroep tijdig ingediend?
Het gerecht beoordeelt allereerst of het beroepschrift tegen de bestreden beslissing tijdig is ingediend.
Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de beslissing op het bezwaarschrift is gedagtekend.
Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Lar wordt een beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard indien het is ingediend voordat de termijn is aangevangen of nadat de termijn is verstreken.
Ingevolge het derde lid blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd en het tegendeel daarvan niet blijkt.
Het gerecht stelt vast dat appellant niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beslissing. Deze beslissing is gedagtekend op 12 december 2024. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat de beroepstermijn is aangevangen op 13 december 2024 en is geëindigd op 23 januari 2025. Het beroep is derhalve op 27 januari 2025 buiten de wettelijke termijn ingediend.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
Bij e-mail van het gerecht van 8 april 2025 is appellant in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat hij het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs van hem kon worden verlangd, als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Lar. Appellant heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Ook is appellant niet ter zitting verschenen om desgevraagd een toelichting te geven.
Het gerecht ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dit betekent dat het beroep in beginsel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Is er reden om aan de niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan?
Voordat het gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaart, dient het te beoordelen of er aanleiding bestaat om aan die niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan. Dat is het geval indien sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998, Bahaddar tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494).
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden – zoals bedoeld in paragraaf 45 van voornoemd arrest de noodzaak kan bestaan om een nationale proceduregel, zoals een niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding, niet tegen te werpen. Dit ter voorkoming van een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het gerecht beoordeelt daarom of er zich in deze zaak dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden voordoen (“special circumstances”, ook wel “Bahaddar-excepties” genoemd). Deze beoordeling vergt een zelfstandige toets en staat los van de rechtmatigheid van de bestreden beslissing. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, als hetgeen appellant heeft aangevoerd en overgelegd, onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van appellant het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van het EVRM, zou schenden. De beoordeling of er zich “Bahaddar-omstandigheden” voordoen, moet worden verricht in het licht van wat appellant heeft aangevoerd en overgelegd, het standpunt van verweerder daarover en wat algemeen bekend is over het land van herkomst.
Appellant heeft op de asielaanvraag verklaard dat de reden dat hij niet wil terugkeren naar Venezuela en asiel heeft aangevraagd is vanwege de slechte economische situatie in Venezuela (werkeloosheid, tekort aan voedsel en onvoldoende geld om rond te komen.
Voorts heeft hij verklaard dat hij in 2014 eenmaal is achtervolgd door zogenoemde “sujetos” op een motor. Hoewel hij niet wist wie deze personen waren, wist hij naar eigen zeggen zeker dat het geen dieven waren en vermoedde hij dat het “chavistas” waren. Ook heeft hij verklaard eenmaal te hebben deelgenomen aan een “marcha de protesta” (protestmars) en dat hij om die reden vreest bij terugkeer naar Venezuela door de huidige regering te worden mishandeld.
Naar het oordeel van het gerecht leiden voornoemde door appellant gestelde omstandigheden niet onmiskenbaar tot het oordeel dat verweerder bij uitzetting van appellant het refoulementverbod van artikel 3 van het EVRM zal schenden.
De door appellant aangevoerde slechte economische omstandigheden in Venezuela zijn van algemene aard en duiden niet op een appellant persoonlijk betreffend risico. Ook uit de gestelde achtervolging in 2014 volgt een dergelijk risico niet, nu appellant niet weet door wie of om welke reden hij werd achtervolgd. Dat hij eenmaal aan een protestmars heeft deelgenomen, maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat appellant naar aanleiding daarvan problemen met de Venezolaanse autoriteiten heeft ondervonden of bij hen in de negatieve belangstelling is komen te staan.
Deze omstandigheden, afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien, brengen dan ook niet onmiskenbaar mee dat appellant bij terugkeer naar Venezuela een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het gerecht is ook overigens, in het licht van alle bekende informatie, niet gebleken van een onmiskenbaar risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van het gerecht is er dan ook geen sprake van een Bahaddar-exceptie.
CONCLUSIE
6. Het gerecht zal het beroep, nu appellant het beroep niet tijdig heeft ingediend, de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en tot slot niet is gebleken van een Bahaddar-exceptie, niet ontvankelijk verklaren.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, in samenwerking met mr. A.A. Wever, griffier, en wordt geacht in het openbaar te zijn uitgesproken op 19 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.