GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
NOORD MEDICAL CENTER N.V. h.o.d.n. MEDLAB,
gevestigd in Aruba,
APPELLANTE,
gemachtigden: de advocaten mrs. A.C.G. Bikker en L.D. Gomez,
gericht tegen:
ARUBA FAIR TRADE AUTHORITY,
gevestigd in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: C. Leijdekkers Msc en mr. A. Maduro.
met als derde belanghebbenden:
UITVOERINGSORGAAN ALGEMENE ZIEKTEKOSTENVERZEKERING ARUBA,
gevestigd in Aruba,
gemachtigde: de advocaat mr. ir. T.L.H. Peeters Msc,
en
STICHTING ZIEKENVERPLEGING ARUBA,
gevestigd in Aruba,
gemachtigde: de advocaat mr. W.J. Noordhuizen.
INLEIDING
Bij beslissing op bezwaar van 27 oktober 2025 heeft AFTA het bezwaar van Medlab ongegrond verklaard (bestreden beschikking).
Hiertegen heeft Medlab op 5 december 2025 beroep ingesteld bij het gerecht.
De Stichting Ziekenverpleging Aruba (SZA) heeft op 24 februari 2026 een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
AFTA heeft op 7 april 2026 een verweerschrift met stukken ingediend.
Het Uitvoeringsorgaan Algemene Ziektekostenverzekering Aruba (UOAZV) heeft op 8 april 2026 een schriftelijke uiteenzetting met stukken ingediend.
UOAZV heeft op 29 mei 2026 stukken ingediend.
Medlab heeft op 2 juni 2026 stukken ingediend.
Het gerecht heeft het verzoek behandeld ter zitting van 9 september 2026. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
De uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
Waarover gaat deze zaak?
Op 21 februari 2024 heeft Medlab een handhavingsverzoek ingediend bij AFTA om handhavend op te treden tegen UOAZV en SZA op grond dat zij zouden handelen in strijd met de Mededingingsverordening (Mv).
Bij beschikking van 20 januari 2025 heeft AFTA het handhavingsverzoek afgewezen. In die beschikking staat – voor zover hier van belang – het volgende:
“(…)
23. De Mededingingsverordening is alleen van toepassing op ondernemingen. Het ondernemingsbegrip is overgenomen uit het Europees Unie recht en dient op dezelfde wijze te worden uitgelegd. Artikel 1.1, lid 1, van de Mededingingsverordening bepaalt dat onder een onderneming wordt verstaan: “een eenheid die een economische activiteit verricht”. Dit sluit aan bij het ondernemingsbegrip dat in jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna HvJ EU) is gedefinieerd als “elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd”. Daarbij wordt onder economische activiteit verstaan “elke activiteit die bestaat uit het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt”.
(…)
35. Uit het bovenstaande volgt dat het UOAZV, (ook indien sprake zou zijn van inkoop van diagnostische laboratoriumdiensten ten behoeve van AZV-verzekerden), niet handelt als onderneming in de zin van het mededingingsrecht. Omdat het UOAZV voor deze doeleinden geen onderneming is in de zin van de Mededingingsverordening kan ook geen sprake zijn van misbruik van een machtspositie door het UOAZV of van een mededingingsbeperkende overeenkomst tussen het UOAZV en SZA/HOH.
(…)”.
Medlab heeft op 10 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen die beschikking.
Op 10 oktober 2025 heeft de bezwaaradviescommissie advies uitgebracht. Daarbij heeft de commissie geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en de beschikking te heroverwegen.
Op 27 oktober 2025 is AFTA met de bestreden beschikking van het advies van de bezwaaradviescommissie afgeweken en heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Wat vindt Medlab?
3. Medlab heeft aan het beroep ten grondslag gelegd dat de beslissing op bezwaar op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Zij betoogt dat UOAZV als een onderneming moet worden aangemerkt en dat daarom sprake is van gedragingen en overeenkomsten tussen twee ondernemingen, te weten UOAZV en SZA. De inkoop van zorg door UOAZV heeft een privaatrechtelijk karakter. UOAZV heeft daarnaast geen verordenende bevoegdheid tarieven vast te stellen. Door feitelijke maximumtarieven aan zorgverleners voor te schrijven, treedt UOAZV buiten het stelsel van de AZV. UOAZV handelt dan niet meer ter uitvoering van een sociaal stelsel en is voor deze activiteit een onderneming in de zin van de Mv.
Wat vinden AFTA en de andere partijen?
AFTA stelt zich op het standpunt dat de beslissing op bezwaar rechtmatig is en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. AFTA voert daartoe aan dat geen sprake is van een overtreding in de zin van de Mededingingsverordening waartegen AFTA handhavend dient op te treden.
UOAZV en SZA zijn het eens met AFTA.
Wat vindt het gerecht?
Het gerecht gaat uit van de volgende feiten.
Medlab verzorgt laboratoriumdiensten in de eerste lijn (huisartsen) en de tweede lijn (medisch specialisten en ziekenhuizen).
UOAZV is de publiekrechtelijke rechtspersoon die de algemene ziektekostenverzekering (AZV) uitvoert. UOAZV beheert het Algemeen Fonds Ziektekosten (Fonds) waaruit de kosten van de Landsverordening Algemene Ziektekostenverzekering (Lazv) en de beheerkosten worden bestreden.
SZA exploiteert het Horacio Oduber Hospital. SZA exploiteert ook LabHOH. LabHOH levert (met name) diagnostische laboratoriumdiensten voor de tweede lijn.
Op 21 februari 2024 heeft Medlab bij AFTA een klacht ingediend over oneerlijke concurrentiepraktijken door UOAZV en verzocht grondig onderzoek te doen en passende preventieve maatregelen te nemen op grond van de artikelen 2.8 en 2.9 van de Mv. Aan dit verzoek heeft Medlab ten grondslag gelegd dat UOAZV tweedelijns laboratoriumdiensten exclusief afneemt van SZA en dat Medlab lagere tarieven vergoed krijgt voor overige diagnostische laboratoriumdiensten dan SZA.
AFTA heeft het handhavingsverzoek bij beschikking van 20 januari 2025 afgewezen op de grond dat geen sprake is van een overtreding van de Mv. UOAZV is volgens AFTA bij de inkoop van diagnostische laboratoriumdiensten geen onderneming in de zin van de Mv. Daaraan legt AFTA ten grondslag dat de Lazv de kenmerken vertoont van een op solidariteit gebaseerd stelsel. De inkoop van zorgdiensten kan niet als een economische activiteit worden gezien, omdat UOAZV deze zorgdiensten inkoopt om te voldoen aan haar wettelijke taak binnen het sociale en op solidariteit gebaseerde zorgstelsel.
De bezwaaradviescommissie heeft op 10 oktober 2025 advies uitgebracht. De commissie heeft geadviseerd het bezwaarschrift gegrond te verklaren en de beschikking waartegen bezwaar is gemaakt, te heroverwegen. Volgens de commissie heeft AFTA niet beoordeeld of de inkoop van laboratoriumdiensten door UOAZV een economisch karakter heeft. Ook heeft AFTA volgens de commissie onvoldoende onderzocht of de bevoegdheid van UOAZV om tarieven vast te stellen een economische activiteit is. Tenslotte heeft AFTA volgens de commissie onvoldoende onderzocht of het sluiten van overeenkomsten met particuliere ondernemingen zoals SZA en LabHOH een economische activiteit is.
Bij bestreden beschikking heeft AFTA, in afwijking van het advies van de commissie, het bezwaar van Medlab ongegrond verklaard. AFTA handhaaft haar standpunt dat de algemene ziektekostenverzekering een op solidariteit gebaseerd stelsel is. Dat brengt mee dat UOAZV zowel in de uitoefening van haar kerntaak als de daarmee samenhangede inkoophandelingen, niet als onderneming in de zin van de Mv kan worden aangemerkt. Verder heeft UOAZV geen bevoegdheid tarieven vast te stellen, maar worden tarieven overeengekomen met zorgaanbieders. De afspraken die UOAZV maakt over tarieven, prijzen en budgetten zijn geen zelfstandige economische activiteit, maar vinden plaats ter uitvoering van een publieke taak.
6. Het relevante wettelijk kader is als volgt.
De Mededingingsverordening verbiedt ondernemingen mededingingsafspraken te maken en misbruik te maken van een machtspositie. Een onderneming is op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Mv een eenheid die een economische activiteit verricht. AFTA is op grond van de artikelen 2.8 en 2.9 van de Mv bevoegd preventieve maatregelen op te leggen bij een machtspositie. Op grond van artikel 6.1 van de Mv kan AFTA bij overtreding van de verboden een bestuurlijke boete, een last onder dwangsom en een bindende aanwijzing tot naleving opleggen.
In de Memorie van Toelichting op de Mv staat op bladzijde 27:
“Het begrip onderneming is overgenomen uit het Europees recht en dient op dezelfde wijze te worden uitgelegd.”
7. De rechtspraak van het Hof van Justitie EU over het begrip onderneming.
In het arrest AOK-Bundesverband heeft het Hof geoordeeld over de vraag of organisaties van Duitse ziekenfondsen ondernemingen zijn wanneer zij vaste maximumbedragen vaststellen voor de vergoeding van geneesmiddelen door de ziekenfondsen. Daarvoor diende het Hof eerst vast te stellen of de ziekenfondsen ondernemingen zijn. Na een beoordeling van de kenmerken van de ziekenfondsen, komt het Hof onder 55 tot het oordeel dat de ziekenfondsen geen ondernemingen zijn.
“47 Op het gebied van de sociale zekerheid heeft het Hof geoordeeld dat bepaalde instellingen belast met het beheer van wettelijke stelsels van ziektekosten- en ouderdomsverzekering een zuiver sociaal doel hebben en geen economische activiteit uitoefenen. Het Hof heeft verklaard dat dit het geval is met ziekenfondsen die slechts de wet toepassen en op geen enkele wijze de hoogte van de premies, het gebruik van de fondsen of de vaststelling van het niveau van de prestaties kunnen beïnvloeden. Hun werkzaamheid, die berust op het beginsel van nationale solidariteit, mist immers ieder winstoogmerk en de betaalde uitkeringen zijn wettelijke uitkeringen, die niet afhangen van het bedrag van de premies (arrest van 17 februari 1993, Poucet en Pistre, C-159/91 en C-160/91,Jurispr. blz. I-637, punten 15 en 18).
[…]
51 Vastgesteld moet worden dat de ziekenfondsen van het Duitse wettelijk ziektekostenverzekeringsstelsel, net als de organen die in de zaken Poucet en Pistre in het geding waren, meewerken aan het beheer van het socialezekerheidsstelsel. Zij vervullen dienaangaande een taak van zuiver sociale aard, die berust op het beginsel van solidariteit en ieder winstoogmerk mist.
52 In het bijzonder moet worden benadrukt dat de ziekenfondsen wettelijk verplicht zijn hun verzekerden verplichte verstrekkingen te verlenen, die in wezen identiek zijn en niet afhangen van het bedrag van de premies. De ziekenfondsen hebben geen enkele invloed op deze verstrekkingen.
53 In zijn verwijzingsbeschikkingen merkt het Bundesgerichtshof dienaangaande op dat de ziekenfondsen een soort op solidariteit gebaseerde gemeenschap vormen („Solidargemeinschaft") waardoor zij onderling tot een evenwichtige verdeling van kosten en risico's kunnen komen. Overeenkomstig § 265 en volgende SGB V wordt aldus een compensatie toegepast tussen de ziekenfondsen met de laagste zorgkosten en de ziekenfondsen die grotere risico's verzekeren en in verband daarmee hogere kosten hebben.
54 De ziekenfondsen concurreren dus niet met elkaar, noch met particuliere instellingen, ter zake van de verplichte wettelijke verstrekkingen op het gebied van zorg of geneesmiddelen, hun belangrijkste taak.
55 Uit deze kenmerken volgt dat de ziekenfondsen veel weg hebben van de organen die aan de orde waren in de zaken die hebben geleid tot de arresten Poucet en Pistre, en Cisal, en dat moet worden aangenomen dat zij geen activiteiten van economische aard verrichten.
56 De vrijheid waarover de ziekenfondsen beschikken bij de vaststelling van de hoogte van de premie en bij de onderlinge concurrentie om verzekerden aan te trekken, doet aan deze beoordeling niet af. Zoals uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt, heeft de wetgever immers met betrekking tot de premies een element van concurrentie ingevoerd om in het belang van de goede werking van het Duitse socialezekerheidsstelsel de ziekenfondsen ertoe aan te zetten, hun activiteiten te organiseren volgens de beginselen van goed beheer, namelijk zo efficiënt en goedkoop mogelijk. Dat dit het doel is, verandert niets aan de aard van de activiteiten van de ziekenfondsen.
57 Nu de activiteiten van organen zoals de ziekenfondsen niet van economische aard zijn, volgt daaruit dat deze organen geen ondernemingen zijn in de zin van de artikelen 81 EG en 82 EG.”
In het arrest Dôvera heeft het Hof geoordeeld over de vraag of aan twee Slowaakse ziektekostenverzekeraars staatsteun was verleend. Daartoe diende het Hof te beoordelen of de ziektekostenverzekeraars ondernemingen zijn. Het Hof geeft een overzicht van zijn rechtspraak.
“30 Wat in het bijzonder het gebied van de sociale zekerheid betreft, heeft het Hof geoordeeld dat het Unierecht in beginsel geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsel in te richten. Teneinde te beoordelen of een activiteit in het kader van een socialezekerheidsstelsel een niet-economisch karakter heeft, maakt het Hof een globale beoordeling van het betrokken stelsel waarbij als elementen in aanmerking worden genomen de sociale doelstelling die een stelsel nastreeft, de tenuitvoerlegging van het solidariteitsbeginsel, de afwezigheid van elk winstoogmerk van de uitgeoefende activiteit en het toezicht erop door de staat (zie in die zin arresten van 17 februari 1993, Poucet en Pistre, C-159/91 en C-160/91, EU:C:1993:63, punten 8-10, 14, 15 en 18; 22 januari 2002, Cisal, C-218/00, EU:C:2002:36, punten 34, 38 en 43; 16 maart 2004, AOK Bundesverband e.a., C-264/01, C-306/01, C-354/01 en C-355/01, EU:C:2004:150, punten 47-50; 5 maart 2009, Kattner Stahlbau, C-350/07, EU:C:2009:127, punten 35, 38 en 43, en 3 maart 2011, AG2R Prévoyance, C-437/09, EU:C:2011:112, punten 43-46).
31 In het kader van deze globale beoordeling moet in het bijzonder worden onderzocht of en in welke mate het betrokken stelsel kan worden geacht het solidariteitsbeginsel ten uitvoer te leggen en of de activiteit van de verzekeringsinstanties die het stelsel beheren aan staatstoezicht is onderworpen (zie in die zin arresten van 17 februari 1993, Poucet en Pistre, C-159/91 en C-160/91, EU:C:1993:63, punten 8 en 14; 22 januari 2002, Cisal, C-218/00, EU:C:2002:36, punten 38 en 43, en 5 maart 2009, Kattner Stahlbau, C-350/07, EU:C:2009:127, punt 43).
32 De socialezekerheidsstelsels die het solidariteitsbeginsel ten uitvoer leggen worden met name gekenmerkt door het verplichte karakter van de aansluiting voor zowel de verzekerden als de verzekeringsinstanties, door de vaststelling bij wet van de premies naar evenredigheid van het inkomen van de verzekerden en niet het risico dat zij individueel vertegenwoordigen vanwege hun leeftijd of hun gezondheidstoestand, door de regel dat de door de wet vastgestelde verplichte vergoedingen voor alle verzekerden identiek zijn, ongeacht het bedrag van de door elk van hen betaalde premies, en door een vereveningsmechanisme van de kosten en de risico’s waarbij de stelsels met een overschot deelnemen aan de financiering van de stelsels met structurele financiële moeilijkheden (zie in die zin arresten van 17 februari 1993, Poucet en Pistre, C-159/91 en C-160/91, EU:C:1993:63, punten 7-12, 15 en 18; 22 januari 2002, Cisal, C-218/00, EU:C:2002:36, punten 39, 40 en 42, en 16 maart 2004, AOK Bundesverband e.a., C-264/01, C-306/01, C-354/01 en C-355/01, EU:C:2004:150, punten 47, 48, 52 en 53).
33 In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat het feit dat een lidstaat niet één verzekeringsinstantie maar verschillende instanties belast met het beheer van een socialezekerheidsstelsel, geen afbreuk kan doen aan het aan dit stelsel ten grondslag liggende solidariteitsbeginsel, temeer niet wanneer de betrokken instanties binnen dat stelsel onderling de kosten en risico’s verevenen (zie in die zin arrest van 5 maart 2009, Kattner Stahlbau, C-350/07, EU:C:2009:127, punten 49, 50 en 53).
34 Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat de invoering van een element van concurrentie in een stelsel met de in punt 32 van dit arrest in herinnering gebrachte kenmerken, de aard van dat stelsel niet wijzigt, aangezien daarmee wordt beoogd de marktdeelnemers ertoe aan te zetten hun activiteit in het belang van de goede werking van het socialezekerheidsstelsel uit te oefenen volgens de beginselen van goed beheer, namelijk zo efficiënt en zo goedkoop mogelijk (zie in die zin arrest van 16 maart 2004, AOK Bundesverband e.a., C-264/01, C-306/01, C-354/01 en C-355/01, EU:C:2004:150, punt 56).
35 Volgens een evenzeer vaste rechtspraak heeft het Hof daarentegen geoordeeld dat instanties die een verzekeringsstelsel beheren dat op facultatieve aansluiting is gebaseerd, dat werkt op het gebied van een kapitalisatiebeginsel – waarbij er een rechtstreeks verband is tussen het bedrag van de door de verzekerde betaalde premies en de financiële opbrengst ervan enerzijds, en de voor deze verzekerde verrichte prestaties anderzijds – en dat slechts uiterst beperkte elementen van solidariteit omvat, niet het solidariteitsbeginsel ten uitvoer leggen en derhalve een economische activiteit uitoefenen (zie in die zin arresten van 16 november 1995, Fédération française des sociétés d’assurance e.a., C-244/94, EU:C:1995:392, punten 17, 19 en 22, en 21 september 1999, Albany, C-67/96, EU:C:1999:430, punten 79, 81, 82 en 85). “
In het arrest Fenin heeft het Hof EU (in hoger beroep tegen een uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg) geoordeeld over de vraag of de overheidsorganen die instaan voor het beheer van het Spaanse gezondheidsstelsel (SNS) ondernemingen zijn. FENIN is een vereniging van leveranciers van medische hulpmiddelen die leveren aan ziekenhuizen. Het Hof oordeelt onder 26 dat de aankoopactiviteiten (van medische hulpmiddelen) door het beheersorgaan niet los kunnen worden gezien van het latere gebruik ervan. De al dan niet economische activiteit van het latere gebruik bepaalt de aard van de aankoopactiviteit.
“8 Het Gerecht heeft om te beginnen het tweede middel, betreffende de toepassing van de artikelen 82 EG en 86 EG, afgewezen, waar het in punt 40 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de beheersorganen van het SNS niet als ondernemingen handelen wanneer zij van leden van FENIN medische hulpmiddelen kopen om de aangeslotenen van het SNS gratis gezondheidsdiensten te verstrekken. Volgens het Gerecht volgt deze conclusie uit de in punt 39 van zijn arrest weergegeven situatie, dat het SNS op basis van het solidariteitsbeginsel werkt, aangezien het met sociale en andere bijdragen van de overheid wordt gefinancierd, en het zijn aangeslotenen op basis van een algemene dekking gratis diensten verleent, zodat de beheersorganen van het SNS bij hun beheer van het gezondheidsstelsel niet als ondernemingen handelen.
[…]
17 Met het eerste onderdeel stelt FENIN dat het Gerecht ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat de aankoopactiviteit een op zichzelf staande economische activiteit is, die los kan worden gezien van de daarna verrichte dienst, en dat de beheersorganen van het SNS bijgevolg aan deze mededingingsregels moeten worden onderworpen.
18 Met het tweede — subsidiair aangevoerde — onderdeel van haar middel stelt FENIN dat het Gerecht had moeten vaststellen dat de aankoopactiviteit een activiteit van economische aard is, waarvoor bijgevolg de mededingingsregels gelden, omdat de latere activiteit, namelijk het verstrekken van geneeskundige verzorging, zelf ook een activiteit van economische aard is.
25 Het Gerecht heeft in punt 35 van het bestreden arrest terecht in herinnering gebracht dat het begrip „onderneming" in de context van het communautaire mededingingsrecht elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (arresten van 23 april 1991, Höfner en Eiser, C-41/90, Jurispr. blz. I-1979, punt 21, en 16 maart 2004, AOK-Bundesverband e.a., C-264/01, C-306/01, C-354/01 en C-355/01, Jurispr. blz. I-2493, punt 46). Conform de rechtspraak van het Hof heeft het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest ook benadrukt dat onder „economische activiteit" wordt verstaan, het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt (arrest van 18 juni 1998, Commissie/Italië, C-35/96, Jurispr. blz. I-3851, punt 36).
26 Het Gerecht heeft daar in punt 36 van het bestreden arrest terecht uit afgeleid dat voor de bepaling van de aard van de activiteit de aankoop van het product niet los mag worden gezien van het latere gebruik ervan, en dat de al dan niet economische aard van het latere gebruik van het gekochte product noodzakelijkerwijs de aard van de aankoopactiviteit bepaalt.
27 Het eerste onderdeel van het enige middel van FENIN tot staving van haar hogere voorziening, dat de aankoopactiviteit van de beheersorganen van het SNS een economische activiteit op zich vormt, die losstaat van de daarna verrichte dienst, en die als zodanig door het Gerecht afzonderlijk zou moeten zijn onderzocht, moet bijgevolg ongegrond worden verklaard.”
De toepassing van de rechtspraak van het EU Hof op deze zaak.
Het gerecht past het beoordelingskader uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EU toe op het Arubaanse stelsel van ziektekostenverzekering. Dat leidt tot de volgende beoordeling.
De AZV berust op nationale solidariteit. In de Memorie van toelichting bij de Lazv staat dat een doelstelling van de ziektekostenverzekering is: “Een voor iedereen gelijke toegankelijkheid van gezondheidszorg, ongeacht inkomen, leeftijd en ziekterisico.”
Deze doelstelling is ten uitvoer gelegd bij de aanduiding van de verzekerden: de inwoners van Aruba zijn verplicht verzekerd (artikel 3, eerste lid, van de Lazv). De gedachte van solidariteit komt ook terug in de wijze van financiering van de ziektekostenverzekering. Er wordt een inkomensafhankelijke premie geheven over het inkomen (artikel 38b van de Lazv). Ook inwoners zonder inkomen zijn dus verzekerd. Daarnaast is er een bestemmingsheffing voor ondernemers. Zij betalen een heffing over de invoer van goederen en bedrijfsomzetten (Landsverordening bestemmingsheffing AZV). Omdat tegenover deze bestemmingsheffing niet direct prestaties staan, betekent dit dat de bestemmingsheffing een beroep doet op de solidariteit van ondernemers. Het Land draagt via de algemene middelen bij aan het verschil tussen inkomsten en kosten van het Algemeen Fonds Ziektekosten (artikel 38p van de Lazv).
Ook is de solidariteitsgedachte uitgewerkt in de aanspraken. De aanspraken op zorg zijn bij wet bepaald en onafhankelijk van het betalen van premie of de hoogte van de premie (Hoofdstuk II.1 van de Lazv). Verzekerden kunnen hun aanspraken op zorg geldend maken door zich te wenden tot een zorgaanbieder (Hoofdstuk II.2 van de Lazv). UOAZV vergoedt de kosten aan de zorgaanbieder. Verzekerden hoeven de kosten niet eerst zelf te betalen.
De wetgever ziet de verzekering tegen ziektekosten als een overheidstaak en heeft geen concurrentie op de markt voor ziektekostenverzekeringen willen toestaan. In de Memorie van toelichting bij de AZV staat hierover dat “gezondheidszorg zich niet [leent] voor overwegend op commercie gebaseerde uitgangspunten, vrije marktverhoudingen en een prijsvorming die gebaseerd is op het ongecontroleerde spel van vraag en aanbod”. Deze gedachte heeft ertoe geleid dat de verzekering bij de AZV verplicht is. Er is geen ruimte voor particuliere verzekeringen (artikel 9 van de Lazv). Particuliere verzekeringen voor inwoners zijn alleen mogelijk voor aanspraken die niet in het AZV-pakket zijn opgenomen (aanvullende verzekering).
De taken van UOAZV zijn bij wet geregeld. UOAZV zelf is een publiekrechtelijk rechtspersoon die ook bij wet is geregeld (artikel 2, tweede lid, van de Lazv). UOAZV heeft geen winstoogmerk. Er bestaat een overwegende overheidsinvloed op de uitvoering door UOAZV van de ziektekostenverzekering. UOAZV kan op geen enkele wijze de hoogte van de premie of het niveau van de prestaties beïnvloeden. De premie en de aanspraken op zorg worden bij landsbesluit vastgesteld (artikel 38c van de Lazv). De premie wordt door de belastingdienst geheven en aan het Fonds afgedragen (artikel 38e van de Lazv). Benoeming en ontslag van bestuurders en de raad van commissarissen van UOAZV geschiedt door de minister (artikelen 27 en 28 van de Lazv). De raad van commissarissen oefent toezicht uit op rechtmatige en doelmatige uitvoering (artikel 27 van de Lazv). Bij Landsbesluit zijn vereisten gesteld aan de overeenkomsten die UOAZV afsluit met zorgverleners (Landsbesluit criteria AZV-overeenkomsten). UOAZV dient gesloten overeenkomsten met zorgverleners ter kennis te brengen van de minister (artikel 39, vijfde lid, van de LAZv). De minister kan de nietigheid van overeenkomsten inroepen bij het gerecht (artikel 42 van de Lazv).
Op grond van bovenstaande kenmerken van de AZV oordeelt het gerecht dat UOAZV een zuiver sociaal doel dient en dat de activiteiten van UOAZV als uitvoerder van de Lazv geen economische activiteiten zijn.
De inkoop van laboratoriumdiensten via privaatrechtelijke overeenkomsten op de markt van aanbieders maakt niet dat UOAZV voor deze activiteiten wel als ondernemer moet worden aangemerkt. Het aangaan van deze overeenkomsten doet UOAZV ter uitvoering van haar wettelijke taak. Artikel 39 van de Lazv verplicht UOAZV zorg in te kopen om de verzekerden in staat te stellen hun aanspraken op zorg geldend te maken bij zorgaanbieders. De inkoop van zorg maakt daarmee een essentieel onderdeel uit van de op nationale solidariteit berustende zorgverzekering en kan daar niet los van worden gezien. Of de inkoop van diensten een economisch karakter heeft, is bepalend waarvoor de diensten worden aangewend na inkoop. De laboratoriumdiensten worden door UOAZV ingekocht voor activiteiten die geen economisch karakter hebben, namelijk het geldend maken van aanspraken op grond van een sociale ziektekostenverzekering. Daarom heeft de inkoop van laboratoriumdiensten ook geen economisch karakter. Dat UOAZV de laboratoriumdiensten niet zelf aan haar verzekerden verstrekt, maar zij haar verzekerden de gelegenheid biedt daarvan gebruik te maken bij zorgaanbieders, maakt dit niet anders.
UOAZV heeft geen wettelijke bevoegdheid de hoogte van tarieven vast te stellen die zij betaalt voor laboratoriumdiensten. De tarieven komen tot stand door het sluiten van privaatrechtelijke overeenkomsten met onder andere Medlab. Onder 8.8 is vastgesteld dat deze inkoop geen economisch karakter heeft. Dat UOAZV bij de inkoop van laboratoriumdiensten, zoals Medlab stelt, een dominante positie heeft tegenover wederpartijen en feitelijk de tarieven bepaalt, is voor dat oordeel niet van betekenis. Omdat UOAZV geen onderneming is in de zin van de Mv, onttrekt het gedrag van UOAZV bij het sluiten van zorgovereenkomsten zich aan het toezicht van AFTA.
De conclusie is dat UOAZV voor de activiteiten die zij verricht ter uitvoering van de AZV, geen onderneming is in de zin van artikel 1.1 van de Mv. De hiertegen gerichte beroepsgrond van Medlab slaagt niet.
Overige beroepsgronden
De beroepsgrond dat de bestreden beschikking onzorgvuldig is voorbereid en geen dragende motivering bevat, slaagt niet. In wat Medlab in bezwaar heeft aangevoerd was voor AFTA geen reden gelegen nader onderzoek te doen of de bestreden beschikking anders te motiveren.
Medlab heeft aangevoerd dat zij in bezwaar gehoord had moeten worden over de verwijzing die in de bestreden beschikking is gemaakt naar het Landspakket. Deze beroepsgrond slaagt niet. De verwijzing naar het Landspakket is van ondergeschikte betekenis en niet dragend voor de bestreden beschikking. Er bestond geen reden voor AFTA om Medlab in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.
Wat partijen verder hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.
Conclusie
Het beroep van Medlab is ongegrond. AFTA heeft het handhavingsverzoek terecht afgewezen.
Kosten
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 oktober 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.