GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op de beroepschriften in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
IBEROSOL HOLDING & MANAGEMENT VBA.
gevestigd te Aruba,
APPELLANTE, hierna te noemen: Ibersol,
gemachtigde: de advocaten mrs. M.R.M. Reinkemeyer en A.A. Ruiz,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER, hierna te noemen: de minister,
gemachtigde: mr. T.J.T. Loopstok (DWJZ).
INLEIDING
Op 12 september 2024 heeft Ibersol een verzoek ingediend om ontheffing op grond van de Natuurbeschermingsverordening.
Bij beschikking van 17 februari 2026 is dit verzoek afgewezen.
Bij beslissing van 20 februari 2026 is het verzoek van Ibersol wederom afgewezen. Op 30 maart 2026 heeft Ibersol hiertegen en tegen de beschikking van 17 februari 2026 afzonderlijk beroep ingesteld bij het gerecht (Lar nrs. AUA202600991 en AUA202600992).
Op 31 maart 2026 heeft Ibersol ook bezwaar gemaakt tegen deze beslissingen. Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft Ibersol op 18 augustus 2026 beroep ingesteld bij het gerecht (Lar nrs. AUA202602809 en AUA202602810).
Op 17 juni 2026 heeft de minister een verweerschrift met stukken ingediend. Op 28 augustus 2026 heeft verweerder aanvullende producties ingediend.
De zaken zijn behandeld op de zitting van 2 september 2026. Ibersol is verschenen bij haar gemachtigden en [betrokkene]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde bijgestaan door mr. A. Caster (DWJZ), [medewerker 1] en [medewerker 2] (Bureau van de Minister van Algemene Zaken), [medewerker 3] en [medewerker 4] (Nationaal Archeologisch Museum).
De uitspraak is hierna bepaald op vandaag.
OVERWEGINGEN
Waar gaat de zaak over?
2. Ibersol wil op een terrein in Hudishibana een hotel bouwen. Om dit te realiseren heeft Ibersol met het Land Aruba een erfpachtovereenkomst gesloten. Voor de bouw van het hotel heeft Ibersol een bouwvergunning en een aanlegvergunning gekregen. Omdat in het gebied beschermde flora en fauna aanwezig is, is ook een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingsverordening (Nbv) nodig voordat met de bouw kan worden begonnen. De minister heeft de ontheffing geweigerd. Ibersol is het daar niet mee eens.
De bestreden beschikkingen
Ibersol heeft (afzonderlijk) beroep ingesteld tegen de beschikkingen van 17 en 20 februari 2026 (bestreden beschikkingen). De minister heeft ter zitting te kennen gegeven dat deze beschikkingen bedoeld zijn als beslissingen op het bezwaar dat Ibersol had gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag om een ontheffing op grond van de Nbv. Omdat deze beroepen van Ibersol zijn gericht tegen beslissingen op bezwaar, zijn deze beroepen ontvankelijk.
Ibersol heeft (zekerheidshalve) ook (afzonderlijk) bezwaar aangetekend tegen de beschikkingen van 17 en 20 februari 2026. Tegen het uitblijven van beslissingen op dit bezwaar heeft Ibersol beroep ingesteld. Bij dit beroep heeft Ibersol geen belang meer, omdat de beschikkingen van 17 en 20 februari 2026 beslissingen op bezwaar zijn en het beroep daartegen van Ibersol in behandeling wordt genomen. De beroepen die zijn gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met de beschikking van 17 februari 2026 heeft de minister van Algemene Zaken, Cultuur, Milieu en Natuur (Minister-President) het verzoek om ontheffing op grond van artikel 8 van de Nbv afgewezen. Met de beschikking van 20 februari 2026 is eenzelfde besluit genomen, nu ondertekend door de minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidsorganisaties, Infrastructuur en Ruimtelijke ordening, belast met de leiding van het Ministerie van Algemene Zaken, Cultuur, Milieu en Natuur. Dit besluit is aangeduid als: “Correctie aanduiding minister op beslissing op ontheffingsverzoek d.d. 17 februari 2026”.
Zijn de bestreden beschikkingen bevoegd genomen?
Ibersol betoogt dat de bestreden beschikkingen onbevoegd zijn genomen, omdat de minister van Algemene Zaken niet belast is met natuurbeschermingsaangelegenheden.
De Minister stelt zich op het standpunt dat hij wel bevoegd was de beschikkingen te nemen. Dat volgt uit artikel 2a van de Landsverordening van 23 december 2025 tot vaststelling van de begroting van de ministeries van het Land voor het dienstjaar 2025 (Landsbegroting 2026). De Landsbegroting 2026 is op 1 januari 2026 in werking getreden.
Artikel II.5 van de Staatsregeling van Aruba bepaalt dat ministeries bij landsverordening worden ingesteld en onder leiding van een minister staan. Dit is laatstelijk geregeld in de Landsverordening instelling ministeries 2022 (Lim 2022). In de artikelen 1 tot en met 8 van die landsverordening stelt telkens het eerste lid een ministerie in en bepaalt het tweede lid welke aangelegenheden tot de zorg daarvan behoren. Artikel 2a, eerste lid, van de Landsbegroting 2026 heeft de eerste leden van deze artikelen gewijzigd. Daardoor zijn de acht ministeries uit de Lim 2022 vervangen door zeven nieuwe ministeries, genoemd onder a tot en met g. Het tweede lid koppelt elk nieuw ministerie aan een minister met een aanduiding overeenkomstig de Lim 2022. Volgens het derde lid worden de aangelegenheden die tot de zorg van elk ministerie behoren bij landsbesluit vastgesteld. Dat landsbesluit is nog niet tot stand gekomen.
Op grond van de Nbv is de minister die belast is met natuurbescherming bevoegd beschikkingen te nemen. Artikel 5, tweede lid, van de Lim 2022, dat ongewijzigd is gebleven, rekent natuurbescherming tot de zorg van het ministerie van Transport, Integriteit, Natuur en Ouderenzaken. Door de wijziging van artikel 5, eerste lid, van de Lim 2022 bij artikel 2a, eerste lid, van de Landsbegroting 2026 bestaat dit ministerie echter niet meer. Niet is geregeld welk van de in artikel 2a, eerste lid, onder a tot en met g, genoemde ministeries daarvoor in de plaats is gekomen. Ook zijn de aangelegenheden die tot de zorg van de ministeries behoren nog niet opnieuw vastgesteld, omdat het aangekondigde landsbesluit nog niet tot stand is gekomen. Daardoor is bij toepassing van artikel 2a van de Landsbegroting 2026 niet duidelijk welke minister met natuurbescherming is belast en bevoegd is daarover te beslissen.
Bij ministeriële beschikking van 28 mei 2025 (nr. DWJZ/2127/25) hebben de gezamenlijke ministers, met het oog op de nieuwe portefeuilleverdeling, vastgelegd welke minister op grond van de Lim 2022 bevoegd is besluiten te ondertekenen. Daarnaast is bepaald welke minister, vooruitlopend op de herziening van de Lim 2022, bevoegd is die besluiten te nemen. Volgens de toelichting zullen ministers in veel gevallen al beslissen over aangelegenheden die tot hun nog formeel vast te leggen ministeries gaan behoren. Tot de herziening blijft de formele bevoegdheid tot ondertekening echter berusten bij de ministers die krachtens de Lim 2022 zijn benoemd.
Het voorgaande brengt het gerecht tot de conclusie dat de wijziging van de Lim 2022 door artikel 2a van de Landsbegroting 2026 er niet toe heeft geleid dat natuurbescherming niet langer een aangelegenheid is van het ministerie van Transport, Integriteit, Natuur en Ouderenzaken. Het is dan ook deze minister die bevoegd is te beslissen op een verzoek om ontheffing van de Nbv. Dat een besluit is genomen door de minister die daartoe bevoegd is, dient te blijken uit de ondertekening van het besluit. De bestreden beschikkingen zijn niet ondertekend door de bevoegde minister. Dit betekent dat het betoog van Ibersol slaagt. De bestreden besluiten moeten al om deze reden worden vernietigd. Omdat dit een gebrek is dat bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar herstelbaar is, zal het gerecht ook de inhoudelijke beroepsgronden van Ibersol bespreken.
De natuurbeschermingsverordening (Nbv)
Artikel 4 van de Nbv bepaalt dat bij landsbesluit inheemse flora- en faunasoorten worden aangewezen die in hun voortbestaan worden bedreigd of bescherming behoeven. Deze soorten zijn aangewezen in het Landsbesluit bescherming inheemse flora en fauna. De artikelen 6 en 7 van de Nbv verbieden onder meer het doden of verwonden van aangewezen dieren, het geheel of gedeeltelijk verwijderen of beschadigen van aangewezen planten, het vernielen van nesten of legers en de daarin aanwezige eieren, het wegnemen van die eieren en het vangen of opzettelijk verstoren van in het wild levende aangewezen dieren. Op grond van artikel 8 kan van deze verboden ontheffing worden verleend, waaraan beperkingen en voorschriften kunnen worden verbonden.
Ibersol heeft aangevoerd dat de minister bij de afwijzing van de ontheffing belangen de doorslag heeft laten geven die niet worden beschermd door de Nbv.
De afwijzing van de aanvraag berust op de volgende overwegingen.
De Directie Natuur en Milieu (DNM) heeft in het projectgebied vijftien flora- en twaalf faunasoorten aangetroffen, waarvan acht soorten zijn aangewezen als beschermd op grond van het Landsbesluit bescherming inheemse flora en fauna. Ook bevinden zich daar grote, ecologisch waardevolle bomen en cactussen die als voedselbron dienen voor beschermde dieren. Daarnaast zijn er rooien die van belang zijn voor de waterhuishouding en als ecologische verbindingszone fungeren. Volgens de DNM zullen de werkzaamheden beschermde soorten aantasten of verwijderen en hun natuurlijke leefgebied verstoren. Gelet op de omvang van de ingreep en de aanwezigheid van beschermde soorten heeft de minister het natuurbelang en het algemeen belang zwaarder laten wegen dan het belang van Ibersol.
De minister heeft verder verwezen naar adviezen van de DNM van 16 mei 2024 en 13 februari 2026. In die adviezen wijst de DNM erop dat de groei van het toerisme en het aantal hotels de druk op ecosystemen en de kans op schade vergroten. Ook past het project volgens de DNM niet binnen het geldende juridisch-planologische kader. Zij verwijst naar de algemene zorgplicht van artikel 1 van het Ruimtelijk ontwikkelingsplan met voorschriften (ROPv), die strekt tot het voorkomen of beperken van milieuschade. Verder bepaalt artikel 5 van het ROPv dat vergunningen voor grondwerken en ontwikkelingsactiviteiten moeten worden geweigerd als projecten erosie kunnen veroorzaken, watersystemen kunnen verstoren of ecologische en landschappelijke waarden kunnen schaden. De DNM acht de goedkeuring van een grootschalige verblijfsaccommodatie bovendien in strijd met het in artikel 7 van het ROPv neergelegde beginsel van duurzame ontwikkeling. Ter zitting heeft de minister ook nog gewezen op de archeologische betekenis van het gebied.
Bij het nemen van een beslissing over de aangevraagde ontheffing dient de minister de betrokken belangen af te wegen. Het belang van Ibersol is duidelijk. Zij heeft vergunningen gekregen voor de bouw van een hotel en heeft alleen nog de ontheffing nodig om daarmee te kunnen beginnen.
Het algemeen belang dat minister in aanmerking kan nemen is beperkt tot de belangen die de Nbv beschermt. Als de minister een ontheffing weigert op grond van overwegingen of belangen die losstaan van de Nbv dan gebruikt hij deze bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven.
Het standpunt van de minister dat de Nbv natuurwaarden in het algemeen beschermt is niet juist. De Nbv beschermt individuele planten en dieren die behoren tot een soort die als beschermd is aangewezen. De soorten als zodanig geeft de Nbv geen rechtstreekse bescherming. De bescherming van de soort loopt via de bescherming van individuele planten en dieren. Dat betekent dat de minister bij de afweging of een ontheffing al dan niet kan worden verleend, uitsluitend de bescherming van de individuele planten en dieren in het projectgebied in aanmerking kan nemen. De instandhouding van de soort kan een rol spelen via de betekenis die een individuele plant of dier in het projectgebied daarvoor heeft.
Het gerecht stelt vast dat de afweging die de minister heeft gemaakt, niet voldoet aan wat onder 5.4 en 5.5 is overwogen. Door de verwijzing naar de adviezen van de DNM heeft de minister belangen meegewogen, en wellicht zelfs de doorslag laten geven, die niet door de Nbv worden beschermd. De economische, sociale en ecologische gevolgen van het toerisme zijn voor de Nbv geen factor van belang. Ook de archeologische betekenis van het gebied wordt niet door de Nbv beschermd. De natuurbeschermingsnormen die in het ROPv zijn opgenomen, hebben een veel ruimere strekking dan de bescherming van individuele planten en dieren waarover de Nbv gaat. Toetsing aan het ROPv dient bovendien plaats te vinden bij het beoordelen van de aanvraag voor een bouwvergunning of een aanlegvergunning. Omdat deze vergunningen zijn verleend moet worden aangenomen dat aan de voorwaarden van het ROPv is voldaan. De Nbv beschermt ook niet zonder meer de waterhuishouding in een gebied of het belang van een ecologische verbindingszone. Dat zou kunnen door de aanwijzing van een gebied als natuurreservaat als bedoeld in artikel 10 van de Nbv. Het projectgebied is niet als natuurreservaat aangewezen. De gevolgen van de bouw van het hotel voor de waterhuishouding en een ecologische verbindingszone kunnen hooguit een rol spelen als komt vast te staan dat de aantasting daarvan kan leiden tot overtreding van artikel 5 of 6 voor individuele beschermde planten of dieren die in het gebied aanwezig zijn. Dat heeft de minister niet onderzocht. De beroepsgrond van Ibersol slaagt.
Verder dient de minister ook na te gaan of het mogelijk is dat door het verbinden van voorschriften aan een ontheffing de inbreuk op artikel 5 en 6 van de Nbv kan worden beperkt. Bij de aanvraag heeft Ibersol een “Environmental Management Plan voor development of H3” ingediend. In dit plan wordt beschreven hoe de in het gebied aanwezige beschermde flora en fauna kan worden verplaatst. De minister heeft dit plan ten onrechte niet in de beoordeling betrokken. De hiertegen gerichte beroepsgrond van Ibersol slaagt.
Ibersol heeft aangevoerd dat de wetenschappelijk autoriteit als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Nbv niet is gehoord. Ook deze beroepsgrond slaagt. Ter zitting heeft de minister laten weten dat een instantie op Curaçao is aangewezen als wetenschappelijke autoriteit. Om technische redenen is het deze wetenschappelijke autoriteit niet gelukt te adviseren. Deze uitleg van de minister is niet voldoende om te kunnen oordelen dat de minister zonder toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Nbv over de ontheffing kon beslissen.
Ibersol heeft verder aangevoerd dat de advisering door DNM bevooroordeeld is. Dat blijkt volgens haar uit het advies van 13 februari 2026 waarin staat: “U vraagt aan DNM om een goed onderbouwd advies waarin zwaarwegende gronden zijn opgenomen die een afwijzing ondersteunen.”
Een bestuursorgaan dient zijn taak te vervullen zonder vooringenomen te zijn. De aangehaalde zin, die een reactie is op een verzoek per e-mail van de minister, kan de indruk wekken dat vooringenomenheid ten grondslag ligt aan de bestreden beschikkingen. Deze enkele zin is echter niet voldoende om die conclusie te trekken. Voorafgaand aan het advies van 13 februari 2026 had DNM namelijk al in het advies van 24 april 2024, dat is uitgebracht naar aanleiding van de aanvraag om een aanlegvergunning, laten weten meerdere bezwaren te hebben tegen de bouw van het hotel vanwege de aantasting van natuurwaarden. Het verzoek van de minister aan DNM kan ook zo worden opgevat dat het een verzoek is om die bezwaren zo te formuleren dat dit een afwijzing van de aanvraag om ontheffing zou kunnen dragen. Daarbij moet worden bedacht dat de minister op dat moment in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat aantasting van natuurwaarden aan een afwijzing van de ontheffing ten grondslag kon worden gelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Blijft staan dat dit het wel een hoogst ongelukkig geformuleerde zin is in het advies van 13 februari 2026. Het benadrukt het belang van een onafhankelijk advies door de wetenschappelijke autoriteit in dit geval.
CONCLUSIE EN GEVOLGEN
6. De beroepen van Ibersol zijn gegrond. De bestreden beschikkingen moeten worden vernietigd. De bevoegde minister dient opnieuw te beslissen op de bezwaren van Ibersol.
Wat dient de (bevoegde) minister nu te doen?
Het gerecht stelt vast dat Ibersol de inventarisatie van de flora en fauna door DNM niet heeft bestreden. Van deze inventarisatie kan worden uitgegaan. De minister dient te onderzoeken op welke wijze voor de in het gebied aanwezige planten en dieren die als beschermd zijn aangewezen, aantasting in strijd met de Nbv door de bouw van het hotel is te verwachten. De minister dient te onderzoeken of de in het gebied aanwezige beschermde planten en dieren van betekenis zijn voor de instandhouding van de soort. De minister dient te onderzoeken wat de betekenis is van de in het gebied aanwezige beschermde planten en dieren voor andere (ook niet beschermde) planten en dieren. De minister dient advies te vragen aan de wetenschappelijk autoriteit.
Op basis van de verzamelde feiten en omstandigheden dient de minister het algemeen belang dat is gediend met de bescherming van de aangewezen planten en dieren die in het gebied aanwezig zijn, af te wegen tegen het belang van Ibersol. De minister dient te onderzoeken of het verlenen van ontheffing mogelijk is onder het stellen van voorschriften, bijvoorbeeld voor het verplaatsen van planten of dieren. Daarbij dient de minister het “Environmental Management Plan voor development of H3” van Ibersol te betrekken.
Ter zitting is van de kant van de minister bevestigd dat er een ontheffingsbeleid bestaat dat nog steeds geldt. Dit ontheffingsbeleid is niet (meer) beschikbaar via websites van de overheid. Als de minister een beleid voert bij het verlenen van ontheffingen op grond van de Nbv, dient de minister dit beleid toe te passen of te onderbouwen waarom van het beleid wordt afgeweken.
Kosten en griffierecht
8. In de zaken AUA202600991 en AUA202600992 bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van Ibersol. Ook dient het griffierecht dat in deze zaken van Ibersol is geheven aan haar te worden terugbetaald.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
In de zaken met Lar nrs. AUA202600991 en AUA202600992:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden beschikkingen van 20 en 27 februari 2026;
draagt de (bevoegde) minister op binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de bezwaren van Ibersol;
veroordeelt verweerder tot betaling van de door Ibersol voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-;
gelast dat het door Ibersol gestorte griffierecht van Afl. 25,- per zaak aan haar wordt terugbetaald.
In de zaken met Lar nrs. AUA202602809 en AUA20262810:
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.A.M van Brussel, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 30 september 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.