GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Appellant],
wonend in Aruba,
APPELLANT,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
gericht tegen:
DE MINISTER, BELAST MET INFRASTRUCTUUR EN RUIMTELIJKE ORDENING,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. A.F.J. Caster (DWJZ).
DE PROCEDURE
1. In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het beroep van appellant tegen de weigering van verweerder om hem toestemming te verlenen plantenbakken voor zijn woning te plaatsen.
Verweerder heeft bij beslissing van 2 juli 2025 (hierna: de bestreden beslissing) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en de afwijzende beschikking gehandhaafd.
Appellant heeft op 16 december 2025 hiertegen beroep ingesteld. Op 12 mei 2026 heeft hij nadere producties overgelegd.
Verweerder heeft een verweerschrift met onderliggende stukken ingediend. Op 26 februari 2026 heeft de gemachtigde een aanvullende productie overgelegd.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 13 mei 2026. Appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
OVERWEGINGEN
De ontvankelijkheid van het beroep
2. In deze zaak ligt allereerst de vraag voor of het onderhavige beroep ontvankelijk is. Het gerecht overweegt als volgt.
Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Lar kan degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een op een bezwaarschrift genomen beslissing, daartegen beroep instellen bij het gerecht.
Bedoeld beroep wordt, op grond van artikel 26 van de Lar, aanhangig gemaakt door indiening van een beroepschrift bij het gerecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt, volgens artikel 27, eerste lid van de Lar, zes weken en gaat in op de dag na die waarop de beslissing op het bezwaarschrift is gedagtekend.
Op grond van artikel 28, eerste lid van de Lar wordt, voor zover hier van belang, een beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard wanneer het is ingediend nadat de termijn is verstreken. Op grond van het derde lid blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.
In dit geval is de beslissing op bezwaar door verweerder ondertekend op 7 juli 2025.
Uit de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen volgt dat de termijn voor het instellen van beroep in dit geval is gestart op 8 juli 2025 en zes weken later is geëindigd, derhalve op 18 augustus 2025. Het beroepschrift is op 16 december 2025 ingediend, oftewel bijna vier maanden na het verstrijken van de beroepstermijn.
Op grond van de wet moet niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt. Uit bestendige jurisprudentie volgt dat indien een belanghebbende (de geadresseerde van het besluit of een derde) pas kennis neemt van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de bezwaar- of beroepstermijn al geheel of grotendeels is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kón nemen van het besluit, deze met het maken van bezwaar of het instellen van beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat is als hij dat doet binnen zes weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen dat zijn belangen kan raken (zie bv ECLI:NL:OGHACMB:2025:146).
Appellant heeft gesteld dat hij de bestreden beslissing pas op 5 november 2025 heeft ontvangen. Verweerder heeft dit niet bestreden. Nu het beroepschrift is ingediend binnen zes weken nadat appellant hiervan kennis heeft genomen, is dit ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. Het beroep is dan ook ontvankelijk.
Waar gaat deze zaak over?
3. In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd aan appellant toestemming te verlenen om voor zijn woonhuis plantenbakken te plaatsen. Verweerder heeft deze weigering in bezwaar gehandhaafd.
Het gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend en is daarom van oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Hierna legt het gerecht uit hoe het tot dit oordeel komt.
Wat is relevant om te weten?
Appellant woont op het adres [adres] in [locatie 1]. Het betreft een hoekhuis op de kruising van [straatnaam 1] en [adres]. Het huis is ommuurd. Aan twee kanten ligt voor de tuinmuur een trottoir.
Appellant heeft medio februari 2023 voor zijn tuinmuur aan de [adres] enkele plantenbakken op het trottoir geplaatst. Voor het plaatsen hiervan had appellant geen toestemming c.q. vergunning verzocht of gekregen.
Bij brief van 5 april 2023 heeft de directeur van de Dienst Openbare Werken (DOW) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast om de door hem op de openbare berm voor zijn woonhuis geplaatste plantenbakken binnen een week te verwijderen. Hiertegen heeft appellant rechtsmiddelen aangewend.
Appellant heeft bij brief van 16 mei 2023 verweerder verzocht hem een vergunning, als bedoeld in artikel 15 van de Algemene Politieverordening, te verlenen, inhoudende toestemming om bloembakken op het trottoir voor zijn woonhuis te [adres] te plaatsen.
Bij beschikking van 10 juli 2023 heeft de directeur van de DOW voormeld verzoek afgewezen. In die beschikking staat -voor zover hier van belang- het volgende:
“(…) Beleid DOW
Indien een eigenaar voor zijn of haar woning het trottoir wil verfraaien zal mijn dienst toestemming verlenen indien:
Alleen de berm/trottoir wordt voorzien van betonstraatstenen of asfalt zonder obstakels (dit geldt voor bermen/trottoir waarbij de breedte 2 meter is of minder);
De berm/trottoir breder is dan 2 meter, dan kunnen er obstakels worden geplaatst, mits de eerste 2 meter vanaf rand van de weg vrij is van obstakels;
Het perceel op de hoek ligt en men kan bewijzen dat continu zijn of haar omheining wordt omgereden, dan kunnen er enkele “Arubaantjes” worden geplaatst (alleen bij de hoek).
Mijn dienst zal geen toestemming verlenen voor het plaatsen van enige obstakels op de berm/trottoir omdat een eigenaar niet wil dat iemand anders voor zijn of haar perceel op domeingrond parkeert. Mijn dienst hanteert het beleid dat het openbare karakter altijd behouden moet blijven en dat het afbakenen van de ‘openbare weg’ door enig obstakel niet is toegestaan. In [adres] is het trottoir 2 meter en conform het beleid van de DOW is het plaatsen van obstakels niet toegestaan.
(…)
Obstakelvrije bermen/trottoir, vooral bij bermen/trottoir met breedtes van 2 meter of minder zijn niet alleen bedoeld voor de vrije toegang van voetgangers, maar dienen ook als ruimte voor de weggebruiker indien deze om enige reden zal moeten uitwijken.
Afwijzen verzoek
Gezien het beleid van mijn dienst en dat het trottoir ter plaatse 2 meter breed is, wordt geen toestemming verleend voor het plaatsen van enige obstakels buiten uw perceel op domeingrond. (…)”.
Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, en tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op zijn bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 26 maart 2025 (Lar nr. AUA202403327) heeft het gerecht verweerder opgedragen om binnen drie maanden een reële beslissing te nemen op het bezwaar van appellant.
De Bezwaaradviescommissie van de Lar heeft verweerder bij schrijven van 29 december 2025 geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te handhaven. In dat advies staat -voor zover hier van belang- het volgende:
“(…) Het bestuursorgaan heeft aan de afwijzende beschikking ten grondslag gelegd, dat het (doen) plaatsen van bloembakken op het trottoir voor het huis van bezwaarde in strijd is met het door het bestuursorgaan gehanteerd beleid. (…) Het trottoir voor het huis van bezwaarde is twee meter breed, waardoor het (doen) plaatsen van obstakels aldaar niet is toegestaan.
Bezwaarde beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar een aantal gevallen – met een korte beschrijving van de situatie ter plaatse – die volgens hem vergelijkbaar zijn als de situatie voor zijn woning. Bezwaarde meent dat het bestuursorgaan een gedoogbeleid hanteert ten aanzien van deze gevallen en dat het onredelijk is dat alleen bij hem handhavend wordt opgetreden.
Het uitgangspunt van een beroep op het gelijkheidsbeginsel is dat de juridische kwalificatie van de relevante feiten vergelijkbaar moet zijn om te kunnen spreken over een vergelijkbaar geval. Een enkele verwijzing naar een ander geval is daarbij onvoldoende. (…)
De commissie is echter van oordeel dat bezwaarde hiermee niet feitelijk en juridisch heeft onderbouwd waarom deze gevallen inderdaad als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt waarin het bestuursorgaan -ondanks het bestaan van een overtreding- niet handhavend optreedt. (…)”
Verweerder heeft bij de bestreden beslissing het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, en de afwijzende beschikking van 10 juli 2023 gehandhaafd.
Wat vindt appellant?
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld, dat de vergunning, inhoudende de toestemming om plantenbakken voor zijn woning op het trottoir te plaatsen, ten onrechte is geweigerd. Volgens appellant is de bestreden beslissing in strijd met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder andere het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het fair-playbeginsel.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant het volgende aangevoerd.
Hij heeft de plantenbakken voor zijn woning op het trottoir geplaatst om fout parkeren tegen te gaan omdat de politie onvoldoende ingrijpt. Anderen, met name klanten en werknemers van nabijgelegen bedrijven, parkeren hun voertuigen op het trottoir voor zijn woning. Hierdoor wordt niet alleen zijn zicht bij het uitrijden belemmerd, maar ook zijn tuinmuur wordt beschadigd. Er worden ook regelmatig auto’s voor zijn in-/uitrit geparkeerd waardoor de toegang tot zijn woning wordt geblokkeerd.
Appellant doet verder een uitdrukkelijk beroep op het gelijkheidsbeginsel, en noemt zeven adressen waar plantenbakken op het trottoir voor een woning zijn geplaatst. Volgens appellant hebben die huiseigenaren ook plantenbakken voor hun woning geplaatst ter bescherming van hun eigendom en treedt verweerder daar niet tegen op.
Wat zegt verweerder?
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld, dat de bestreden beschikking rechtmatig tot stand is gekomen, deugdelijk is gemotiveerd en in overeenstemming is met de toepasselijke wet- en regelgeving en het geldende beleid over het gebruik van de openbare weg. Hij concludeert daarom tot ongegrondverklaring van het beroep.
Hiertoe heeft verweerder aangevoerd dat hij een restrictief beleid voert met betrekking tot het plaatsen van objecten op trottoirs met name wanneer deze minder dan twee meter breed zijn. Dit om de obstakelvrije doorgang voor voetgangers, hulpdiensten en personen met mobiliteitsbeperkingen te waarborgen. In dit geval staat vast dat het trottoir minder dan twee meter breed is, zodat het plaatsen van plantenbakken in strijd is met het beleid en een risico vormt voor de verkeersveiligheid en toegankelijkheid. Het algemeen belang bij een veilige en vrij toegankelijke openbare weg weegt daarom zwaarder dan het individuele belang van appellant bij het plaatsen van plantenbakken ter bescherming van zijn perceel.
Verder heeft verweerder aangevoerd, dat handhaving van verkeersregels, waartoe het optreden tegen foutparkeerders behoort, een bevoegdheid is van de politie. Dat de politie niet tegen elke foutparkeerder optreedt rechtvaardigt niet een eigenmachtig optreden van appellant om obstakels op de openbare weg te plaatsen.
Tenslotte heeft verweerder aangevoerd dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. De enkele omstandigheid dat op andere locaties mogelijk vergelijkbare objecten zijn geplaatst, schept geen recht op toestemming voor appellant. Verweerder is bovendien niet gehouden een onrechtmatige situatie toe te staan omdat vergelijkbare situaties elders mogelijk worden gedoogd.
Wat staat in de wet?
Voor zover hier van belang wordt, op grond van artikel 1, eerste lid, van de Algemene Politieverordening (APv), onder openbare weg verstaan: alle straten, wegen, stegen, gangen, paden, stoepen, trottoirs, plantsoenen of andere openliggende of ten dienste van het publiek bestemde gronden.
Voor zover hier van belang bepaalt artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de APv, dat het verboden is zonder vergunning van de minister, belast met infrastructuur en ruimtelijke ordening, of een door hem aan te wijzen ambtenaar in, op of over de openbare weg iets, hoegenaamd, te plaatsen of te hebben.
Hoe oordeelt het gerecht?
Verweerder heeft zijn beslissing gebaseerd op door hem gevoerd beleid. Het beleid strekt ertoe trottoirs en openbare bermen met een breedte van twee meter of minder vrij te houden van obstakels. Daarmee wordt beoogd de vrije en veilige doorgang voor voetgangers te waarborgen en voldoende uitwijkruimte voor andere weggebruikers te behouden.
Voorop zij gesteld dat het gerecht dit beleid niet onredelijk acht. Beoordeeld dient dan te worden of verweerder in dit geval dit beleid mocht toepassen. Daarbij moet worden bezien of de toepassing van dat beleid, gelet op de omstandigheden van het geval en de betrokken belangen, voor appellant gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.
Appellant heeft betoogd dat hij de plantenbakken wil plaatsen omdat de politie niet althans onvoldoende optreedt tegen foutparkeerders voor zijn woning en hij als gevolg daarvan nadeel, in de zin van een beschadigde tuinmuur of belemmering van zijn in- en uitrit, ondervindt. Verweerder heeft hierop, en naar het oordeel van het gerecht terecht, gereageerd met de stelling dat het optreden tegen foutparkeerders is voorbehouden aan de politie en dat het niet optreden van de politie niet met zich meebrengt dat het beleid van verweerder zou moeten wijken. Het gerecht is daarom van oordeel dat verweerder de persoonlijke belangen van appellant op goede grond niet zwaarder heeft laten wegen dan het algemene belang dat met het beleid is gediend. Het betoog faalt.
9. Wat betreft het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel, overweegt het gerecht als volgt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk wordt behandeld, terwijl voor dit verschil in behandeling geen objectieve rechtvaardiging bestaat.
Appellant heeft betoogd, dat de volgende gevallen vergelijkbaar zijn met die van hem, en dat verweerder in die gevallen niet optreedt:
a. [Straatnaam 2]: voor de woning gelegen naast de Burger King zijn plantenbakken geplaats.
Op de foto die appellant heeft overgelegd oogt de ruimte vóór de tuinmuur van bedoelde woning, breder dan twee meter. Verder is uit hetgeen appellant heeft aangevoerd noch uit de foto vast te stellen dat deze ruimte een openbare berm betreft en zo ja, dat de plantenbakken zonder toestemming van verweerder zijn geplaatst.
b. [straatnaam 3] en [straatnaam 4]: Voor de omheining van de parkeerplaats staan plantenbakken.
Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd en de foto kan niet worden vastgesteld, dat het hier gaat om een openbare berm, noch dat de plantenbakken zonder toestemming van verweerder zijn geplaatst.
c. [Straatnaam 5]: voor de ingang van de parkeerplaats.
Appellant heeft dit geval niet nader onderbouwd, en ook geen foto overgelegd, zodat het gerecht niet kan vaststellen dat het hier om een vergelijkbaar geval gaat.
d. [Straatnaam 6/7: achter het gebouw van Lucky Super Store.
Op de overgelegde foto (productie XVII) is te zien dat voor de betreffende woning betonnen sierpaaltjes zijn geplaatst. Dat deze zijn geplaatst zonder toestemming van verweerder blijkt niet uit de foto noch uit hetgeen appellant heeft aangevoerd.
e. [Straatnaam 8]: buren van een “snack” hebben bloembakken op het trottoir voor hun woning geplaatst.
Uit de overgelegde foto en hetgeen appellant heeft aangevoerd, blijkt niet dat de bloembakken zijn geplaatst zonder toestemming van verweerder.
f. [straatnaam 9] naast [locatie 2]: bloembakken tegen de muur geplaatst.
Op de overgelegde foto is inderdaad te zien dat tegen een muur bloempotten op betonnen blokken zijn geplaatst. Uit die foto noch uit hetgeen appellant heeft aangevoerd kan echter worden vastgesteld dat het hier om een openbare berm van minder dan twee meter breed gaat. Evenmin kan worden vastgesteld dat de bloempotten zonder toestemming van verweerder zijn geplaatst.
g. [Straatnaam 10], naast het gebouw van [locatie 3]. De bewoner heeft voor zijn tuinmuur en watermeter blokken geplaatst.
Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd, en de overgelegde foto kan niet worden vastgesteld dat de blokken op een openbare berm, van minder dan twee meter breed, zonder toestemming van verweerder zijn geplaatst.
Het gerecht is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt, dat voormelde gevallen vergelijkbare gevallen zijn die ongelijk worden behandeld. Gelet hierop kan zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.
10. Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder de gevraagde toestemming heeft mogen weigeren en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond heeft mogen verklaren.
CONCLUSIE
11. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat geen van de door appellant aangevoerde beroepsgronden slaagt. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
12. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, in samenwerking met mr. A.A. Wever, griffier, en in het openbaar uitgesproken 19 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij de griffie van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.