ECLI:NL:OGEAA:2026:237

ECLI:NL:OGEAA:2026:237

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 21-09-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer AUA202602721
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Schorsing en toegangsontzegging - gegrond

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

[Verzoekster/Klaagster],

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

Uitspraak van 21 september 2026

Gaza nrs. AUA202601070 en AUA202602721

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorziening bij voorraad en op het bezwaar in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

wonend in Nederland,

VERZOEKSTER/KLAAGSTER ,

gemachtigden: de advocaten mrs. R.A. Wix en H.U. Thielman,

tegen:

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DRH).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 17 maart 2026, [nummer]. (hierna: de bestreden beschikking), heeft verweerder, op voordracht van de minister van Onderwijs en Sport, belast met de leiding van het ministerie van Koninkrijksrelaties, Onderwijs, Jeugd, Innovatie en Sport (minister), verzoekster met ingang van de dag na dagtekening van het landsbesluit met toepassing van artikel 87, aanhef en onder c, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) in haar ambt geschorst tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging.

Verzoekster heeft op 8 april 2026 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het gerecht aanhangig.

Verweerder heeft op 25 mei 2026 een contramemorie ingediend.

Op 6 augustus 2026 heeft verzoekster een verzoekschrift ingediend, strekkende tot het treffen van een voorziening bij voorraad.

Het gerecht heeft de zaken behandeld ter zitting van 31 augustus 2026. Verzoekster en haar gemachtigden zijn verschenen. Verzoekster via een beeldverbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [medewerker].

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

2. Het gerecht is van oordeel dat het bezwaar gegrond is. De bestreden beschikking zal nietig worden verklaard. Bij het verzoek om een voorziening bij voorraad bestaat dan geen belang meer dus dat wordt afgewezen. Hierna licht het gerecht toe hoe het tot dit oordeel is gekomen.

Wat zijn de relevante feiten?

Verzoekster is sinds 1 september 2018 in dienst van het Land Aruba en is bij landsbesluit met ingang van 1 december 2023 voor de duur van vijf jaar, tot 1 december 2028, benoemd tot Directeur bij het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Aruba (verder ook: Arubahuis) in Nederland.

Op 3 september 2025 heeft de minister het Departamento Recurso Humano (DRH) gevraagd advies uit te brengen over de vraag of verzoekster in functie kan blijven.

Op 9 oktober 2025 heeft de minister de directeur van DRH gevraagd een onafhankelijk onderzoek en beoordeling van het functioneren van de directeur van het Arubahuis in te stellen. Volgens de minister is sprake van een onwerkbare situatie vanwege een samenloop van herhaaldelijk onbehoorlijk functioneren, onjuiste besluitvorming en het schenden van comptabele en juridische voorschriften. Deze combinatie rechtvaardigt een formele interventie, aldus de minister.

Op 31 oktober 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de minister en verzoekster.

Bij Instructie van 29 oktober 2025 zijn de bedrijfsvoering, financiële aangelegenheden en vertegenwoordiging van het Kabinet aan een andere functionaris binnen het Kabinet toebedeeld.

Bij Mandaatbesluit van 26 november 2025 is aan de Directeur van het DRH mandaat verleend om per direct alle maatregelen te treffen ten aanzien van de functie van directeur van het Arubahuis die noodzakelijk zijn ter waarborging van een integraal en doelmatig management.

In december 2025 heeft een de directeur van DRH het Arubahuis bezocht. Op 9 december 2025 heeft zij een gesprek gehad met verzoekster waaraan ook twee medewerkers van DRH via een beeldverbinding deelnamen. De directeur heeft ook gesprekken gevoerd met andere personeelsleden van het Arubahuis.

Bij beschikking van 30 december 2025 is verzoekster voor zes weken de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen en -voertuigen van het Kabinet, in verband met een intern onderzoek naar vermoedelijke nalatigheid, disfunctioneren en mogelijke schending van de geheimhoudingsplicht.

Bij beslissing van 4 februari 2026 is de toegangsontzegging met zes weken verlengd.

Op 20 februari 2026 heeft de directeur van DRH geadviseerd verzoekster op grond van de bevindingen van een oriënterend onderzoek te schorsen en een disciplinair onderzoek naar (ernstig) plichtsverzuim in te stellen.

Bij landsbesluit van 17 maart 2026 heeft verweerder verzoekster met ingang van 18 maart 2026 met toepassing van artikel 87, aanhef en onder c, van de Lma in haar ambt geschorst. In het landsbesluit is bepaald dat de schorsing duurt tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen over de disciplinaire strafoplegging.

De directeur van DRH heeft op 27 juli 2026 geadviseerd verzoekster overeenkomstig artikel 84 van de Lma in de gelegenheid te stellen zich tegenover het bevoegd gezag te verantwoorden voor plichtsverzuim.

Op 13 augustus 2026 heeft verweerder verzoekster in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden voor het gedrag dat haar wordt verweten.

Wat vraagt verzoekster?

4 Het verzoek strekt tot het schorsen van het landsbesluit van 17 maart 2026, waarbij verzoekster met ingang van 18 maart 2026 in haar ambt is geschorst, en tot het toelaten van verzoekster tot de uitoefening van haar functie en bevoegdheden als Directeur van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Aruba in Nederland, waaronder toegang tot de dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen, computers en voertuigen van het Kabinet.

Het bezwaar strekt tot nietigverklaring van de bestreden beschikking. Verzoekster heeft in haar bezwaarschrift - samengevat – hieraan ten grondslag gelegd dat de schorsing een verkapte voortzetting is van de eerder opgelegde toegangsontzegging, dat sprake is van een ongefundeerde en steeds verder uitdijende verzameling verwijten, dat geen deugdelijk disciplinair onderzoek heeft plaatsgevonden en dat zij niet is gehoord.

Verzoekster heeft voorts aangevoerd dat haar functie voorafgaand aan de schorsing stelselmatig is uitgehold doordat eerst haar taken en tekenbevoegdheid zijn ontnomen en vervolgens haar toegang tot de werkplek is ontzegd. Zij heeft daarbij verwezen naar de uitspraken van het gerecht in de zaken ECLI:NL:OGAACMB:2026:14 en ECLI:NL:OGEAA:2022:144.

Verder stelt verzoekster dat de schorsing inmiddels ruim vier maanden duurt en dat zij al sinds eind oktober 2025 feitelijk niet meer in staat is haar functie uit te oefenen. Volgens verzoekster is geen actueel dienstbelang aanwezig en bestaat evenmin enig concreet zicht op afronding van het aangekondigde disciplinaire traject.

Verzoekster stelt ten slotte dat zij door de schorsing ernstig en onevenredig nadeel lijdt, onder meer doordat zij haar functie niet kan uitoefenen en haar eer en goede naam worden aangetast. Verzoekster mist ook haar collega’s en zou graag weer aan het werk gaan.

Wat vindt verweerder?

5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de schorsingsmaatregel is opgelegd in het kader van een door verweerder ingesteld disciplinair onderzoek, om vast te stellen of verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim in de zin van artikel 82 Lma.

Verweerder heeft daarbij aanvankelijk gekozen voor een terughoudende ordemaatregel, in afwachting van de uitkomsten van het disciplinaire onderzoek.

Verweerder heeft aan de schorsing ten grondslag gelegd dat uit een oriënterend onderzoek van het DRH, dat in de periode van 8 tot en met 12 december 2025 is verricht, voorlopige bevindingen naar voren zijn gekomen die betrekking hebben op meerdere gedragingen van verzoekster.

Volgens verweerder gaat het onder meer om vermoedelijke schendingen van financiële regels en procedures, onvoldoende zorg voor de organisatie en bedrijfsvoering, onvoldoende toezicht op werktijden en andere personeelsregels, onzorgvuldigheden bij werving en selectie, onprofessioneel of mogelijk intimiderend gedrag tegenover personeel, het verwijderen, printen en verzamelen van documenten van de server en het verstrekken van documenten aan advocaten zonder gebruikmaking van een formele procedure.

Verweerder heeft zich daarbij verder op het standpunt gesteld dat deze voorlopige bevindingen ernstige feiten betreffen, waardoor ernstige twijfels zijn gerezen over het functioneren van verzoekster als ambtenaar. Omdat verzoekster de functie van directeur bekleedt, is een hoog niveau van integriteit, zorgvuldigheid en naleving van wettelijke en organisatorische procedures van belang. Verweerder stelt verweerder zich op het standpunt dat het niet aanvaardbaar is dat verzoekster haar werkzaamheden blijft verrichten. Een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim is in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar wordt getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zozeer is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten.

Verweerder heeft verder aangegeven dat op basis van de voorlopige bevindingen een disciplinair onderzoek zal worden opgestart en dat het onderzoek nog niet is afgerond. Volgens verweerder is het, gelet op de ernst van de verweten gedragingen en de stabiliteit binnen het Kabinet, niet wenselijk dat verzoekster haar werkzaamheden hervat zolang het disciplinaire onderzoek wordt uitgevoerd.

Wat vindt het gerecht?

Het gerecht doet uitspraak op het bezwaar en op het verzoek om een voorziening bij voorraad.

Het gerecht stelt voorop dat een schorsing op grond van artikel 87, aanhef en onder c, van de Lma een ingrijpende maatregel is. Een dergelijke maatregel kan gerechtvaardigd zijn als het dienstbelang dat, bijvoorbeeld in afwachting van een besluit over een eventuele disciplinaire straf, noodzakelijk maakt. Dat betekent echter niet dat een ambtenaar gedurende onbepaalde tijd kan worden geschorst zonder dat sprake is van een concrete en actuele noodzaak daartoe. Naarmate de schorsing langer voortduurt, mag van het bevoegd gezag worden verwacht dat het onderzoek voortvarend wordt uitgevoerd en dat inzichtelijk is waarom voortzetting van de schorsing noodzakelijk blijft. In geval van een ambtenaar die, zoals verzoekster, een prominente positie heeft in de organisatie geldt bovendien dat een schorsing in de regel beschadigend is voor de positie van de ambtenaar. Een schorsing ondermijnt het gezag dat de ambtenaar voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden in de organisatie nodig heeft. Mede daardoor is de terugkeer van een dergelijke ambtenaar na opheffing van de schorsing moeilijk of soms zelfs niet meer mogelijk. Dat maakt dat het bevoegde gezag zeer zorgvuldig te werk moet gaan voordat een ambtenaar met een prominente positie wordt geschorst.

De beroepsgrond dat de bestreden beschikking niet bevoegd is genomen, slaagt niet. De gouverneur is op grond van artikel 87 in verbinding met artikel 4, aanhef en onder a, van de Lma bevoegd een ambtenaar te schorsen. De bestreden beschikking is genomen en ondertekend door de Gouverneur. Door welke minister de bestreden beschikking mede is ondertekend is daarbij niet van belang.

De beroepsgrond dat verzoekster voorafgaand aan het nemen van de schorsingsbeslissing niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord over de voorgenomen schorsing slaagt. Het gerecht onderkent dat de Lma niet uitdrukkelijk voorschrijft dat een ambtenaar voorafgaand aan een schorsing als hier aan de orde moet worden gehoord. Dat neemt echter niet weg dat gelet op de omstandigheden van dit geval, van verweerder mocht worden verlangd dat verzoekster voorafgaand aan de schorsing haar zienswijze kon geven.

Daarbij is van belang dat verzoekster als directeur een prominente positie heeft in het Arubahuis. Een schorsing heeft voor haar, en voor de ambtelijke organisatie, grote gevolgen. Ongeacht de redenen die aan de schorsing ten grondslag liggen, is een schorsing beschadigend voor haar positie. Dat alleen al maakt het nodig dat verweerder verzoekster had moeten horen voordat zij zou worden geschorst.

Ook de aard van wat verzoekster wordt verweten maakt dat verzoekster uit een oogpunt van zorgvuldigheid eerst had moeten worden gehoord. Een belangrijk deel van de verwijten die verzoekster worden gemaakt hebben betrekking op onder meer haar functioneren, de bedrijfsvoering, financiële aangelegenheden, personeels-aangelegenheden en het omgaan met documenten. Verweerder baseert zich daarbij op, beslist niet altijd eenduidige, documenten en op afgelegde verklaringen. Het is niet zorgvuldig als verweerder zich bij dit soort verwijten eenzijdig laat informeren en niet probeert een vollediger beeld te krijgen van wat er is gebeurd door ook het verhaal van verzoekster mee te nemen. Daar komt bij dat wel tweemaal met verzoekster is gesproken. Namelijk door de minister op 31 oktober 2025 en door medewerkers van DRH op 9 december 2026, maar daarbij is verzoekster niet of nauwelijks de gelegenheid geboden een zienswijze te geven op wat later aan de schorsing ten grondslag is gelegd. In het gesprek met de minister is verzoekster onvoorbereid geconfronteerd met enkele verwijten. In het gesprek met de medewerkers van DRH is zelfs in het geheel niet gesproken over de verwijten die verzoekster worden gemaakt.

In de bezwaarzaak die loopt tegen de onder 3.5 en 3.6 genoemde instructie en het mandaatsbesluit, heeft verzoekster gereageerd op de contramemorie die verweerder in die zaak heeft overgelegd. Beide stukken heeft verzoekster als productie 25 en 26 ook in deze zaak ingebracht. Uit de reactie van verzoekster blijkt dat zij een gedetailleerde eigen lezing heeft van de voorvallen die verweerder haar verwijt. Deze lezing van verzoekster is in ieder geval duidelijker en beter te begrijpen dan de toelichting en onderbouwing van verweerder. De toelichting van verweerder is summier en er ontbreekt een verbinding met de stukken die een onderbouwing moeten geven van het vermoeden van plichtsverzuim. Dit vormt ook een aanwijzing dat het voor verweerder niet goed mogelijk is zich een volledig beeld te vormen van wat er is gebeurd zonder dat ook de zienswijze van verzoekster daarbij wordt meegenomen.

Onder deze omstandigheden was het, uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming en hoor en wederhoor, aangewezen om verzoekster voorafgaand aan de schorsing in de gelegenheid te stellen te reageren op wat haar wordt verweten.

Verweerder heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak bestond te verzoekster nog te schorsen nadat haar al vanaf 30 december 2025 de toegang was ontzegd. In de bestreden beschikking wordt als reden voor de schorsing gegeven het doen van disciplinair onderzoek. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat van het oriënterend onderzoek dat is uitgevoerd geen ander verslag is gemaakt dan het advies van de Directeur van het DRH van 20 februari 2026 en dat er daarna geen feitenonderzoek meer is gedaan. Tijdens de periode van schorsing heeft dus geen onderzoek plaatsgevonden. Pas op 27 juli 2026 heeft DRH geadviseerd een disciplinair traject te starten en op 13 augustus 2026 is verzoekster in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden. De enkele verwijzing naar een nog te voeren disciplinair onderzoek is onvoldoende om, naarmate de schorsing voortduurt, zonder nadere motivering aan te nemen dat een actuele noodzaak tot voortduring daarvan bestaat.

Verweerder heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er een concrete verdenking was van ernstig plichtsverzuim en dat er zodanige twijfels waren aan de integriteit van verzoekster en dat het in haar te stellen zozeer is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat zij haar werkzaamheden blijft verrichten. De verdenking van plichtsverzuim, de twijfel aan de integriteit van verzoekster en het vertrouwen dat volgens verweerder is geschaad, berusten op een onzorgvuldig, want te eenzijdig, onderzoek naar de feiten. Zonder de lezing van verzoekster te kennen en deze mee te nemen, is het niet mogelijk de gedragingen die verweerder in aanmerking neemt, te kwalificeren als vermoedelijk plichtsverzuim of niet integer. Voor een geschaad vertrouwen bestaat dan ook nog geen grondslag.

Verweerder heeft als grond voor de schorsing ook nog gewezen op het verwijderen, printen en verzamelen van documenten van de server. Verzoekster heeft hierover verklaard dat zij documenten verzamelde met het oog op het kunnen geven van een toelichting aan de minister en in afwachting van het aangekondigde onderzoek. Verweerder heeft niet kunnen weerleggen dat verzoekster de documenten alleen hiervoor heeft gebruikt. Verweerder heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat deze gedragingen anderszins schorsing van verzoekster noodzakelijk maakten. Als het doel van de maatregel was te voorkomen dat verzoekster documenten zou verzamelen of verwijderen, lag het op de weg van verweerder om concreet te maken welke actuele risico's daartoe bestonden en waarom de al getroffen maatregelen (zie onder 3.5 en 3.6) niet toereikend waren. Een dergelijke concrete motivering ontbreekt. Verder geldt ook hier dat verweerder na 20 februari 2026 geen verder onderzoek naar deze kwestie heeft gedaan.

In het schorsingsbesluit heeft verweerder ten slotte opgenomen dat de stabiliteit van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Aruba en diens personeel gewaarborgd dient te worden en dat de schorsing van verzoekster daarom nodig was. Hiervoor heeft verweerder echter geen enkele onderbouwing gegeven.

Verzoekster verrichtte vóór haar schorsing al geruime tijd geen werkzaamheden meer. Het feitenonderzoek was afgerond, terwijl het disciplinaire traject pas maanden later is gestart. Omdat verzoekster over de voorgenomen schorsing niet is gehoord en verweerder niet concreet heeft onderbouwd welk actueel dienstbelang de schorsing vereiste, is de bestreden beschikking naar het oordeel van het gerecht onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

Het bezwaar is daarom gegrond. De bestreden beschikking zal nietig worden verklaard.

Omdat de bestreden beschikking nietig wordt verklaard, bestaat geen grond meer voor het treffen van een voorziening bij voorraad. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Kosten

7. Aanleiding bestaat verweerder te veroordelen in de kosten van het verzoek en het bezwaar. De kosten worden in bezwaar begroot op Afl. 1.400,- voor rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). Voor het verzoek worden de kosten begroot op Afl. 700,- voor rechtsbijstand (1 punt voor het verzoekschrift)

BESLISSING

Het gerecht:

in de zaak AUA202601070:

in de zaak AUA202602721:

.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.A.M van Brussel rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. D.L. Saavedra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 september 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen de beslissing op het bezwaar kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Tegen de beslissing op het verzoek om een voorziening bij voorraad kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.L. Saavedra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand