ECLI:NL:OGEAA:2026:248

ECLI:NL:OGEAA:2026:248

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 27-07-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer AUA202503841 en AUA202504115
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Eervol ontslag na reintegratietraject non-actieven - bezwaar ongegrond - herhaald bezwaar niet-ontvankelijk

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klaagster],

wonend in Aruba,

KLAAGSTER,

procederend in persoon,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).

INLEIDING

Bij landsbesluit van 9 oktober 2025, no. 29 (het bestreden landsbesluit) heeft verweerder aan klaagster met ingang van 10 oktober 2025 eervol ontslag uit overheidsdienst verleend.

Klaagster heeft op 17 november 2025 een brief ingediend bij het gerecht, met als onderwerp “aanvullend bezwaar per verzoekschrift”. Dit stuk heeft het gerecht tijdens de behandeling van de door klaagster aangespannen procedure ex artikel 94 van de La (AUA202503746) aangemerkt als bezwaar tegen het bestreden landsbesluit. Dit bezwaar is geregistreerd onder zaaknummer AUA202503841.

Op 12 december 2025 heeft klaagster opnieuw een bezwaarschrift ingediend tegen het bestreden landsbesluit van 9 oktober 2025. Klaagster heeft dit bezwaarschrift aangeduid als een herhaald bezwaarschrift. Dit bezwaarschrift is geregistreerd onder zaaknummer AUA202504115.

Op 28 januari 2026 heeft verweerder een contramemorie met producties ingediend.

Klaagster heeft op 5 maart, 1 en 19 april en op 5 mei 2026 nadere stukken ingediend.

Het gerecht heeft de bezwaarschriften behandeld ter zitting van 18 mei 2026. Klaagster is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die vergezeld was van mr. C. Geerman (DRH) en mw. M. Erwich (DRH).

De uitspraak is nader bepaald op vandaag.

BEOORDELING

GAZA nr. AUA202503841

Het gerecht is van oordeel dat verweerder heeft mogen besluiten klaagster wegens ongeschiktheid eervol ontslag te verlenen. Het bezwaar van klaagster zal daarom ongegrond worden verklaard.

Het gerecht zal hierna dit oordeel nader toelichten.

Wat is relevant om te weten?

Klaagster is ambtenaar en sinds 1988 werkzaam in overheidsdienst. Zij was laatstelijk werkzaam bij Dienst Technische Inspecties; zij is sinds 2020 non-actief.

Bij circulaire van 14 december 2022 heeft de overheid haar beleid inzake de re-integratie van non-actieven bekend gemaakt. In het kader daarvan is op 16 februari 2023 met klaagster een reactiveringstraject aangevangen onder begeleiding van Departamento Recurso Humano (DRH). Op 5 mei 2023 heeft er een gesprek plaatsgevonden over een mogelijk plaatsing bij Directie Buitenlandse Betrekkingen (DBB). Een tijdelijke plaatsing bij DBB heeft echter niet plaatsgevonden.

Bij e-mail van 22 juni 2023 heeft klaagster aan DRH bericht dat zij bereid is mee te werken aan (proef)plaatsing en re-integratie, maar dat zij het niet eens is met de voorwaarden zoals bepaald in de circulaire. Bij brief van 3 juli 2023 is klaagster gesommeerd om onder de in de circulaire gestelde voorwaarden mee te werken aan het reactiveringstraject, en is zij verzocht zich bij DRH te melden. Met ingang van 10 juli 2023 diende klaagster zich doordeweeks dagelijks bij DRH te melden. Klaagster heeft middels e-mails, een brief en tijdens voortgangsgesprekken herhaald dat zij het niet eens is met de voorwaarden van de circulaire.

Op 12 september 2023 heeft klaagster in het kader van haar reactiveringstraject een sollicitatiegesprek gevoerd bij Directie Volksgezondheid (DVG). Bij ministeriële beschikking van 30 november 2023 is besloten klaagster – bij wijze van proefplaatsing – met ingang van 1 december 2023, voor de duur van zes maanden, te belasten met werkzaamheden behorende bij de functie van financieel adviseur bij DVG. Op 18 december 2023 is klaagster aangevangen met de proefplaatsing. Op verzoek van DVG is de proefplaatsing op 20 maart 2024 vroegtijdig beëindigd.

Klaagster heeft daarnaast sollicitatiebrieven gestuurd en verschillende diensten benaderd die vacatures hadden op het HR-portaal. Dit heeft niet geleid tot een plaatsing. Bij brief van 12 juli 2024 heeft de directeur van DRH klaagster bericht dat zij niet terug kan keren bij zowel DTI als DVG, en dat zij verdere contacten met deze diensten dient te staken. In juli 2024 is het reactiveringstraject door DRH stopgezet.

Bij het thans bestreden landsbesluit heeft verweerder besloten klaagster met ingang van 10 oktober 2025 eervol ontslag uit overheidsdienst te verlenen wegens ongeschiktheid. Het bezwaar van klaagster richt zich tegen het ontslag.

Wat is het standpunt van klaagster?

Klaagster stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het bestreden landsbesluit onrechtmatig is, op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en berust op onjuiste en onvolledige gegevens. Voorts voert zij aan dat het ontslagbesluit in strijd is met haar fundamentele rechten als ambtenaar en bovendien onvoldoende is gemotiveerd. Voorts stelt klaagster zich op het standpunt dat de circulaire van lagere orde is dan de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (Lma) en daarom – zo begrijpt het gerecht – buiten toepassing dient te blijven. Daarnaast voert zij aan dat verweerder haar, in strijd met artikel 78 van de Lma, niet heeft voorzien van de relevante documenten.

Ten slotte betoogt klaagster dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

Ter onderbouwing van haar standpunt voert klaagster aan dat zij wel degelijk beschikt over de vereiste kennis en vaardigheden om haar functie naar behoren uit te oefenen. Zij wijst erop dat zij beschikt over de vereiste financiële opleiding, ruim 35 jaar relevante werkervaring heeft en haar werkzaamheden steeds naar behoren heeft verricht. Volgens klaagster is zij dan ook een bekwame en integere ambtenaar.

Klaagster stelt zich voorts op het standpunt dat zij ten onrechte in de overtolligheidspoule is geplaatst. Zij voert aan dat zij tijdens haar werkzaamheden bij DTI is geconfronteerd met fysieke agressie, hetgeen ertoe heeft geleid dat zij in de overtolligheidspoule is terechtgekomen. Volgens klaagster is haar daarbij geen adequate bescherming geboden door haar werkgever.

Ten aanzien van het re-integratietraject stelt klaagster dat haar sollicitaties door het DRH zijn geblokkeerd. Volgens haar hebben het DRH en de Directie Wetgeving en Juridische Zaken belemmerd dat zij elders bij de overheid kon worden geplaatst.

Voorts betoogt klaagster dat verweerder het ontslag niet als ultimum remedium heeft toegepast, maar heeft gebruikt om een vermeend verstoorde arbeidsrelatie te beëindigen. Zij stelt dat aan haar ontslag is verleend om politieke redenen, omdat bij verweerder de indruk bestaat dat zij sympathiseert met een politieke partij van een andere signatuur dan die van het huidige kabinet.

Volgens klaagster is zij steeds bereid geweest opleidingen en trainingen te volgen, maar is haar daartoe nooit de gelegenheid geboden. Evenmin hebben met haar voortgangs- of beoordelingsgesprekken plaatsgevonden. Daarnaast is haar geen gelegenheid geboden haar functioneren te verbeteren. Zij is niet over het ontslag gehoord.

Gelet op het voorgaande verzoekt klaagster het gerecht om het bestreden landsbesluit te vernietigen en het aan haar verleende eervol ontslag ongedaan te maken. Daarnaast verzoekt zij om plaatsing bij de DVG, het DRH dan wel het Bureau Integriteit Aruba (BIA). Voorts verzoekt zij om doorbetaling van haar salaris met terugwerkende kracht vanaf oktober 2025. Tevens maakt zij aanspraak op vergoeding van de door haar gestelde schade, welke zij begroot op een bedrag tussen Afl. 1.000.000,- en Afl. 5.000.000,-. Ten slotte verzoekt zij om uitbetaling van haar niet-genoten vakantie- en ATV-dagen.

Wat zegt verweerder?

Verweerder stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat klaagster niet beschikt over de voor een ambtenaar vereiste eigenschappen, houding en instelling om binnen een overheidsorganisatie naar behoren te functioneren. Volgens verweerder is sprake van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, die is ontstaan als gevolg van de houding, het gedrag en de wijze van communiceren van klaagster. Onder deze omstandigheden kan van verweerder in redelijkheid niet worden gevergd de arbeidsrelatie voort te zetten.

Daartoe voert verweerder aan dat aan klaagster een begeleidings- en re-integratietraject is aangeboden en dat dit traject ook daadwerkelijk met haar is doorlopen. Op grond van de circulaire van 14 december 2022 volgt ontslag wegens ongeschiktheid indien een non-actieve ambtenaar twaalf maanden na de aanvang van het reactiveringstraject niet is gere-integreerd of tijdens een proefplaatsing disfunctioneert. Ondanks diverse inspanningen en bemiddelingspogingen is het volgens verweerder niet gelukt klaagster duurzaam te plaatsen. Het DRH heeft zich uiteindelijk genoodzaakt gezien het reactiveringstraject te beëindigen vanwege het problematische gedrag van klaagster. Nu het niet is gelukt om klaagster te (her)plaatsen, heeft verweerder dan ook besloten klaagster overeenkomstig de circulaire van 14 december 2022 wegens ongeschiktheid eervol ontslag te verlenen op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma.

Met betrekking tot de bezwaargronden stelt verweerder zich op het standpunt dat met het verlenen van het eervol ontslag geen fundamentele rechten van klaagster zijn geschonden. De door klaagster aangevoerde bezwaren geven volgens verweerder dan ook geen aanleiding het bestreden landsbesluit te herroepen.

Ten aanzien van het beroep op schending van het beginsel van hoor en wederhoor voert verweerder aan dat van een dergelijke schending geen sprake is. Klaagster is gedurende het re-integratietraject gehoord en begeleid. Voorts is in de circulaire inzake het re-integratieproces uitdrukkelijk vermeld dat ontslag kan volgen indien herplaatsing niet mogelijk blijkt. Volgens verweerder is dit ook met klaagster besproken. Daarnaast is in het bestreden landsbesluit het verloop van het re-integratietraject stapsgewijs uiteengezet en is de besluitvorming deugdelijk gemotiveerd.

Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich op het standpunt dat aan alle voorwaarden voor het verlenen van het eervol ontslag is voldaan en dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard.

Wat zegt de wet?

6. Ingevolge artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma kan de ambtenaar, buiten de gevallen hiervoor of bij andere wettelijke regelingen bepaald, slechts worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Wat vindt het gerecht?

omvang van het geding

7. Het gerecht ziet aanleiding eerst het volgende voorop te stellen.

Hetgeen klaagster heeft aangevoerd over de haar in het verleden verleende toegangsontzegging en haar plaatsing in de overtolligheidspoule valt buiten de omvang van dit geding en behoeft daarom geen bespreking.

Voor zover klaagster aanspraak maakt op uitbetaling van ATV- en vakantiedagen en verzoekt om schadevergoeding, overweegt het gerecht dat ook deze onderwerpen in deze procedure niet ter beoordeling voorliggen. Indien klaagster hierover een beslissing van het daartoe bevoegde gezag wenst te verkrijgen, dient zij daartoe een afzonderlijk verzoek in te dienen.

geschil en beoordeling daarvan

8. In geschil is de vraag of verweerder klaagster op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (Lma) eervol ontslag heeft mogen verlenen wegens ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt.

Volgens bestendige jurisprudentie kan ongeschiktheid voor de vervulling van een ambt blijken uit het ontbreken van de voor een goede functievervulling vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling. Een dergelijk oordeel dient te worden onderbouwd aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

9. Aan het bestreden landsbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het door klaagster doorlopen begeleidings- en reactiveringstraject niet heeft geleid tot haar herplaatsing binnen de overheid. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de circulaire van 14 december 2022 (hierna: de circulaire), waarin is bepaald dat, indien een re-integratietraject niet leidt tot herplaatsing binnen de overheid, ontslag wegens ongeschiktheid als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma kan volgen.

Beoordeeld dient eerst te worden of de circulaire, zoals klaagster betoogt, buiten toepassing dient te blijven omdat deze van lagere orde is dan de Lma. Het gerecht overweegt dat de circulaire moet worden aangemerkt als beleid en derhalve niet onverenigbaar kan zijn met bepalingen van de Lma, die een wet in formele zin is. Dat de Lma van hogere orde is dan de circulaire, brengt op zichzelf echter niet mee dat de circulaire buiten toepassing dient te blijven. Daarvoor is vereist dat de circulaire in strijd is met een hogere wettelijke regeling of anderszins de grenzen van een redelijke beleidsuitoefening overschrijdt. Van een dergelijke strijd is in dit geval niet gebleken. De enkele omstandigheid dat de circulaire van lagere orde is dan de Lma is daarom onvoldoende om deze buiten toepassing te laten.

Voor zover klaagster betoogt dat zij niet heeft ingestemd met het re-integratietraject en dat dit traject daarom niet op haar van toepassing is, volgt het gerecht haar daarin niet.

Vaststaat dat klaagster sinds eind 2020 langdurig non-actief is geweest. Het gerecht heeft reeds eerder geoordeeld (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:OGAACMB:2024:38) dat het re-integratietraject van toepassing is op ambtenaren die langer dan drie maanden geen werkzaamheden verrichten, maar wel bezoldiging ontvangen.

Voorts staat vast dat klaagster gevolg heeft gegeven aan de sommatie in de brief van 3 juli 2023 en vervolgens aan het reactiveringstraject heeft deelgenomen. In het kader van de circulaire is zij begeleid en zijn haar twee functies aangeboden, waarvan één heeft geleid tot een proefplaatsing. Gelet op deze omstandigheden kan klaagster zich achteraf niet met vrucht op het standpunt stellen dat het re-integratietraject niet op haar van toepassing was.

11. Met betrekking tot het verloop en de beëindiging van het begeleidingstraject en het re-integratietraject overweegt het gerecht als volgt.

Klaagster valt als non-actieve ambtenaar onder het toepassingsbereik van de circulaire, zodat de daarin opgenomen rechten en verplichtingen op haar van toepassing zijn. Zij heeft aanspraak op begeleiding door het DRH bij het vinden van een passende functie, maar niet op plaatsing in een vacature waarop zij solliciteert. Indien meerdere kandidaten in aanmerking komen, is het aan de betrokken dienst om de meest geschikte kandidaat voor benoeming voor te dragen. De begeleiding door het DRH strekt ertoe de kansen op plaatsing te vergroten, maar is niet onbeperkt in duur. Indien ondanks die begeleiding geen passende functie wordt gevonden, kan uiteindelijk ontslag volgen.

Uit de stukken blijkt dat DRH klaagster aanvankelijk een proefplaatsing heeft aangeboden bij DBB (productie 6 bij de contramemorie). Op 5 mei 2023 heeft klaagster een gesprek gevoerd bij DBB, waarna de directeur bij brief van 10 mei 2023 heeft ingestemd met een proefplaatsing in de functie van medewerker bedrijfsvoering. Nog vóór de aanvang van de proefplaatsing heeft klaagster de directeur herhaaldelijk, ook buiten werktijd, benaderd met de mededeling dat zij uitsluitend bij landsbesluit benoemd wilde worden, dat de functie anders diende te worden aangeduid, dat zij in aanmerking wenste te komen voor een bevordering en dat zij ten onrechte in de overtolligheidspoule was geplaatst. Naar aanleiding van deze opstelling heeft de directeur besloten van de proefplaatsing af te zien. Gelet op de wijze waarop klaagster zich voorafgaand aan de proefplaatsing heeft opgesteld, acht het gerecht het niet onbegrijpelijk dat de directeur heeft besloten de proefplaatsing geen doorgang te laten vinden.

Vervolgens heeft DRH klaagster een proefplaatsing aangeboden bij DVG. De proefplaatsing is op 18 december 2023 aangevangen en op verzoek van DVG met ingang van 20 maart 2024 vroegtijdig beëindigd. Uit de overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat de wijze waarop klaagster met collega's en leidinggevenden omging, alsmede haar communicatiestijl, van dien aard waren dat daardoor een verstoorde werkrelatie en een onwerkbare situatie binnen de organisatie zijn ontstaan (producties 12 tot en met 15 bij de contramemorie).

Zo blijkt uit de stukken dat klaagster zich herhaaldelijk dwingend en autoritair opstelde. Zij accepteerde niet dat haar adviezen werden afgewezen, stelde de werkwijze en beslissingen van haar leidinggevende en de organisatie voortdurend ter discussie, passeerde haar leidinggevende door rechtstreeks met het managementteam te communiceren, gaf ongevraagd adviezen en opdrachten aan collega's en medewerkers van de afdeling Financiën en trad regelmatig eigenmachtig op. Daarnaast communiceerde zij op respectloze en dwingende wijze, overspoelde zij collega's met e-mails en werden haar gedragingen door betrokkenen in sommige gevallen als pestgedrag ervaren. Voorts blijkt uit de stukken dat DVG klaagster herhaaldelijk, zowel mondeling als schriftelijk, heeft aangesproken op haar communicatiestijl en de wijze waarop zij met collega's omging. Nu verbetering uitbleef, is het naar het oordeel van het gerecht begrijpelijk dat DVG geen aanleiding zag de proefplaatsing voort te zetten.

Verder blijkt uit de stukken dat klaagster gedurende het reactiveringstraject, zowel op eigen initiatief als met bemiddeling van het DRH, op een groot aantal vacatures bij verschillende diensten heeft gesolliciteerd (productie 26 bij de contramemorie). Geen van deze sollicitaties heeft geleid tot een (proef)plaatsing. In een aantal gevallen is haar sollicitatie reeds in een vroeg stadium afgewezen. Voorts volgt uit de stukken dat het DRH, naar aanleiding van verzoeken om klaagster in het kader van een proefplaatsing te plaatsen, van verschillende diensthoofden negatieve reacties heeft ontvangen. Daarbij is aangegeven dat klaagster bij diverse diensten en functionarissen reeds bekend was vanwege eerdere problematische ervaringen.

Voorts blijkt uit de stukken dat klaagster gedurende het gehele reactiveringstraject intensief door het DRH is begeleid. Ook na afloop van de proefplaatsing hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen klaagster en haar begeleider bij het DRH. Uit de overgelegde gespreksverslagen leidt het gerecht af dat deze gesprekken gaandeweg steeds moeizamer en problematischer verliepen. Dit heeft de begeleider er uiteindelijk toe gebracht op 4 juli 2024 te concluderen dat voortzetting van de begeleiding geen zinvolle bijdrage meer zou leveren aan het reactiveringstraject. Het DRH heeft vervolgens geadviseerd het reactiveringstraject te beëindigen.

Gelet op de intensieve begeleiding en de inspanningen van het DRH is het gerecht van oordeel dat het DRH heeft voldaan aan de op hem rustende begeleidingsplicht uit hoofde van de circulaire. De stelling van klaagster dat het DRH haar heeft belemmerd bij het verkrijgen van een (proef)plaatsing, haar anderszins heeft geblokkeerd of haar geen reële kans heeft geboden op verbetering, vindt geen steun in de stukken en wordt verworpen.

Uit het dossier blijkt dat het reactiveringstraject uiteindelijk is beëindigd doordat de houding en het gedrag van klaagster een succesvolle voortzetting daarvan in de weg stonden. Ondanks de door DRH verrichte inspanningen is daardoor een reëel perspectief op herplaatsing komen te ontbreken. Verweerder heeft het reactiveringstraject daarom terecht beëindigd en zich terecht op het standpunt gesteld dat de ongeschiktheid van klaagster niet is gelegen in een gebrek aan kennis of deskundigheid, maar in het ontbreken van de voor een ambtenaar vereiste eigenschappen, houding en instelling om binnen een organisatieverband naar behoren te functioneren.

Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat sprake is van ongeschiktheid als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma.

12. Wat betreft het betoog van klaagster dat voorafgaand aan het ontslagbesluit geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, overweegt het gerecht als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat klaagster gedurende het reactiveringstraject meermalen is geïnformeerd over haar positie, de toepasselijkheid van de circulaire, de haar aangeboden functies en de mogelijkheid dat bij het uitblijven van een succesvolle herplaatsing ontslag zou kunnen volgen. Voorts is gebleken dat hierover gedurende het traject herhaaldelijk met klaagster is gesproken en dat zij daarbij ruimschoots de gelegenheid heeft gehad haar standpunten en bezwaren naar voren te brengen. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat klaagster niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. Een afzonderlijk gesprek voorafgaand aan het nemen van het ontslagbesluit had in dat licht geen wezenlijke toegevoegde waarde. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake.

13. Voor zover klaagster betoogt dat het ontslag met terugwerkende kracht is verleend, volgt het gerecht haar daarin niet. Uit het bestreden landsbesluit blijkt dat het ontslag ingaat met ingang van de dag na de dagtekening van het landsbesluit. Nu het landsbesluit is gedagtekend op 9 oktober 2025, is de ingangsdatum van het ontslag bepaald op 10 oktober 2025. Het ontslag heeft derhalve werking voor de toekomst en niet met ingang van een datum die is gelegen vóór de datum van het landsbesluit, zodat van terugwerkende kracht geen sprake is. De omstandigheid dat klaagster het landsbesluit eerst op een later moment heeft ontvangen, maakt dit niet anders. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat klaagster gedurende het reactiveringstraject meermalen is gewezen op de mogelijkheid dat, indien herplaatsing niet zou slagen, ontslag zou volgen. Deze bezwaargrond faalt.

CONCLUSIE

14. De slotsom is dat verweerder bevoegd was klaagster per 10 oktober 2025 te ontslaan en in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het bezwaar van klaagster (AUA202503841) zal daarom ongegrond worden verklaard.

GAZA nr. AUA202504115

15. Het gerecht is van oordeel dat het herhaalde bezwaarschrift, geregistreerd onder zaaknummer AUA202504115, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Vaststaat dat klaagster reeds op 17 november 2025 bezwaar heeft gemaakt tegen hetzelfde landsbesluit van 9 oktober 2025, no. 29. Het herhaalde bezwaarschrift is eveneens tegen datzelfde landsbesluit gericht. Nu reeds een bezwaar tegen dat landsbesluit aanhangig is gemaakt en daarop in deze uitspraak inhoudelijk wordt beslist, bestaat geen ruimte voor een afzonderlijke inhoudelijke behandeling van het herhaalde bezwaarschrift. Het herhaalde bezwaarschrift wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

GAZA nr. AUA202503841

- verklaart het bezwaar ongegrond.

GAZA nr. AUA202504115

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J. Martijn

Griffier

  • mr. A.A. Wever

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand