2. HET GESCHIL
Eiser] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (zo het Gerecht begrijpt):
i. voor recht te verklaren dat de verschillende verplichte pensioenleeftijden voor notarissen binnen het Koninkrijk der Nederlanden – waarbij Nederlandse notarissen tot 70 jaar kunnen doorwerken terwijl Arubaanse notarissen bij de lagere leeftijd van [leeftijd 1] moeten aftreden – met betrekking tot [eiser] als Arubaans notaris een vorm van leeftijdsdiscriminatie is die in strijd is met:
a. Artikel I.1 van de Staatsregeling van Aruba (gelijkheidsbeginsel);
b. Artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;
(harmonisatieverplichting notarisambt);
c. Artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (discriminatieverbod);
danwel:
ii. voor recht te verklaren dat het verschil in verplichte leeftijden om af te treden dat geldt voor functionarissen die op Aruba bij wet voor het leven worden benoemd, met betrekking tot [eiser] als notaris een vorm van leeftijdsdiscriminatie vormt dat in strijd is met:
a. Artikel I.1 van de Staatsregeling van Aruba (gelijkheidsbeginsel);
b. Artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (discriminatieverbod);
en
iii. te bepalen dat als gevolg van bovenstaande onder i. en/of ii. de bepaling opgenomen in de Landsverordening op het notarisambt dat aangeeft dat [eiser] van bij het bereiken van de [leeftijd 1]-jarige leeftijd als Arubaanse notaris moet defungeren in de plaats van bij de 70-jarige leeftijd met betrekking tot [eiser] onverbindend is;
iv. het Land te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Het Land voert verweer en concludeert dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem gevorderde, althans tot afwijzing daarvan en tot veroordeling van het Land in de kosten en nakosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente indien het Land niet binnen een termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis die kosten zal hebben voldaan.
Voor zover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.
3. DE BEOORDELING
De hiervoor omschreven door het Gerecht begrepen vorderingen van [eiser] beogen niet een oordeel te verkrijgen over de geldigheid van het tweede lid van artikel 3 van de Landsverordening op het notarisambt (hierna: Ln) met betrekking tot alle Arubaanse notarissen. Die vorderingen beogen die wettelijke bepaling met betrekking tot [eiser] als Arubaans notaris buiten toepassing te laten daar beweerdelijk onverenigbaar met de door hem in zijn vorderingen aangehaalde wettelijke bepalingen. In het licht daarvan ziet het Gerecht geen gronden die met zich brengen dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem gevorderde. Het ontvankelijkheidsverweer van het Land wordt daarom verworpen.
Niet in geschil tussen partijen is het volgende. [Eiser] is notaris in Aruba en is als zodanig krachtens de Ln voor het leven benoemd. [Eiser] nadert de [leeftijd 1]-jarige leeftijd.
Het tweede lid van artikel 3 luidt als volgt: “De notarissen (…) worden bij landsbesluit eervol ontslagen, wanneer zij de leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt.”.
Bij de huidige stand van zaken zal [eiser] bij het bereiken van de [leeftijd 1]-jarige leeftijd krachtens de hiervoor onder 3.2.2 omschreven wettelijke bepaling bij landsbesluit eervol worden ontslagen als notaris. Ter zake van de vraag of die wettelijke bepaling met betrekking tot [eiser] onverbindend moet worden verklaard zoals door hem gesteld en gevorderd wordt het volgende overwogen. Daarbij wordt vooropgesteld dat in het algemeen geldt dat het Gerecht ter zake van beantwoording van de vraag of een landsverordening onverenigbaar is met hogere wetgeving, zoals het Statuut voor het Koninkrijk (hierna: het Statuut), de eerste 21 artikelen van de Staatsregeling van Aruba (hierna: Stsreg), en/of het in Aruba direct doorwerkende Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) terughoudendheid dient te betrachten. Het Gerecht toetst te dezen marginaal, in die zin dat de vraag moet worden beantwoord of de wetgever, gelet op de Arubaanse maatschappelijke situatie en de door hem nagestreefde doelen, met betrekking tot notarissen op objectieve grond of gronden redelijkerwijs kon en mocht kiezen voor een leeftijdsgrens van [leeftijd 1] jaar als zijnde de wettelijke ontslagleeftijd.
