ECLI:NL:OGEAA:2026:247

ECLI:NL:OGEAA:2026:247

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 27-07-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer AUA202500530
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Vertraging bevordering vanwege arbeidsongeschiktheid - bevordering naar schaal 7 terecht afgewezen - bezwaar ongegrond.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar als bedoeld in de

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klaagster],

wonend in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. R. Henriquez (DRH).

INLEIDING

In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klaagster tegen het landsbesluit van 19 december 2024 (het bestreden landsbesluit), waarbij zij met ingang van 1 mei 2024 is bevorderd naar de rang van adjunct-commies (schaal 6). Klaagster heeft dat landsbesluit op 29 januari 2025 ontvangen.

Klaagster heeft voornoemd bezwaar op 21 februari 2025 ingediend bij het gerecht.

Verweerder heeft op 10 juli 2025 een contramemorie met producties ingediend.

Het gerecht heeft de zaak mondeling behandeld ter zitting van 25 augustus 2025, waar klaagster is verschenen bij haar gemachtigde en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

Hierna is de zaak verwezen naar de rol van 8 september 2025 voor akte-uitlating zijdens klaagster. Op 14 september 2025 heeft klaagster de akte-uitlating ingediend.

Vervolgens heeft de voortzetting van de mondelinge behandeling ter zitting van 8 december 2025 plaatsgevonden, alwaar uitsluitend verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde. Klaagster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Daarna is de zaak verwezen naar de rol van 15 december 2025 voor overlegging van stukken zijdens verweerder. Verweerder heeft de stukken op 8 december 2025 overgelegd.

Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van 12 januari 2026 en nadien naar de rol van 16 maart 2026 voor een reactie op voornoemde stukken zijdens klaagster. Op 23 februari 2026 heeft klaagster haar reactie ingediend.

Hierna is de uitspraak bepaald op vandaag.

BEOORDELING

2. Het gerecht is van oordeel dat het bezwaar van klaagster ongegrond dient te worden verklaard. Het gerecht legt hierna dit oordeel uit.

Wat is relevant om te weten?

Klaagster is als ambtenaar werkzaam in de functie van administratief medewerker backoffice 1 bij het DIMP.

Bij landsbesluit van 7 december 2018 is klaagster met ingang van 1 augustus 2018 bevorderd naar de rang van hoofdklerk (schaal 5).

Bij brief van 21 november 2022 heeft klaagster verzocht om haar met ingang van 1 augustus 2022 naar de rang van adjunct-commies (schaal 6) te bevorderen.

Bij voorstel van de directeur van het DIMP van 12 mei 2023 is geadviseerd om klaagster naar schaal 6 te bevorderen.

Bij schrijven van de gemachtigde van klaagster is verzocht om klaagster met ingang van 1 augustus 2018 naar schaal 6 en met ingang van 1 augustus 2021 naar schaal 7 te bevorderen.

Bij het bestreden landsbesluit is klaagster met ingang van 1 mei 2024 naar schaal 6 bevorderd en is het verzoek om haar naar schaal 7 te worden bevorderd afgewezen.

Wat houdt het bestreden landsbesluit in?

4. Bij het bestreden landsbesluit heeft verweerder overwogen dat klaagster sinds 1 augustus 2018 de rang van hoofdklerk (schaal 5) bekleedt, dat zij werkzaam is in de functie van administratief medewerker backoffice 1 bij het Departamento di Impuesto (DIMP), dat die functie op het maximale niveau van schaal 7 is gewaardeerd, en dat zij gedurende de anciënniteitsperiode van 1 augustus 2018 tot 1 augustus 2022 in totaal 704,5 dagen arbeidsongeschikt is geweest. Daarmee heeft zij de gedoogperiode van 90 dagen met 614,5 dagen overschreden, zodat de ingangsdatum van haar bevordering naar schaal 6 naar 7 april 2024 moet worden verschoven, en om uitvoeringstechnische redenen op 1 mei 2024 is vastgesteld. Voorts heeft verweerder overwogen dat klaagster niet voldoet aan de bevorderingseis van dienstanciënniteit om naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7) te worden bevorderd.

Wat is het standpunt van verweerder?

Verweerder meent dat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat met klaagster reeds in der minne een regeling over deze zaak is getroffen. In een eerdere procedure heeft klaagster ingestemd met haar bevordering naar schaal 6, zoals neergelegd in het bestreden landsbesluit. Die eerdere procedure is vervolgens door klaagster ingetrokken. Volgens verweerder was klaagster het eens met de inhoud van de gemaakte afspraken, die nadien in het bestreden landsbesluit zijn vastgelegd.

Daarnaast heeft verweerder aangevoerd dat de vaste gedragslijn voor vertraging van een bevordering na 90 dagen arbeidsongeschiktheid al vanaf 2009 wordt toegepast en dat deze gedragslijn door de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken in meerdere uitspraken is gesanctioneerd. Volgens verweerder heeft klaagster, gelet op deze gedragslijn, de termijn van 90 dagen met 614,5 dagen overschreden, zodat haar bevordering naar schaal 6 terecht met 614,5 dagen is vertraagd. Ook de bevordering naar schaal 7 is volgens verweerder terecht afgewezen, omdat klaagster niet aan de bevorderingseis van dienstanciënniteit voldoet. Verweerder concludeert subsidiair tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

Wat is het standpunt van klaagster?

Klaagster betwist dat zij enige regeling met verweerder heeft aanvaard. Zij stelt dat zij nimmer heeft ingestemd met de intrekking van de eerdere procedure. Volgens klaagster dient haar bevordering te worden vastgesteld naar schaal 6 met ingang van 1 augustus 2018 en naar schaal 7 met ingang van 1 augustus 2021. Dit is steeds haar standpunt geweest en daarin volhardt zij. Klaagster voert verder aan dat zij nimmer akkoord is gegaan met een bevordering naar schaal 6 met ingang van 6 mei 2024. Om die reden heeft zij ook het onderhavige bezwaar bij het gerecht ingediend.

Klaagster is het niet eens met de ingangsdatum van deze bevordering en stelt zich op het standpunt dat zij, zonder enige vertraging wegens arbeidsongeschiktheid, dient te worden bevorderd. Ter motivering hiervan heeft klaagster, kort gezegd, het volgende aangevoerd.

In de relevante anciënniteitsperiode (2018–2022) bestond volgens klaagster geen beleid inzake de vertraging van bevorderingen in verband met arbeidsongeschiktheid. Verweerder heeft haar bevordering daarom ten onrechte op grond van dat vermeende beleid vertraagd. Bovendien is volgens klaagster nog steeds geen sprake van een schriftelijk, goedgekeurd en bekendgemaakt vertragingsbeleid.

Klaagster verzoekt het gerecht daarom de bestreden beslissing te vernietigen en verweerder op te dragen haar met ingang van 1 augustus 2018 te bevorderen naar schaal 6 en met ingang van 1 augustus 2020 naar schaal 7.

Wat zegt de wet?

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B van die regeling opgenomen bevorderingseisen (eerste lid) en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht (tweede lid).

Wat vindt het gerecht?

8. Het gerecht overweegt allereerst dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet is komen vast te staan of klaagster al dan niet heeft ingestemd met de door verweerder gestelde minnelijke regeling. Het gerecht laat die vraag daarom in het midden en gaat over tot een inhoudelijke beoordeling van het bestreden landsbesluit en de daartegen aangevoerde beroepsgronden.

In geschil is de vraag of verweerder de bevorderingsdatum van klaagster naar schaal 6 heeft mogen verschuiven naar 1 mei 2024 en haar verzoek om bevordering naar schaal 7 heeft mogen afwijzen. Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Uit vaste rechtspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken volgt dat bij de anciënniteitseis uitsluitend de tijd in actieve dienst meetelt en dat verweerder de ingangsdatum van een bevordering bij langdurige arbeidsongeschiktheid mag uitstellen. Verweerder hanteert daarbij de inmiddels bestendige gedragslijn van het zogenoemde 90-dagenbeleid, zoals die na eerdere rechtspraak is aangepast. Dit houdt in dat een afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid van maximaal 90 dagen gedurende een anciënniteitsperiode van vier jaar geen gevolgen heeft voor de bevorderingsdatum. Bij een langere periode wordt de ingangsdatum verschoven met het aantal dagen waarmee de 90 dagen worden overschreden, waarbij ook gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid naar rato wordt meegewogen.

Het gerecht acht deze gedragslijn een redelijke invulling van de anciënniteitseis. Verweerder heeft het 90-dagenbeleid in overeenstemming met de rechtspraak op de situatie van klaagster toegepast en heeft dat mogen doen.

In het geval van klaagster bedraagt de anciënniteitsperiode vier jaar. Uitgaande van vier jaren moet de periode van inactiviteit wegens arbeidsongeschiktheid in dit geval worden bepaald op 90 dagen. Uit de stukken en het ter zitting besprokene blijkt dat klaagster gedurende de anciënniteitsperiode 704.5 dagen arbeidsongeschikt was. Gelet op het vorenstaande mag de ingangsdatum van de bevordering van klaagster worden verschoven met (704.5-90) 614.5 dagen. Uitgaande van 1 augustus 2022, komt een verschuiving met 614.5 dagen uit op 7 april 2024, om uitvoeringstechnische redenen afgerond naar de eerste dag van de eerstvolgende maand zijnde 1 mei 2024. De conclusie is dat verweerder in het geval van klaagster op correcte wijze toepassing heeft gegeven aan het “90 dagen”-beleid. Verweerder heeft de ingangsdatum van haar bevordering mogen bepalen op 1 mei 2024. In hetgeen klaagster (verder) heeft aangevoerd, zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen om te oordelen dat verweerder in dit geval had moeten afwijken van het “90 dagen”-beleid.

Klaagster heeft verder aangevoerd dat verweerder het 90-dagenbeleid niet met terugwerkende kracht op haar situatie had mogen toepassen. Ook die bezwaargrond slaagt niet. Het gerecht stelt vast dat verweerder het 90-dagenbeleid in 2023 heeft bijgesteld naar aanleiding van uitspraken van de ambtenarenrechter. Dat biedt echter geen grond voor het oordeel dat verweerder dit beleid niet op de situatie van klaagster mocht toepassen. Uit die uitspraken volgt immers dat geen sprake is van nieuw beleid, maar van een bijstelling van een reeds geruime tijd gehanteerde vaste gedragslijn.

Wat betreft de afwijzing van het verzoek van klaagster om naar schaal 7 te worden bevorderd, overweegt het gerecht als volgt.

Voor een bevordering naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7) is op grond van de BRA vereist dat de door de betrokkene beklede functie, een waardering op het niveau van adjunct commies 1ste klasse rechtvaardigt (functiewaarderingsvereiste) en dat de betrokkene, indien hij in het bezit is van een diploma op mbo-niveau, reeds ten minste twee jaar dienst in de rang van adjunct-commies moet hebben volbracht. Indien de betrokkene niet beschikt over een diploma op mbo-niveau, dient hij reeds ten minste vier jaar dienst in de rang van adjunct-commies te hebben volbracht (dienstanciënniteitseis).

Het gerecht stelt voorop dat niet in geschil is dat klaagster niet beschikt over een diploma op mbo-niveau. Dit brengt mee dat zij, overeenkomstig de BRA, eerst ten minste vier jaar dienst in de rang van adjunct-commies (schaal 6) dient te hebben volbracht alvorens voor bevordering naar schaal 7 in aanmerking te komen. Nu klaagster bij het bestreden landsbesluit terecht met ingang van 1 mei 2024 naar schaal 6 is bevorderd, volgt daaruit dat zij eerst met ingang van 1 mei 2028 voor bevordering naar schaal 7 in aanmerking kan komen. Verweerder heeft het daartoe strekkende verzoek dan ook in redelijkheid kunnen afwijzen.

CONCLUSIE

11. Het gerecht komt tot de slotsom dat de aangevoerde bezwaargronden niet slagen, zodat het bezwaar ongegrond wordt verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar van klaagster ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J. Martijn, ambtenarenrechter, bijgestaan door de griffier mr. A.A. Wever, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 27 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand