Vonnis in kort geding van 5 februari 2026
Behorend bij AUA202504179 KG
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PRINCESS LEISURE ARUBA V.B.A.,
te Aruba,
eiseres,
hierna ook te noemen: Princess,
gemachtigde: de advocaat mr. R.A. Wix,
tegen:
de naamloze vennootschap
RBC ROYAL BANK (ARUBA) N.V.,
te Aruba,
gedaagde,
hierna ook te noemen: RBC,
gemachtigde: de advocaat mr. M.L.J.J.P. Willems.
1. DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 9, ingediend op 18 december 2025;
- de door RBC ingediende producties 1 en 2;
- de door Princess ingediende producties 10 tot en met 13 en A tot en met J;
- de pleitnota van de zijde van Princess;
- de pleitnota van de zijde van RBC;
- de mondelinge behandeling op 15 januari 2026.
De zaak is op 15 januari 2026 vanwege de onderlinge samenhang gelijktijdig behandeld met de bij dit Gerecht aanhangige zaken tussen Princess en Caribbean Mercantile Bank N.V. (hierna: CMB) met nummer AUA202504178KG en Princess en Aruba Bank N.V. (hierna: Aruba Bank) met nummer AUA202600011KG. Voor deze zaak is namens Princess verschenen de heer [directeur], bijgestaan door mr. Wix voornoemd, mr. V.S. Perše, mr. R.A.M. van de Velde en mr. G.F. Croes. Namens RBC is verschenen mr. Willems voornoemd. Partijen hebben het woord gevoerd en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. DE FEITEN
Princess maakt deel uit van de Princess International Group, die wereldwijd casino’s, hotels en restaurants exploiteert. De Ultimate Beneficial Owner (hierna: UBO) van de Princess International Group is de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]).
Bij ministeriële beschikking van 11 oktober 2023 (hierna: de ministeriële beschikking) is aan Natura Development N.V. (hierna: Natura) een vergunning verleend tot de exploitatie van hazardspelen in het hotel Embassy Suites Aruba by Hilton Resort & Casino in Noord, Aruba (hierna: het Embassy hotel).
In de ministeriële beschikking is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“ Exploitatie
2. De vergunning is persoonlijk en niet voor overdracht vatbaar.
De feitelijke exploitatie van hazardspelen dient te geschieden door een naar het oordeel van de Minister te goeder naam en faam bekendstaande natuurlijk persoon, nader te noemen ‘casino-operator’, die in het bezit dient te zijn van een schriftelijke toestemming van de Minister om als zodanig te kunnen optreden. (…)
Van de tussen de vergunninghoudster en de casino-operator te sluiten overeenkomst, verder te noemen ‘casino-contract’, dient vooraf een concept aan de Minister, door tussenkomst van de Dienst, ter goedkeuring te worden voorgelegd.
(…)
De vergunninghoudster is verantwoordelijk voor het nakomen van de voorwaarden en waarborgen aan deze vergunning verbonden.
De vergunninghoudster blijft te allen tijde volledig aansprakelijk ingeval van niet naleving van de uit de vergunning voortspruitende verplichtingen (…)”
Natura en Princess zijn een samenwerking aangegaan, in die zin dat Princess het casino in het Embassy Hotel zal exploiteren.
Op 8 januari 2025 heeft een door Princess ingehuurde compliance-deskundige, Compliance & Forensic Services Caribbean (hierna: CFSC) RBC verzocht om ten behoeve van Princess een zakelijke bankrekening te openen.
Bij e-mail van 9 januari 2025 heeft RBC daarop als volgt gereageerd:
“Unfortunately Casino’s do not fall within our risk appetite and therefore we are unable to assist.”
Bij emailbericht van 27 februari 2025 heeft de gemachtigde van Princess RBC verzocht om haar beslissing te herzien.
Op 28 februari 2025 heeft RBC in reactie daarop het volgende medegedeeld:
“We write to respond to your email dated February 27, 2025 which we have reviewed in depth. In response, please be advised that we maintain our preference to not enter into a banking relationship with your client.”
Bij brief van 23 juli 2025 heeft de Minister van Justitie, Integratie en Openbaar Vervoer (hierna: de Minister) aan Natura het volgende medegedeeld:
“Naar aanleiding van uw verzoek van 19 juli 2024 en uw aanvullend verzoek van 13 mei 2025, inzake bovengenoemd onderwerp, deel ik u het volgende mede.
Conform artikel 3.1 van de casinovergunning verleend aan Natura Development N.V. bij ministeriële beschikking met kenmerk (…) afgegeven op 23 oktober 2023, wordt aan de heer [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1955 in Aruba, toestemming verleend om op te treden als casino-operator van het casino gevestigd in het hotel Embassy Suites Aruba by Hilton Resort & Casino.
Tevens wordt u geïnformeerd dat er geen bezwaren bestaan tegen de inhoud van het door u, ingevolge artikel 3.2 van de casinovergunning, overgelegde casino-contract.”
Op 26 juli 2025 heeft Princess een casino geopend in het Embassy hotel (hierna: het casino).
3. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Princess vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. RBC te bevelen om binnen twee (2) werkdagen na betekening van dit vonnis het onboarding- en cliëntenonderzoek ten behoeve van Princess aan te vangen en Princess volledig en schriftelijk te informeren over alle informatie en documentatie die voor dat onderzoek noodzakelijk is;
b. RBC te bevelen om, na ontvangst van alle door haar redelijkerwijs verlangde informatie en documentatie, het cliëntenonderzoek voortvarend en zonder onnodige vertraging uit te voeren en binnen veertien (14) dagen af te ronden;
c. RBC te bevelen om, na afronding van het cliëntenonderzoek en bij gebreke van concrete, objectief verifieerbare en zwaarwegende weigeringsgronden, binnen twee (2) werkdagen een AWG-bankrekening ten behoeve van Princess te openen en open te houden, onder de gebruikelijke voorwaarden en tegen een gebruikelijk tarief;
d. te bepalen dat RBC een dwangsom verbeurt van Afl. 5.000,- per dag, of een gedeelte daarvan, voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het onder a, b en/of c bepaalde te voldoen, met een maximum van Afl. 250.000,-;
e. RBC te veroordelen in de proceskosten.
Princess legt aan haar vorderingen – kort samengevat – het volgende ten grondslag. RBC handelt in strijd met de op haar rustende zorgplicht door Princess zonder enige motivering categorisch van het betalingsverkeer uit te sluiten, en daarmee onrechtmatig jegens Princess. RBC heeft geen gegronde reden om een bankrelatie met Princess te weigeren. Zonder bankrekening kan Princess haar bedrijfsvoering niet op een rechtmatige en veilige manier voortzetten. Princess heeft er daarom belang bij dat RBC wordt bevolen om ten behoeve van haar een cliëntenonderzoek uit te voeren en een bankrekening voor Princess te openen, als uit het cliëntenonderzoek geen zwaarwegende weigeringsgronden naar voren komen.
RBC heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Princess.
Het Gerecht zal hierna, waar nodig, op de standpunten van partijen ingaan.
4. DE BEOORDELING
Het spoedeisend belang van Princess vloeit voort uit de aard van haar vorderingen en de daaraan door haar ten gronde gelegde stellingen.
Ter beantwoording ligt voor of RBC kan worden gehouden een cliëntenonderzoek ten behoeve van Princess te verrichten en of zij, indien daaruit geen zwaarwegende weigeringsgronden naar voren komen, kan worden verplicht voor Princess een bankrekening te openen. RBC verzet zich daartegen en voert aan dat casino’s een onevenredig groot reputatierisico met zich brengen, alsmede extra intensieve (controle)werkzaamheden en de daaraan gerelateerde kosten voor een bank. Volgens RBC bestaat een reëel risico op witwassen door stortingen van grote bedragen aan contant geld, zonder dat de herkomst van dat geld herleidbaar is. RBC voert verder onder meer aan dat haar relaties met de correspondent banken onder druk zal komen te staan indien zij Princess aanneemt als klant.
Het Gerecht stelt het volgende voorop. Banken zijn in beginsel vrij om te kiezen met wie zij een overeenkomst tot het ter beschikking stellen van een bankrekening aangaan. De contractsvrijheid van banken is echter, hoewel fundamenteel en zwaarwegend, niet onbegrensd. Bij de begrenzing van de contractsvrijheid voor banken is onder meer van belang dat de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht meebrengt ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoren te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Gelet op deze maatschappelijk functie en de daaruit voortvloeiende op een bank rustende bijzondere zorgplicht kan een bank onder omstandigheden worden verplicht een bankrelatie aan te gaan met een rechtspersoon, door aan die rechtspersoon een bankrekening aan te bieden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en een bedrijf te exploiteren zonder te beschikken over een betaalrekening bij een bank. Banken kunnen een gerechtvaardigd belang hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s en dit belang kan eraan in de weg staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden. Waartoe de bijzondere zorgplicht van de bank uiteindelijk verplicht, hangt af van de specifieke omstandigheden van het individuele geval.
Banken dienen maatregelen te nemen om betrokkenheid bij witwassen en terrorismefinanciering te voorkomen. De Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering (hierna: Lwtf) stelt in dat kader regels voor dienstverleners zoals banken. Uit de Lwtf vloeit onder meer voort dat een bank met betrekking tot een potentiële klant een cliëntenonderzoek dient te verrichten alvorens zij met haar een zakelijke relatie aangaat (art. 3 juncto art. 8 Lwtf). Dit dient een verscherpt cliëntenonderzoek te zijn indien en naar gelang een zakelijke relatie of transactie naar hun aard een hoger risico op witwassen of terrorismefinanciering met zich brengt (art. 11 Lwtf).
Vaststaat dat RBC, zonder een cliëntenonderzoek uit te voeren, de aanvraag van Princess voor het openen van een bankrekening heeft geweigerd met het enkele argument dat zij met het oog op haar risk appetite geen zaken doet met casino’s. Hoewel casino’s vaak als high risk worden aangemerkt en een (vanwege het door de hoge mate van inkomende contanten bestaande risico op witwassen) inherent verhoogd integriteitsrisico met zich kunnen brengen, zal naar het oordeel van het Gerecht iedere potentiële klant individueel moeten worden beoordeeld. Dat houdt in dat een gedegen onderzoek zal moeten plaatsvinden naar de vraag of inderdaad concrete en – in het licht van alle betrokken belangen – onaanvaardbare integriteitsrisico’s bestaan die maken dat een bank het aangaan van een bankrelatie mag weigeren. Het op voorhand uitsluiten van een casino als klant zonder enig daaraan voorafgaand onderzoek, enkel en alleen omdat het een casino betreft, komt neer op categorale uitsluiting, wat naar het voorlopig oordeel van het Gerecht niet is toegestaan. Tegen deze achtergrond en gelet op het evidente belang van Princess bij een bankrekening, is het Gerecht voorshands van oordeel dat RBC onzorgvuldig jegens Princess handelt door het uitvoeren van een cliëntenonderzoek ten behoeve van Princess na te laten en direct tot weigering over te gaan. RBC is daarom gehouden om ten behoeve van Princess een cliëntenonderzoek aan te vangen en uit te voeren.
RBC heeft niets aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt. Dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin een cliëntenonderzoek achterwege kan worden gelaten (zoals in art. 3b Lwtf bedoeld), is gesteld noch gebleken. Ook kan niet op voorhand worden gezegd dat RBC een ten opzichte van de belangen van Princess gerechtvaardigd en voldoende zwaarwegend belang heeft om Princess vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s als klant te weigeren (en dus dat een cliëntenonderzoek zinledig zal zijn).
RBC heeft in dit verband aangevoerd dat Princess niet de vergunninghouder is en dat onvoldoende inzicht bestaat in de juridische basis op grond waarvan Princess de exploitatie voor Natura, de vergunninghouder, ter hand kan nemen. Uit niets blijkt dat de constructie met Princess door de Minister is goedgekeurd. Ook heeft RBC aangevoerd dat de extra intensieve controlewerkzaamheden extra kosten voor de bank meebrengen, dat het gevaar bestaat van stortingen van grote contante bedragen zonder dat daarvan de herkomst herleidbaar is (hetgeen tot een onmiskenbaar groot risico van witwassen leidt) en dat zij druk van haar correspondent banken krijgt om zich niet met de bedrijfstak van Princess in te laten.
Uit de brief van de Minister van 23 juli 2025 aan Natura blijkt alleen van een goedkeuring van de Minister voor het optreden van [betrokkene 2] als casino-operator en dat geen bezwaren bestaan tegen het door Natura overgelegde casino-contract. Dat de goedkeuring is gegeven aan [betrokkene 2] als procuratiehouder van Princess en aan een overeenkomst - en daarmee aan de samenwerking - tussen Princess en Natura, blijkt daaruit niet. Dat RBC ten onrechte vraagtekens plaatst bij de juridische basis voor het handelen van Princess, kan dan ook niet zonder meer worden gezegd. Het is echter aan RBC om in het kader van het uit te voeren cliëntenonderzoek haar vragen beantwoord te krijgen en om op basis van de dan (al dan niet) verkregen antwoorden de integriteitsrisico’s en de daarmee samenhangende reputatieschade, te bezien. De gestelde extra kosten die een risicovolle potentiële klant met zich brengt, rechtvaardigen verder naar het voorlopig oordeel van het Gerecht op zichzelf niet dat Princess als klant wordt geweigerd. RBC zal daarvoor eventueel maatregelen kunnen treffen en het is vervolgens aan Princess om zich wel of niet aan die maatregelen te conformeren. Ditzelfde geldt vooralsnog voor de omstandigheid dat gevaar bestaat van stortingen van grote contante bedragen waarvan de herkomst niet goed is te bepalen. RBC zal in beginsel moeten bezien of Princess maatregelen kan treffen en/of dat voorwaarden aan de eventueel ter beschikking te stellen bankrekening kunnen worden gesteld om de risico’s tot een voor haar aanvaardbaar niveau te beperken. Voor het oordeel dat de relatie tussen RBC en haar correspondent banken door het aangaan van een zakelijke relatie met Princess a priori en daadwerkelijk op het spel wordt gezet, is tot slot in het kader van dit kort geding onvoldoende gesteld.
Anders dan RBC betoogt, heeft Princess ook een voldoende spoedeisend belang bij de verzochte, hiervoor in 3.1 onder a en b weergegeven voorzieningen in kort geding. Princess heeft tot nu toe geen bankrekening in Aruba kunnen krijgen. Princess heeft afwijzingen van CMB en Aruba Bank ontvangen en is nog in afwachting van een reactie van Banco di Caribe op een verzoek tot heroverweging van de beslissing van (ook) deze bank om geen bankrekening voor Princess te openen. Zij heeft er derhalve belang bij om binnen afzienbare tijd te weten wat een cliëntenonderzoek van RBC zal opleveren, zodat zij mogelijke vervolgstappen kan bepalen. De vorderingen als weergegeven in 3.1 onder a en b worden dan ook toegewezen.
Het Gerecht komt met betrekking tot de vordering zoals weergegeven in 3.1 onder c tot een ander oordeel. Dat wordt als volgt toegelicht. Princess vordert kort gezegd dat RBC wordt bevolen een bankrekening voor haar te openen, indien uit het cliëntenonderzoek geen concrete, objectief verifieerbare en zwaarwegende weigeringsgronden voortkomen. Deze vordering is echter onvoldoende bepaald, omdat niet duidelijk is wanneer daarvan precies sprake zal zijn. Ook kan op voorhand niet worden gezegd wat de uitkomst van het cliëntenonderzoek zal zijn, welke weigeringsgronden RBC uiteindelijk aan een mogelijke nieuwe weigering ten grondslag zal leggen en of een deugdelijke afweging van de betrokken wederzijdse belangen deze weigering al dan niet rechtvaardigt. De vordering van Princess is in zoverre dan ook prematuur en stuit reeds daarop af. Gelet hierop behoeven alle overige stellingen van partijen geen bespreking meer.
Princess vordert, zoals hiervoor in 3.1 onder d weergegeven, een dwangsom te verbinden aan de veroordeling van RBC. RBC verzet zich tegen de gevorderde dwangsom. Voor oplegging van een dwangsom ziet het Gerecht vooralsnog geen aanleiding, omdat ervan wordt uitgegaan dat RBC rechterlijke uitspraken nakomt. Vordering d wordt daarom eveneens afgewezen.
De conclusie van het voorgaande is dat RBC zal worden bevolen om ten behoeve van Princess een cliëntenonderzoek te starten binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis en dit onderzoek uit te voeren op de wijze zoals in de beslissing vermeld. Daarbij wordt van een langere termijn uitgegaan dan gevorderd, omdat Princess de gevorderde termijn niet heeft toegelicht en RBC heeft betwist dat het onderzoek binnen 14 dagen kan worden afgerond. Bij gebrek aan aanknopingspunten voor een ander oordeel, komt het Gerecht een termijn van 6 weken om het cliëntenonderzoek af te ronden, redelijk voor.
RBC zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 225,- aan oproepingskosten en Afl. 1.500,- aan salaris van de gemachtigde.
5. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
beveelt RBC om binnen twee (2) werkdagen na betekening van dit vonnis het onboarding- en cliëntenonderzoek ten behoeve van Princess aan te vangen en Princes volledig en schriftelijk te informeren over alle informatie en documentatie die voor dat onderzoek noodzakelijk is;
beveelt RBC om, na ontvangst van alle door haar verlangde informatie en documentatie, het cliëntenonderzoek uit te voeren en binnen zes (6) weken af te ronden;
veroordeelt RBC in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Princess worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 225,- aan oproepingskosten en Afl. 1.500,- aan salaris van de gemachtigde;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter in dit Gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.
---
---