Artikel I.1 van de Staatsregeling van Aruba (hierna: Stsreg) luidt als volgt: “Allen die zich in Aruba bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, kleur, taal, nationale of maat- schappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, of op welke grond dan ook is niet toegestaan.”. Artikel I.22 Stsreg luidt als volgt: “Wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk.”. Krachtens deze laatste wettelijke bepaling is het Gerecht bevoegd te toetsen of het tweede lid van artikel 3 Ln met betrekking tot notaris [eiser] onverenigbaar is met artikel I.1 Stsreg onverbindend is zoals door hem gesteld. Met betrekking tot die toets wordt vooropgesteld dat het hier moet gaan om Arubaanse gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Daarvan is geen in casu geen sprake; het gaat te dezen immers over notarissen in Nederland en hun wettelijke ontslagleeftijd op grond van de Wet op het notarisambt ten opzichte van notarissen in Aruba en hun wettelijke ontslagleeftijd op grond van de Ln. Het zou anders zijn geweest als ingevolge de Ln bijvoorbeeld niet in Oranjestad gevestigde notarissen bij landsbesluit eervol zouden worden ontslagen bij het bereiken van de [leeftijd 1]-jarige leeftijd, terwijl in Oranjestad gevestigde notarissen bij landsbesluit eervol zouden worden ontslagen bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd. Met betrekking tot overige functionarissen in Aruba, die net als [eiser] krachtens de wet voor het leven zijn aangesteld, is evenmin sprake van gelijke gevallen in de zin van artikel I.1 Stsreg, reeds omdat die functionarissen anders dan [eiser] geen notaris zijn. Hier komt bij dat leden van het Gemeenschappelijk Hof krachtens Rijkswet zijn aangesteld en niet krachtens een door de Arubaanse wetgever gegeven Landsverordening, en dat met betrekking tot de voor het leven benoemde functionarissen van de Algemene Rekenkamer - anders dan met betrekking tot de notarissen - geen sprake is van een voltijdse betrekking.
Voorzover [eiser] betoogt dat de keuze van de wetgever om met betrekking tot het Arubaanse notariaat de wettelijke ontslagleeftijd voor notarissen vast te stellen op [leeftijd 1] jaar op zichzelf onverenigbaar is met artikel I.1 van de Stsreg wordt het volgende overwogen. Krachtens het eerste lid van artikel 3 Ln bedraagt het aantal notarisstandplaatsen te Aruba hoogstens zeven. Het Land heeft gesteld dat de wetgever in het licht van dat beperkte aantal standplaatsen met de door hem vastgestelde ontslagleeftijd van [leeftijd 1] jaar heeft beoogd te waarborgen dat jonge kandidaat-notarissen tijdig kunnen doorstromen naar het ambt van notaris. Tegen die achtergrond is een vaste ontslagleeftijd een objectief en niet onredelijk middel om de werkgelegenheid binnen het notariaat op billijke wijze tussen de generaties te verdelen en ontstaat er een evenwichtige en diverse personeelsopbouw, die bijdraagt aan de kwaliteit van het notariaat. Verder heeft het Land gesteld dat de wetgever met zijn keuze voor [leeftijd 1] jaar heeft willen aansluiten bij het wettelijk pensioenstelsel te Aruba, dat bepaalt dat in Aruba de pensioengerechtigde leeftijd [leeftijd 1] jaar bedraagt. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de wetgever met dit alles reeds een redelijke objectieve rechtvaardiging gegeven voor zijn keuze dat notarissen bij het bereiken van de [leeftijd 1]-jarige leeftijd van rechtswege eervol worden ontslagen.
Al het vorenstaande breng met zich dat het beroep van [eiser] op artikel I.1 Stsreg ongegrond is, zodat het Gerecht daaraan voorbijgaat.
Artikel 26 IVBPR luidt als volgt: “Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.”. In het licht van die verdragsbepaling wordt vooropgesteld dat het Koninkrijk een staat is in de zin van het IVBPR, waarvan onder meer de landen Aruba en Nederland deel van uitmaken. Aldus is het Gerecht bevoegd het onderscheid tussen de wettelijke ontslagleeftijd van notarissen in Nederland en de wettelijke ontslagleeftijd van notarissen in Aruba (terughoudend) te toetsen op verenigbaarheid met artikel 26 IVBPR. Verder wordt vooropgesteld dat het uit die verdragsbepaling voortvloeiende verbod op discriminatie niet absoluut is. Onderscheid is in het algemeen geoorloofd indien het een legitiem doel of doelen dient en het objectief en redelijk is. Aldus is het onderscheid tussen de wettelijke ontslagleeftijd van notarissen in Nederland en de wettelijke ontslagleeftijd notarissen in Aruba geoorloofd indien het voldoet aan die criteria. Tegen deze achtergrond wordt het volgende overwogen.
Voorzover [eiser] betoogt dat de keuze van de wetgever om met betrekking tot het Arubaanse notariaat de wettelijke ontslagleeftijd voor notarissen vast te stellen op [leeftijd 1] jaar op zichzelf onverenigbaar is met artikel 26 IVBPR wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 3.4.2 is overwogen, dat hier als herhaald en ingelast heeft te gelden. Aldus is het beroep van [eiser] op artikel 26 IVBPR in zoverre ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRVB) heeft in zijn uitspraak met als vindplaats ECLI:NL:CRVB:2021:1803 in een concrete door een Nederlandse rechter aanhangig gemaakte zaak overwogen dat de wetgever aan de wettelijke ontslagleeftijd van 70 jaar voor rechterlijk ambtenaren als doelstelling ten grondslag heeft gelegd het bevorderen van de doorstroming binnen de rechterlijke organisatie als onderdeel van de arbeidsmarktdoelstellingen, waarmee wordt bewerkstelligd dat er functies beschikbaar komen voor andere, jongere rechterlijk ambtenaren met de vereiste kwalificaties. In het licht daarvan en in dat van de onder meer omstandigheid dat rechterlijk ambtenaren voor het leven worden benoemd heeft de CRVB geoordeeld dat wettelijke ontslagleeftijd van 70 jaar voor rechterlijk ambtenaren een niet onredelijk middel is om de werkgelegenheid op billijke wijze tussen de generaties te verdelen waardoor er een evenwichtige en diverse personeelsopbouw ontstaat die bijdraagt aan de kwaliteit van de rechtspraak. Aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever diezelfde door de CRVB legitiem geoordeelde doelstelling ten gronde heeft gelegd bij het bepalen van de wettelijke ontslagleeftijd voor notarissen op eveneens 70 jaar.
Ter zake van de vraag of het onderscheid tussen de wettelijke ontslagleeftijd van notarissen in Nederland en de wettelijke ontslagleeftijd notarissen in Aruba al dan niet geoorloofd is wordt het volgende overwogen. Zoals hiervoor reeds vermeld heeft de Arubaanse wetgever met de door hem vastgestelde ontslagleeftijd van [leeftijd 1] jaar beoogd te waarborgen dat jonge kandidaat-notarissen tijdig kunnen doorstromen naar het ambt van notaris. Zoals hiervoor verder al vermeld bedraagt het aantal notarisstandplaatsen te Aruba krachtens het eerste lid van artikel 3 Ln hoogstens zeven. Dit terwijl de Wet op het notarisambt geen beperking stelt aan het aantal notarissen in Nederland. De wettelijke beperking in Aruba van het aantal notarissen tot maximaal zeven brengt naar het oordeel van het Gerecht mee dat waarborging van tijdige doorstroming binnen het Arubaanse notariaat klemmender is ten opzichte van dat van Nederland. In het licht van dit alles is het Gerecht van oordeel dat de keuze van de Arubaanse wetgever om de wettelijke ontslagleeftijd te bepalen op [leeftijd 1] jaar een legitiem doel dient dat objectief en niet onredelijk is. Daar komt het volgende bij.
Het Land stelt dat de leeftijd waarop het recht op ouderdomspensioen ontstaat wordt geacht een politieke en maatschappelijke meerderheidsopvatting tot uitdrukking te brengen over het moment waarop het beroepsleven, gelet op alle relevante economische, politieke, medische en demografische factoren zoals gemiddelde levensverwachting, eindigt. Het Gerecht volgt die niet door [eiser] bestreden stelling en is verder met het Land van oordeel dat een lagere gemiddelde levensverwachting met zich brengt dat mensen gemiddeld minder lang vitaal zijn, terwijl de pensioenleeftijd mede wordt ingegeven door overwegingen van kwaliteitswaarborging. In dit verband heeft het Land heeft verder onbestreden gesteld dat de gemiddelde levensverwachting in Nederland 82,4 jaar bedraagt en dat die in Aruba 76,6 jaar bedraagt. Het Gerecht is van oordeel dat dit verschil van ruim 6 jaar gemiddelde levensverwachting met het oog op onder meer kwaliteitswaarborging rechtvaardigt dat in Nederland het recht op ouderdomspensioen ontstaat op [leeftijd 2]-jarige leeftijd, en dat dit recht in Aruba reeds ontstaat op [leeftijd 1]-jarige leeftijd. Het Gerecht is in dat verband verder van oordeel dat de keuze van de Arubaanse wetgever om ter zake van de wettelijke ontslagleeftijd van notarissen aan te sluiten bij het sociale pensioenstelsel op Aruba eveneens een legitiem doel dient dat objectief en niet onredelijk is.
Op grond van het hetgeen hiervoor onder 3.5.1 tot en met 3.5.5 is overwogen en beslist is het Gerecht van oordeel is dat het verschil tussen de wettelijke ontslagleeftijd van [leeftijd 1] jaar voor notarissen in Aruba en de wettelijke ontslagleeftijd van 70 jaar voor notarissen in Nederland legitieme doelen dient en dat dit onderscheid objectief en redelijk is.
De slotsom luidt dat de Arubaanse wetgever, gelet op de hiervoor omschreven Arubaanse maatschappelijke situatie en de door hem nagestreefde doelen, met betrekking tot notarissen op objectieve gronden redelijkerwijs kon en mocht kiezen voor een leeftijdsgrens van [leeftijd 1] jaar als zijnde de wettelijke ontslagleeftijd voor notarissen. Aldus is bedoeld onderscheid niet onverenigbaar met artikel 26 IVBPR zoals gesteld door [eiser]. Het beroep van [eiser] op die verdragsbepaling is ongegrond.
Van onverenigbaarheid met artikel 39 Statuut zoals gesteld door [eiser] is evenmin sprake. Dienaangaande wordt het volgende overwogen, waarbij voorop wordt gesteld dat het Koninkrijk der Nederlanden vier autonome landen kent met ieder hun eigen (autonome) wetgever, en dat Nederlandse wetgeving niet heeft te gelden als Koninkrijkswetgeving zoals [eiser] lijkt te stellen onder randnummer 37 van zijn conclusie van repliek.
Krachtens artikel 39 Statuut moet in dit geval de Lv op het notarisambt en de Wet het notarisambt zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze worden geregeld. Dat is naar het oordeel van het Gerecht ook grotendeels het geval. Uit de zinsnede “zoveel mogelijk” vloeit echter niet voort dat sprake is van een absolute verplichting die met zich brengt dat voormelde wettelijke bepalingen geheel identiek moeten zijn (die van Nederland gelijk aan die van Aruba, of omgekeerd), zodat de Arubaanse wetgever ten opzichte van die van Nederland ter zake van het bepalen van de wettelijke ontslagleeftijd voor notarissen kan afwijken indien daarmee in Aruba legitieme doelen worden gediend die objectief en redelijk zijn. Voor het oordeel dat dit het geval is wordt verwezen naar al het vorenstaande, dat hier als herhaald en ingelast heeft te gelden. De slotsom op dit onderdeel luidt dat de Arubaanse wetgever, gelet op de hiervoor omschreven Arubaanse maatschappelijke situatie en de door hem nagestreefde doelen, op objectieve gronden redelijkerwijs kon en mocht kiezen voor een leeftijdsgrens van [leeftijd 1] jaar als zijnde de wettelijke ontslagleeftijd voor notarissen. Aldus is bedoeld onderscheid met betrekking tot de Nederlandse situatie niet onverenigbaar met artikel 39 Statuut zoals gesteld door [eiser]. Het beroep van [eiser] op die wettelijke bepaling is ongegrond.
Op grond van al het vorenstaande zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden door hem gesteld die een andersluidend oordeel kunnen dragen.
Eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, uitvoerbaar bij voorraad worden veroordeeld in de kosten en nakosten van deze procedure gevallen en (mogelijk) nog te vallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten, tarief 5), te vermeerderen met (1) Afl. 250,-- aan nakosten, (2) Afl. 150,-- in geval van betekening van dit vonnis aan [eiser] indien en voorzover hij na aanschrijving veertien kalenderdagen de tijd heeft gehad om vrijwillig aan dit vonnis te voldoen, en (3) met wettelijke rente gerekend vanaf de 15de dag na de uitspraak van dit vonnis;
4. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
-wijst af het door [eiser] gevorderde;
-veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.750,--, te vermeerderen met (1)
Afl. 150,-- in geval van betekening van dit vonnis aan [eiser] indien en voorzover hij na aanschrijving veertien kalenderdagen de tijd heeft gehad om vrijwillig aan dit vonnis te voldoen, en (2) met wettelijke rente gerekend vanaf de 15de dag na de uitspraak van dit vonnis;
-verklaart voormelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 2 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.