ECLI:NL:OGEAA:2026:23

ECLI:NL:OGEAA:2026:23

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer AUA202503848 KG
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Kort geding. Vordering tot opheffing conservatoir beslag afgewezen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door gedaagde gepretendeerde vordering summierlijk ondeugdelijk is.

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 14 januari 2026

Behorend bij AUA202503848 KG

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiser]

te Aruba,

eiser, hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaten mrs. G. de Hoogd en G. Glas,

tegen:

[Gedaagde],

te Aruba,

gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock.

1. DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 7, ingediend op 19 november 2025;

- de producties A en B van de zijde van [gedaagde];

- de pleitnota van de zijde van [gedaagde];

- de mondelinge behandeling op 10 december 2025.

Tijdens de mondelinge behandeling van 10 december 2025 zijn verschenen mr. Glas voornoemd namens [eiser] en [gedaagde], bijgestaan door mr. Kock voornoemd. Partijen hebben tijdens de zitting het woord gevoerd en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

Partijen hadden een zakelijke samenwerking vanuit Better Projects N.V. (hierna: Better Projects), waarin VCV Holding VBA (hierna: VCV) 50% van de aandelen houdt en [gedaagde] 25%. De overige 25% wordt gehouden door [aandeelhouder 1] (hierna: [aandeelhouder 1]).

De aandelen in VCV worden voor 60% gehouden door [eiser] en voor 40% door [andeelhouder 2]. [Eiser] is statutair bestuurder van VCV. VCV en [aandeelhouder 1] zijn de statutair bestuurders van Better Projects.

Gedaagde] was tot zijn ontslag op 5 juli 2024 directeur van Better Projects.

In 2020 hebben partijen het idee opgevat om via Better Projects te investeren in de aankoop en verbouwing van een villa aan [adres] in Aruba (hierna: [adres]). Op 26 oktober 2020 is daartoe een koopovereenkomst gesloten. Die aankoop ging uiteindelijk niet door omdat het Better Projects niet lukte om de financiering rond te krijgen.

Adres] is vervolgens aangekocht door [eiser] en zijn echtgenote, die in de plaats van Better Projects zijn getreden als de nieuwe kopers.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over (onder andere) uitgaven (vanuit Better Projects) voor de aankoop en verbouwing van [adres].

Op 20 augustus 2025 heeft [medewerker 1], een oud-medewerker van Better projects, voor zover hier van belang, de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

“I worked with [gedaagde], [eiser], and [aandeelhouder 1] at Flex Home for a year (…) All three – [gedaagde], [eiser], and [aandeelhouder 1] – presented themselves as partners in Flex Home and acted accordingly towards me.

They owned a house together and told me they intended to renovate it. They made joint decisions about payments, which workers to hire, and similar matters. I was not fully involved in the [adres] project, but I assisted when asked (…). [Aandeelhouder 1] acted more like the foreman, while [gedaagde] was on-site every day. I didn’t hear much from [eiser]. From what I understood, [gedaagde] and [eiser] were the ones who invested money into [adres]. [Aandeelhouder 1], to me, was more of a “partner in labor”- that was my impression.

As far as I know, [gedaagde], [eiser] and [aandeelhouder 1] are partners in Flex Home, including in the renovation of the house located at [adres]. They all contributed to the work on [adres]. I’m not sure whether the plan was to flip the property or to rent it out via Airbnb. What I do know is that they were all involved, especially when problems arose. (…)

A significant amount of both money and time from Flex Home was invested into [adres]. It was a stressful process. They were constantly anticipating incoming cash flow, which they needed in order to continue funding the project.

(…)

Over time, the situation started to unravel. [Gedaagde] told me: “Hey, can you believe they’re saying they won’t pay me anything? That they’re suddenly claiming all the money had to go into [adres] – this and that had to be covered – and now there’s no money left?” I told him he needed to get a lawyer and sort it out.

It became increasingly clear that [aandeelhouder 1] and [eiser] had formed an alliance, leaving [gedaagde] on the outside. (…) I don’t know why [adres] ended up in [eiser] name. While [eiser] was the more business- and real estate-savvy of the three, I really don’t think [gedaagde] ever expected [eiser] would push him out- at all. (…)”

Op 3 september 2025 heeft [medewerker 2], een oud-medewerker van Better Projects, voor zover hier van belang, de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

“Later stuurde [gedaagde] mij een WhatsAppbericht dat hij samen met [eiser] en [aandeelhouder 1] een huis had aan de [adres]. (…) Ik heb zelfs een foto van toen ze aan het proosten waren op het einde van de renovatie (…) Toen ik bij hen begon te werken, vertelden ze mij dat de kosten van [adres] door hen drieën zouden worden gedeeld, net als de opbrengsten zodra de woning verhuurd zou worden. Zowel [gedaagde] als [eiser] hebben dit tegen mij gezegd. Dit zou allemaal onder Better Projects vallen. We hebben hierover ook vergaderingen gehad, waarin onder meer werd besproken hoe de kosten, opbrengsten en werkzaamheden verdeeld zouden worden.

Omdat ik voor hen alle drie werkte, hielp ik ook met [adres], bijvoorbeeld door werknemers te vervoeren, bestellingen te plaatsen en goederen naar [adres] te brengen.

Totdat ik voor Better Projects werkte, verliep alles goed tussen [gedaagde], [eiser] en [aandeelhouder 1]. Daarna, toen ik in oktober 2022 stopte met werken voor hen, ging het mis tussen hen.

Vervolgens hoorde ik van [gedaagde] dat hij niet langer samenwerkte met [eiser] en [aandeelhouder 1], en dat [eiser] hem zijn aandeel in [adres] niet wilde uitbetalen. Hij vertelde dat ze vrienden waren en dat hij dit absoluut niet had verwacht. (…)”

Op 15 september 2025 heeft [gedaagde] bij dit Gerecht een beslagrekest ingediend waarin hij heeft verzocht om verlof tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [eiser], omdat hij meent een vordering op [eiser] in privé te hebben. [Gedaagde] heeft vervolgens verlof verkregen om ten laste van [eiser] conservatoir beslag te leggen op [adres].

Op 21 oktober 2025 heeft [gedaagde] bij dit Gerecht een tweede beslagrekest ingediend (hierna: het beslagrekest), nu was gebleken dat [adres] inmiddels was verkocht aan [koper] (hierna: [koper]), waarbij ten behoeve van (onder meer) [eiser] en [aandeelhouder 2] een recht van hypotheek is gevestigd. Na daartoe verkregen verlof heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd onder [koper], die maandelijks een bedrag van USD $ 2.438,33 aan [eiser] is verschuldigd.

Gedaagde] is inmiddels een bodemprocedure gestart tegen (onder meer) [eiser], waarin hij vordert [eiser] (hoofdelijk) te veroordelen om aan hem een bedrag van Afl. 325.170,50 te betalen.

3. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiser] vordert samengevat om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur na de betekening van het vonnis het op of omstreeks 29 oktober 2025 gelegde conservatoir beslag onder [koper] op te (doen) heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Afl. 1.000,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] na betekening van het vonnis niet aan deze veroordeling voldoet, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De vordering van [gedaagde] is summierlijk ondeugdelijk. De gestelde wanprestatie en/of ongerechtvaardigde verrijking wordt betwist. Van een afspraak die inhoudt dat [gedaagde] zou meedelen in de opbrengst van de verkoop van [adres] is geen sprake. [Eiser] had afspraken over rekening-courant met Better Projects, maar daar was [gedaagde] geen partij bij. Verder is geen sprake van een verarming van de aandeelhouders van Better Projects. [Gedaagde] handelt onrechtmatig door [eiser] in rechte te betrekken en beslag te leggen. [Eiser] heeft een spoedeisend belang bij opheffing van het onder [koper] gelegde beslag, omdat [eiser] door de beslaglegging niet de maandelijkse betalingen kan ontvangen.

Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.

4. DE BEOORDELING

Centraal staat de vraag of [gedaagde] is gehouden om het ten laste van [eiser] onder [koper] gelegde conservatoire beslag op te heffen.

Artikel 705 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter in eerste aanleg, rechtdoende in kort geding, een gelegd beslag op vordering van elke belanghebbende kan opheffen. Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag onder meer worden opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg van [eiser] (als beslagene) ligt om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door [gedaagde] gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Naar het oordeel van het Gerecht is [eiser] daarin niet geslaagd. Het Gerecht zal dit oordeel hierna uitleggen.

In het beslagrekest heeft [gedaagde] – kort gezegd – gesteld dat partijen hebben afgesproken dat [adres] na de aankoop zou worden verbouwd en uiteindelijk zou worden verkocht, waarna de opbrengst naar rato van hun aandeelhouderschap in Better Projects zou worden verdeeld tussen [gedaagde], [eiser] en [aandeelhouder 1]. [Gedaagde] heeft in het beslagrekest in dat verband gesteld dat Better Projects talloze betalingen heeft verricht ten behoeve van de aankoop en verbouwing van [adres], waaronder de hypotheekbetalingen, maar dat [eiser] - nadat de verbouwing van [adres] was afgerond - heeft besloten de gemaakte afspraak niet na te komen. Zijn stellingen heeft [gedaagde] onderbouwd met verklaringen van twee oud-medewerkers van Better Projects (zie 2.7 en 2.8). Kort gezegd meent [gedaagde] dat hij nog steeds recht heeft op zijn aandeel in (de verkoop van) [adres] en daarmee een vordering op [eiser] in privé heeft, primair op grond van wanprestatie en subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

Eiser] betwist de gestelde afspraak en stelt zich op het standpunt dat betalingen die Better Projects voor [adres] deed in rekening-courant met [eiser] werden verrekend. Van opbrengsten of kosten voor Better Projects was geen sprake en [gedaagde] stond hier volledig buiten, aldus [eiser]. Naar het oordeel van het Gerecht heeft [eiser] in dit kort geding echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat alle betalingen die voor [adres] zijn gedaan in rekening-courant zijn geboekt en [eiser] Better Projects daarvoor (al dan niet via verrekening) heeft betaald of zal betalen. Dat tussen [eiser] en Better Projects een rekening-courantverhouding bestaat, zegt bovendien niets over het wel of niet bestaan van de gestelde afspraak dat [adres] een gezamenlijk project was en [gedaagde] daarin een aandeel had. In dit verband is van belang dat een oud-medewerker van Better Projects schriftelijk heeft verklaard dat de kosten en opbrengsten van [adres] zouden worden gedeeld tussen [eiser], [gedaagde] en [aandeelhouder 1]. Dit strookt niet met het standpunt van [eiser], en [eiser] heeft tegen deze verklaring niets ingebracht.

Vaststaat dat het in eerste instantie de bedoeling was dat Better Projects [adres] zou aankopen. Die aankoop ging niet door, kennelijk omdat Better Projects de financiering niet rond kreeg, als gevolg waarvan [eiser] en zijn echtgenote [adres] hebben aangekocht. [Gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat iedereen binnen Better Projects (waaronder [gedaagde]) zich uitermate heeft ingespannen voor de verbouwing van [adres] en dat Better Projects voor ieder schroefje heeft betaald. Een en ander blijkt ook uit de - door [eiser] niet weersproken – schriftelijke verklaringen van de oud-medewerkers van Better Projects. Als het zo zou zijn dat [gedaagde] niets van doen had met [adres], valt niet in te zien waarom [gedaagde] zich bezighield met de dagelijkse gang van zaken in [adres]. [Eiser] heeft daar geen afdoende verklaring voor gegeven. Aan de stelling van [eiser] dat [gedaagde] geen partij was bij het project [adres] gaat het Gerecht dan ook als onvoldoende aannemelijk voorbij.

Hoe de vork precies in de steel zit kan in dit kort geding niet worden vastgesteld, maar in ieder geval kan niet worden uitgesloten dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat [gedaagde] een vordering heeft op [eiser], omdat hij ofwel een met [gedaagde] gemaakte afspraak niet nakomt ofwel ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [gedaagde] (al dan niet als aandeelhouder van Better Projects). [Eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door [gedaagde] gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. In zoverre bestaat voor opheffing van het beslag geen grond.

Een afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. Volgens [eiser] is zijn belang erin gelegen dat hij financiële problemen ervaart omdat hij door het beslag de maandelijkse betaling van [koper] misloopt. Het belang van [gedaagde] bij het behoud van het beslag is dat hij de zekerheid heeft dat hij zich op [eiser] kan verhalen in het geval zijn vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen. Het Gerecht overweegt dat [eiser] wel stelt dat hij financiële problemen ervaart, maar dit op geen enkele manier onderbouwt, terwijl [gedaagde] ter zitting onweersproken heeft aangevoerd dat [eiser] zeer vermogend is. Dat, zoals [eiser] aanvoert, [koper] last zou hebben van het beslag, heeft [eiser] ook op geen enkele manier aannemelijk gemaakt, nog afgezien van het feit dat dit geen rechtens te respecteren belang is. Bij deze stand van zaken weegt het belang van [eiser] bij opheffing van het beslag niet op tegen het belang van [gedaagde] bij het behoud ervan. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat [eiser] zekerheid had kunnen stellen waarna het beslag had kunnen worden opgeheven, maar gesteld noch gebleken is dat [eiser] een dergelijk aanbod heeft gedaan.

De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

Eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.000,- aan salaris gemachtigde.

5. DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [gedaagde] worden begroot op Afl. 1.000,- aan salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

---

---

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. Brandt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?