ECLI:NL:OGEAA:2026:226

ECLI:NL:OGEAA:2026:226

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer AUA202503774
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Indexering vut-uitkering, beroep ongegrond

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Appellant],

wonend in Aruba,

APPELLANT,

gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee,

gericht tegen:

DE VOORZITTER VAN DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. A.F.J. Caster (DWJZ).

INLEIDING

Bij beschikking van 25 maart 2025 heeft verweerder het verzoek van appellant om de per 1 juli 2024 en 1 januari 2025 doorgevoerde indexering van de salarissen van het overheidspersoneel eveneens toe te passen op zijn maandelijkse VUT-uitkering afgewezen.

Bij beslissing op bezwaar van 10 oktober 2025 (hierna: de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar van appellant van 3 april 2025, gericht tegen voormelde beschikking, ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft appellant op 6 november 2025 beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft op 24 februari 2026 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 6 mei 2026. Appellant is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Hierna is de uitspraak nader bepaald op vandaag.

BEOORDELING

2. Het gerecht is van oordeel dat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard en legt hierna dit oordeel uit.

Wat is relevant om te weten?

Appellant was als ambtenaar werkzaam als beveiligingsmedewerker bij de Cuerpo Especial Arubano (CEA). Bij aanvraag van 15 juni 2022 heeft appellant verweerder verzocht hem eervol ontslag te verlenen op grond van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lvut). Bij beschikking van 27 juli 2022 heeft verweerder aan appellant met ingang van 1 september 2022 eervol ontslag uit de overheidsdienst verleend en hem een maandelijkse VUT-uitkering toegekend, als volgt:

van 1 september 2022 tot 1 september 2023 ter hoogte van 90% van het laatstverdiende inkomen;

van 1 september 2023 tot 1 september 2024 ter hoogte van 80% van het laatstverdiende inkomen;

van 1 september 2024 tot 1 september 2025 ter hoogte van 70% van het laatstverdiende inkomen.

Op 10 oktober 2024 heeft appellant verzocht om de per 1 juli 2024 en 1 januari 2025 doorgevoerde indexering van de salarissen van het overheidspersoneel eveneens toe te passen op zijn maandelijkse VUT-uitkering. Tegen de afwijzing van dat verzoek heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij de bestreden beslissing heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Wat is het standpunt van verweerder?

4. Verweerder heeft zich in de bestreden beslissing – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de salarisindexeringen van juli 2024 en januari 2025 uitsluitend gelden voor de bezoldiging van actief overheidspersoneel en niet van toepassing zijn op uitkeringen die op grond van de Lvut. Volgens verweerder zien deze indexeringen op de bezoldigingsschalen zoals opgenomen in de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 en gelden zij uitsluitend voor ambtenaren als bedoeld in de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) en daarmee gelijkgestelde werknemers. Nu appellant na het verlenen van eervol ontslag niet langer als ambtenaar in de zin van de Lma kan worden aangemerkt, komt hem geen aanspraak op deze salarisaanpassingen toe. Verweerder heeft daarnaast uiteengezet dat de hoogte van een VUT-uitkering op grond van artikel 3, tweede lid, van de Lvut wordt bepaald aan de hand van het laatstgenoten maandinkomen voorafgaand aan het ontslag en vervolgens voor de duur van de uitkering vaststaat. Omdat de door appellant genoemde indexeringen eerst zijn ingevoerd nadat zijn vrijwillige uitdiensttreding was ingegaan, kunnen deze volgens verweerder niet doorwerken in de reeds vastgestelde VUT-uitkering.

Wat is het standpunt van appellant?

5. Appellant beoogt met zijn beroep vernietiging van de bestreden beslissing. Daartoe heeft hij – kort samengevat – aangevoerd dat zijn dienstverband met het Land Aruba, ondanks het per 1 september 2022 verleende eervol ontslag, materieel eerst na afloop van de VUT-periode, op 1 september 2025, is geëindigd. Volgens appellant behield hij gedurende de VUT-periode zijn hoedanigheid van ambtenaar, althans een daarmee vergelijkbare rechtspositie. Hij wijst er in dit verband op dat gedurende die periode pensioenopbouw heeft plaatsgevonden. Naar zijn mening volgt uit de Lvut, voor zover daarin de voortzetting van de pensioenopbouw tijdens de VUT-periode is geregeld, dat de ambtelijke status niet reeds met de ingang van de VUT eindigt. Daarnaast heeft appellant erop gewezen dat hij gedurende de gehele VUT-periode maandelijks een uitkering van het Land Aruba heeft ontvangen. Om deze redenen stelt appellant zich op het standpunt dat hij aanspraak heeft op toepassing van de indexeringen van juli 2024 en januari 2025 op zijn VUT-uitkering en dat de afwijzing van zijn daartoe strekkende verzoek onrechtmatig is.

Wat zegt de wet?

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lvut kunnen ambtenaren en overheidswerknemers gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden een verzoek doen om in aanmerking te komen voor eervol ontslag, respectievelijk tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onder gelijktijdige toekenning van in deze landsverordening nader omschreven bijzondere aanspraken.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Lvut is de looptijd van de aanspraken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, vastgelegd in de bijlage bij deze landsverordening, waarbij het aantal maanden dienstverband wordt bepaald aan de hand van het aantal volledige kalendermaanden, dat de ambtenaar of overheidswerknemer op de dag waarop de dienstbetrekking eindigt, ononderbroken in dienst is geweest van het Land.

Ingevolge het tweede lid ontvangt de gerechtigde ontvangt gedurende de looptijd maandelijks een uitkering. De uitkering bedraagt, tenzij de aanspraak daarop eerder vervalt:

- gedurende de eerste 12 maanden: 90% van het laatstgenoten maandinkomen;

- gedurende de daaropvolgende 12 maanden: 80% van het laatstgenoten maandinkomen en

- gedurende de laatste periode van 12 maanden: 70% van het laatstgenoten maandinkomen.

Ingevolge het derde lid geldt de uitkering voor de toepassing van artikel 114 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en artikel 632a en 633 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba niet als bezoldiging of loon.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Lvut zendt de Commissie, indien zij een verzoek als bedoeld in artikel 9, eerste lid, inwilligt, aan de gerechtigde binnen zeven kalenderdagen na de datum van die beslissing een door de voorzitter van de Commissie ondertekende beschikking, houdende het eervol ontslag. De beschikking bevat een verwijzing naar artikel 9, derde lid, en vermeldt voorts:

a. de datum van de beslissing van de Commissie;

b. de naam en geboortedatum van de gerechtigde;

c. de datum van aanstelling van de gerechtigde als ambtenaar;

d. de rang, het maandinkomen en de pensioengrondslag van de gerechtigde;

e. de datum van ingang van het ontslag;

f. de looptijd van de uitkering.

Wat vindt het gerecht?

In geschil is de vraag of appellant aanspraak kan maken op de indexeringen van juli 2024 en januari 2025 over zijn VUT-uitkering.

Het gerecht stelt vast dat de rechtsvraag die in deze procedure voorligt gelijk is aan de rechtsvraag die aan de orde was in de uitspraak van het gerecht van 1 april 2026, zaaknummer AUA202502411 (ECLI:NL:OGEAA:2026:123). Ook de relevante feiten en de door appellant aangevoerde gronden komen in essentie overeen met die welke in die procedure zijn beoordeeld. In het bijzonder heeft appellant, evenals in die zaak, aangevoerd dat hij gedurende de VUT-periode zijn status van ambtenaar heeft behouden, althans een daarmee vergelijkbare rechtspositie heeft gehad, zodat hij aanspraak zou moeten kunnen maken op de aan ambtenaren toegekende indexeringen.

Het gerecht ziet in hetgeen appellant in de onderhavige procedure heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in voormelde uitspraak. Uit artikel 3, tweede lid, van de Lvut volgt dat de hoogte van de VUT-uitkering eenmalig wordt vastgesteld aan de hand van het laatstgenoten maandinkomen voorafgaand aan het eervol ontslag en nadien ongewijzigd blijft. De VUT-uitkering vormt daarmee een zelfstandige, wettelijk geregelde uitkering, die niet is gekoppeld aan de bezoldiging van overheidspersoneel in actieve dienst.

De indexeringen die in juli 2024 en januari 2025 zijn toegepast, zien op de salarissen van ambtenaren in de zin van de Lma. Appellant kan gedurende de VUT-periode niet als zodanig worden aangemerkt, nu zijn dienstverband door het aan hem verleende eervol ontslag per 1 september 2022 is beëindigd.

Dat appellant gedurende de VUT-periode pensioen blijft opbouwen, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat de Lvut voorziet in voortzetting van de pensioenopbouw brengt niet mee dat appellant zijn rechtspositie als ambtenaar behoudt. Zij doet evenmin af aan het zelfstandige karakter van de VUT-uitkering, die, mede gelet op artikel 3, derde lid, van de Lvut, niet als bezoldiging kan worden aangemerkt.

Voor het standpunt van appellant dat hij gedurende de VUT-periode aanspraak behoudt op dezelfde rechtspositionele voordelen als overheidspersoneel in actieve dienst, waaronder salarisverhogingen en indexeringen, biedt de Lvut dan ook geen grondslag.

Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat de Lvut duidelijk regelt hoe de VUT-uitkering wordt vastgesteld en dat daarin geen aanspraak op indexering is opgenomen. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de indexeringen van juli 2024 en januari 2025 niet van toepassing zijn op de VUT-uitkering van appellant.

CONCLUSIE EN GEVOLGEN

8. Geen van de door appellant aangevoerde beroepsgronden slaagt. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting 19 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J. Martijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand