ECLI:NL:OGEAA:2026:251

ECLI:NL:OGEAA:2026:251

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer AUA202600776
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Appellante heeft diverse artikelen voor haar winkel ten invoer aangegeven. Een aantal goederen is door de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen aangehouden. Nu het invoerverbod van artikel 2 van de Lvmp betrekking heeft op bepaalde plastic producten die bestemd zijn voor eenmalig gebruik, is de vraag of de onderhavige goederen daadwerkelijk als zodanig moeten worden aangemerkt van wezenlijk belang voor de rechtmatigheid van de aanhouding. Het beroep is gegrond. Het gerecht zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerder dient het bezwaar alsnog inhoudelijk te beoordelen en gemotiveerd te beslissen of de aanhouding van de goederen, gelet op het toepasselijke wettelijke kader en hetgeen appellante heeft aangevoerd, in stand kan blijven.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

de naamloze vennootschap

DYON CENTER N.V.,

gevestigd in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

gericht tegen:

DE DIRECTEUR VAN HET DEPARTAMENTO DI ADUANA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. A.F.J. Caster (DWJZ).

INLEIDING

Bij beschikking van 12 augustus 2024 is appellante meegedeeld dat de door haar op het aangiftedocument van 5 maart 2024 aangegeven plastic artikelen (de goederen) aangehouden zullen blijven, omdat de invoer daarvan verboden is.

Appellante heeft hiertegen op 5 september 2024 bezwaar gemaakt.

Bij beslissing op bezwaar van 8 oktober 2024 (de bestreden beslissing) heeft de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen deze beslissing op 28 oktober 2024 beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft op 23 december 2024 een verweerschrift met producties ingediend.

Het beroep is op de zitting van 10 juli 2025 door de belastingrechter behandeld. Namens appellante is niemand verschenen. Namens de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen zijn [medewerker 1] en [medewerker 2] verschenen.

Bij uitspraak van 12 maart 2026 heeft de belastingrechter zich onbevoegd verklaard om te oordelen over de vraag of de invoer van de goederen verboden is en het beroep voor het overige ongegrond verklaard (ECLI:NL:OGEAA:2026:115). Het gerecht heeft geoordeeld dat tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur beroep moet worden ingesteld bij de bestuursrechter. Het gerecht heeft het beroepschrift van appellante doorgestuurd naar de bestuursrechter van het gerecht.

Op 30 juni 2026 heeft verweerder (wederom) een verweerschrift met producties ingediend.

Het beroep is vervolgens op de zitting van 2 september 2026 behandeld. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van de heer [directeur van appellante] (directeur) en de heer [zoon van de directeur] (zoon van de directeur). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [medewerker 1] en [medewerker 2].

De uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Waarover gaat deze zaak?

Appellante heeft op 5 maart 2024 diverse artikelen voor haar winkel ten invoer aangegeven. Een aantal goederen is door de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen aangehouden. Bij brief van 8 augustus 2024 heeft appellante de Inspecteur verzocht om de goederen vrij te geven.

Bij beschikking van 12 augustus 2024 is heeft verweerder appellante laten weten dat de aangegeven goederen niet zullen worden vrijgegeven, omdat het gaat om goederen waarvan de invoer verboden is. In die beschikking is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

“In uw brief geeft u aan dat het cargobedrijf uw klant heeft geïnformeerd dat de goederen in beslag zijn genomen. Hierop wil ik u berichten dat de constaterende ambtenaar (..) de heer (…) heeft geïnformeerd dat de goederen zullen worden aangehouden o.g.v. artikel 223 juncto artikel 224 van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer, voor verder onderzoek. De goederen zijn in dit geval dus niet inbeslaggenomen zoals door uw klant wordt gesteld, maar aangehouden voor verder onderzoek door de douane.

(…)

Ter bescherming van het milieu in Aruba heeft de regering van Aruba de invoer van bepaalde goederen verboden. Dit verbod is vastgelegd in de Landsverordening verbod voor het milieu schadelijke producten. (…) In artikel 2 lid 1 van de Landsverordening verbod voor het milieu schadelijke producten worden de producten genoemd die naar hun aard bestemd zijn voor eenmalig gebruik en die opgenomen zijn in Bijlage I, delen A en B verboden in te voeren.

(…)

Bijlage I van deel A (…) verwijst naar “van plastic vervaardigde” onder andere bestek (…) en bekers (…)

Op vrijdag 9 augustus jl. werd contact opgenomen met de Directie Natuur en Milieu om nadere oordeel op de goederen in kwestie te verkrijgen. De DNM bevestigt dat de betreffende goederen beschouwd moeten worden als “fancy, single use plastics” producten. Deze producten vallen hierdoor onder de producten die naar aard bestemd zijn voor eenmalig gebruik (...) en derhalve verboden zijn in te voeren.

Tot slot wordt u geïnformeerd dat de goederen aangegeven op [nummer 1] van 5 maart 2024 (…) en die genoemd worden in eerder genoemde Bijlage I, A en B van de Landsverordening (…) aangehouden zullen blijven aangezien deze goederen verboden zijn in te voeren.”

Bij bestreden beslissing van 8 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van appellante van 5 september 2024 gericht tegen de beschikking van 12 augustus 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Hierin staat - voor zover van belang - de volgende opgenomen:

“(…)

Wij delen u mede dat zowel uw bezwaar als uw verzoek niet-ontvankelijk is verklaard. De reden hiervoor is dat de DDA niet het daartoe bevoegde bestuursorgaan is om geschillen te behandelen die voortvloeien uit de bepalingen van de Landsverordening verbod voor het milieu schadelijke producten (AB 2019 no. 67).

(…).”

Daartegen richt zich het onderhavige beroepschrift.

Wat zijn de standpunten van partijen?

Appellante stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat verweerder haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert zij aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij zich niet tot de Douane, maar tot de bevoegde instantie had moeten wenden, zonder daarbij aan te geven welke instantie daarmee wordt bedoeld. Volgens appellante volgt uit artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening verbod voor het milieu schadelijke producten (Lvmp) dat de Douane juist is aangewezen als toezichthoudende instantie bij de invoer van goederen. Het is ook de Douane die zelfstandig heeft besloten de goederen bij invoer aan te houden en aangehouden te houden. Van een schriftelijke beslissing van een andere bevoegde instantie is niet gebleken. Nu appellante juist opkomt tegen de aanhouding van de goederen door de Douane, had verweerder haar bezwaar volgens haar ontvankelijk moeten verklaren. Indien verweerder zich niet bevoegd achtte om op het bezwaar te beslissen, had hij dit moeten doorzenden aan de volgens hem wel bevoegde instantie, hetgeen niet is gebeurd.

Wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak voert appellante aan dat artikel 97, aanhef en onder c, van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer (Liud) de Douane geen bevoegdheid verleent om goederen aan te houden, laat staan deze voor onbepaalde tijd aangehouden te houden. Een invoerverbod brengt volgens appellante bovendien niet met zich dat het bezit van de goederen verboden is. Verweerder had haar daarom in de gelegenheid moeten stellen om over de goederen te beschikken, bijvoorbeeld om deze terug te zenden naar de fabrikant of naar een andere bestemming uit te voeren. Verder betoogt appellante dat het invoerverbod van artikel 2 van de Lvmp niet ziet op alle plastic producten, maar uitsluitend op plastic producten die bestemd zijn voor eenmalig gebruik. De onderhavige goederen vallen volgens haar niet onder dit verbod, omdat zij geschikt zijn voor herhaald gebruik. Ter onderbouwing verwijst appellante naar een schriftelijke verklaring van de fabrikant, waarin is vermeld dat de goederen zijn vervaardigd van polystyreen en met de hand kunnen worden gewassen en hergebruikt. Van een overtreding van het in de Lvmp neergelegde invoerverbod is volgens appellante dan ook geen sprake. Appellante concludeert dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven.

Verweerder stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat de bestreden beslissing op goede gronden is genomen. Daartoe voert verweerder aan dat hij op grond van artikel 97, aanhef en onder c, van de Liud bevoegd is goederen aan te houden indien het vermoeden bestaat dat de invoer daarvan in strijd is met een wettelijk invoerverbod. In dit geval bestaat het vermoeden dat de goederen vallen onder het in artikel 2 van de Lvmp neergelegde invoerverbod voor bepaalde plastic producten voor eenmalig gebruik. Volgens verweerder is de beoordeling of de goederen daadwerkelijk onder dit invoerverbod vallen, voorbehouden aan de Dienst Natuur en Milieu (DNM) die belast is met de uitvoering en handhaving van de Lvmp. Verweerder beschikt niet over de vereiste deskundigheid en heeft evenmin een zelfstandige wettelijke taak om die beoordeling te verrichten. Zijn bevoegdheid beperkt zich tot het toezicht op de invoer van goederen en het treffen van de daarmee samenhangende maatregelen. Nu de DNM na onderzoek heeft geconcludeerd dat de goederen moeten worden aangemerkt als plastic producten voor eenmalig gebruik als bedoeld in artikel 2 van de Lvmp, kon verweerder volgens hem niet tot vrijgave daarvan overgaan.

Voor zover het gerecht van oordeel is dat verweerder wel bevoegd was om zelfstandig te beoordelen of de goederen onder het invoerverbod vallen, stelt verweerder zich daarnaast op het standpunt dat de goederen terecht niet zijn vrijgegeven. Uit de beoordeling van de DNM volgt immers dat de goederen van plastic zijn vervaardigd en naar hun aard bestemd zijn voor eenmalig gebruik, zodat de invoer daarvan op grond van artikel 2 van de Lvmp verboden is. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Wat zegt de wet?

Ingevolge artikel 2 van de Lvmp is de invoer, vervaardiging, verkoop of gratis aanbieding van de producten die vervaardigd zijn van plastic of polystyreen, die naar hun aard bestemd zijn voor eenmalig gebruik, en die zijn opgenomen in Bijlage I, Delen A en B, verboden.

Ingevolge artikel 3, eerste lid van de Lvmp zijn de douaneambtenaren belast met het toezicht op de invoer. De bevoegdheden van de ambtenaren en personen die belast zijn met de toezichthoudende taken zijn geregeld in de tweede, derde en vierde lid van dit artikel.

Ingevolge artikel 97, sub c, van de Liud is het verboden goederen, waarvan de vrije in-, uit- en doorvoer bij of krachtens landverordening verboden is, in te voeren.

Ingevolge artikel 223, eerste lid, van de Liud kunnen goederen waarvan de invoer verboden is door de douaneambtenaren worden aangehouden. Ingevolge artikel 224, vierde lid, van de Liud kunnen goederen die zijn aangehouden, door douaneambtenaren in bewaring worden gesteld.

Wat vindt het gerecht?

Het gerecht stelt allereerst vast dat de directeur van het Departamento di Aduana in deze procedure als verweerder dient te worden aangemerkt. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de directeur de bestreden beslissing voor zijn rekening neemt. Het gerecht zal de directeur daarom als verweerder aanmerken.

Het gerecht ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe dient allereerst te worden beoordeeld of de aanhouding van de goederen door de Douane berust op de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat.

Ter zitting heeft het gerecht verweerder uitdrukkelijk gevraagd of de aanhouding van de goederen heeft plaatsgevonden op grond van een bestuursrechtelijke bevoegdheid dan wel moet worden aangemerkt als een feitelijke handeling. Verweerder heeft daarop verklaard dat sprake is van een feitelijke handeling die berust op een bij wet toegekende bevoegdheid. Naar het oordeel van het gerecht volgt hieruit dat de aanhouding van de goederen niet uitsluitend als een feitelijke handeling kan worden beschouwd, maar berust op de uitoefening van een aan verweerder toegekende publiekrechtelijke bevoegdheid. Deze bevoegdheid is neergelegd in de artikelen 223, eerste lid en 224, vierde lid, van de Liud. Op grond van deze bepalingen hebben douaneambtenaren de bevoegdheid goederen aan te houden en in bewaring te stellen. De omstandigheid dat aan die bevoegdheidsuitoefening feitelijke handelingen zijn verbonden, doet daaraan niet af. De beslissing om de goederen aan te houden en aangehouden te houden, heeft immers tot gevolg dat appellante niet vrijelijk over de door haar ingevoerde goederen kan beschikken. Daarmee bevat de brief van 12 augustus 2024, waarmee appellante van deze beslissing in kennis is gesteld. een op rechtsgevolg gerichte beslissing die vatbaar is voor bezwaar. Verweerder heeft het bezwaar van appellante dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het gerecht volgt verweerder evenmin in zijn standpunt dat de beoordeling of de goederen onder het invoerverbod van artikel 2 van de Lvmp vallen, uitsluitend aan de DNM is voorbehouden. Daarbij is van belang dat de belastingrechter in zijn uitspraak van 12 maart 2026, onder 4.9, reeds heeft overwogen dat de bevoegdheid om te beslissen of sprake is van goederen waarvan de invoer verboden is, bij de Douane berust. Volgens die uitspraak kan noch uit de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen, noch uit de memorie van toelichting worden afgeleid dat deze beslissingsbevoegdheid bij de DNM ligt.

