Beschikking van 7 januari 2026
Behorend bij AUA202502085
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[Verzoeker],
te Aruba,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: de advocaat mr. R.J. Kock,
waarbij als belanghebbenden worden aangemerkt:
1. DE PUBLIEKRECHTELIJKE RECHTSPERSOON HET LAND ARUBA,
te Aruba,
belanghebbende, hierna ook te noemen: het Land,
2. [Belanghebbende 1],
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Aruba,
3. [Belanghebbende 2],
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Aruba,
4. (MOGELIJKE) ANDERE BELANGHEBBENDEN,
zonder bekende woon-of verblijfplaats binnen of buiten Aruba.
1. DE VERDERE PROCEDURE
Op 18 juli 2025 gaf het Gerecht een beschikking in deze zaak. Het Gerecht heeft in deze beschikking overwogen dat het er alle schijn van heeft dat in deze zaak geen sprake is van een langdurig onverdeelde gemeenschap als bedoeld in artikel 3:200a BWA. Erflater is immers “pas” in 2006 overleden, en uit de stamboom van Censo blijkt dat erflater maar drie kinderen had, waarvan [verzoeker] er één is. [Verzoeker] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vragen welke moeite hij heeft gedaan om zijn halfbroers op te sporen en wat het perceel waard is (zodat kan worden beoordeeld of de waarde van de aandelen van de deelgenoten in het perceel zeer gering is, zoals [verzoeker] stelt). Ook is hij in de gelegenheid gesteld zijn verzoek te wijzigen in een vordering tot verdeling of machtiging tot verkoop van het onroerend goed. Overwogen is dat een 3:200a-procedure geen “shortcut” is om tot een snelle en goedkope verdeling te komen.
Vervolgens heeft het Gerecht ontvangen:
de akte uitlating van [verzoeker] van 17 september 2025;
de e-mail van mr. Kock van 26 september 2025.
Vervolgens is bepaald dat een beschikking zal worden gegeven.
2. DE VERDERE OVERWEGINGEN
Het Gerecht is van oordeel dat [verzoeker] de verkeerde juridische insteek heeft gekozen. Het Gerecht legt dat hierna uit.
Een procedure als bedoeld in de artikelen 3:200a e.v. BWA is bedoeld voor uitzonderlijke situaties. Het gaat dan om gevallen waarin een nalatenschap zo lang onverdeeld is gebleven, dat er zo veel deelgenoten zijn, dat die onmogelijk allemaal kunnen worden opgespoord en bovendien het aandeel van de verschillende deelgenoten in de gemeenschap verwaarloosbaar klein is. Daarvan is in dit geval geen sprake: er zijn (voor zover bekend) slechts drie deelgenoten en uitgaande van de (door [verzoeker] overigens zonder onderbouwing gestelde) waarde van zo’n Afl. 54.000,- is de waarde van ieders aandeel niet zeer gering. Bovendien geldt volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof dat een procedure op de voet van artikel 3:200a BW niet kan worden gevolgd als verkoop wordt beoogd. Dat is wel wat [verzoeker] wil bereiken: uit het verzoekschrift blijkt dat [verzoeker] het perceel niet zelf wil gaan bewonen, maar dat hij het wil overdragen aan [koper].
Verzoeker] stelt zich nog op het standpunt dat het voeren van een “normale” procedure te veel geld kost, omdat hij dan kosten moet maken voor het laten oproepen van “tientallen” deelgenoten en het laten opmaken van een verklaring van erfrecht. Dat kan het Gerecht niet plaatsen. Uit de stamboom van Censo, die [verzoeker] heeft overgelegd, blijkt dat erflater (in ieder geval op dat moment) drie kinderen had. Omdat de drie kinderen nog relatief jong zijn (ze zijn geboren in 1976, 1978 en 1984) ligt het niet voor de hand dat de groep deelgenoten inmiddels tot grote omvang is gegroeid. Bovendien lijkt [verzoeker] over het hoofd te zien dat een procedure op de voet van artikel 3:200a BWA ook niet goedkoop is: zo moet alleen al een voorschot van Afl. 2.000,- worden betaald voor de kosten van publicatie van de oproep en de uiteindelijke beslissing. Hoe dan ook is geen sprake van een situatie dat de kosten van het voeren van een “normale” procedure tot verdeling niet opwegen tegen de baten daarvan, voor welke situatie de procedure voor langdurig onverdeelde gemeenschappen is bedoeld.
Dat volgens [verzoeker] zijn halfbroers niet kunnen worden opgespoord, zoals in de e-mail van mr. Kock van 26 september 2025 wordt betoogd, overtuigt evenmin. Voor zo’n situatie is immers bepaald dat gedaagden in een procedure openbaar worden opgeroepen.
Kortom: het verzoek kan niet worden toegewezen, omdat geen sprake is van een langdurig onverdeelde gemeenschap in de zin van artikel 3:200a BWA.
Het Gerecht heeft [verzoeker] in de beschikking van 18 juli 2025 in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek te wijzigen in een vordering tot verdeling en/of machtiging tot verkoop. Van die gelegenheid heeft [verzoeker] geen gebruik gemaakt (ook niet bij wijze van subsidiair standpunt). Om die reden zal het verzoek worden afgewezen.
3. DE UITSPRAAK
De rechter in dit Gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2026, in aanwezigheid van de griffier.