Het gerecht onderschrijft dit oordeel. Dat de DNM beschikt over de specifieke deskundigheid om te beoordelen of bepaalde goederen onder het in de Lvmp neergelegde invoerverbod vallen, betekent niet dat daarmee ook de bevoegdheid om over de aanhouding van die goederen te beslissen bij de DNM berust. Verweerder mag zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheid laten adviseren door de DNM en mag in beginsel afgaan op de deskundigheid van die dienst. Dit laat echter onverlet dat verweerder zelf verantwoordelijk blijft voor zijn beslissing om goederen al dan niet aan te houden of aangehouden te houden. Verweerder kan zich dan ook niet aan toetsing van die beslissing door het gerecht onttrekken door zich op het standpunt te stellen dat de beoordeling van de goederen aan de DNM is voorbehouden.

Het voorgaande betekent dat verweerder de bezwaren van appellante tegen de aanhouding van de goederen inhoudelijk en zorgvuldig moet beoordelen. Daarbij dient verweerder na te gaan of het advies van de DNM zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is onderbouwd. Van belang is dat appellante heeft betwist dat de goederen bestemd zijn voor eenmalig gebruik. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een verklaring van de fabrikant overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat de goederen van polystyreen zijn gemaakt en met de hand kunnen worden gewassen en hergebruikt. Naar het oordeel van het gerecht kan verweerder niet zonder nadere beoordeling aan deze verklaring voorbijgaan.

Nu het invoerverbod van artikel 2 van de Lvmp betrekking heeft op bepaalde plastic producten die bestemd zijn voor eenmalig gebruik, is de vraag of de onderhavige goederen daadwerkelijk als zodanig moeten worden aangemerkt van wezenlijk belang voor de rechtmatigheid van de aanhouding. Verweerder dient daarom, zo nodig na het inwinnen van nader advies bij de DNM, te onderzoeken of de goederen, mede gelet op hun aard, eigenschappen en de door appellante overgelegde verklaring van de fabrikant, onder het wettelijke invoerverbod vallen. Daarbij dient verweerder de door appellante aangevoerde argumenten kenbaar in zijn beoordeling te betrekken en de uitkomst daarvan deugdelijk te motiveren. De enkele bevestiging van de DNM dat het gaat om “fancy, single use plastics” producten, is in ieder geval niet voldoende voor de conclusie dat de producten “naar hun aard bestemd zijn voor eenmalig gebruik” als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Lvmp. Dit standpunt van de DNM is niet onderbouwd en er blijkt niet uit dat de door appellante aangevoerde argumenten en verstrekte documenten zijn betrokken,

CONCLUSIE

6. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het gerecht zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij dient verweerder het bezwaar alsnog inhoudelijk te beoordelen en gemotiveerd te beslissen of de aanhouding van de goederen, gelet op het toepasselijke wettelijke kader en hetgeen appellante heeft aangevoerd, in stand kan blijven.

7. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van appellante, die begroot worden op Afl. 1.400,- aan rechtskundig bijstand. Het gerecht zal voorts gelasten dat het door appellante gestorte griffierecht wordt terugbetaald.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar van 8 oktober 2024;

- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellant van 5 september 2024;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellante voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-;

- gelast dat het door appellante gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan haar wordt terugbetaald.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 oktober 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.J.A.M. van Brussel

Griffier

  • mr. A.A. Wever

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand