ECLI:NL:OGEAA:2026:51

ECLI:NL:OGEAA:2026:51

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer AUA202600151 KG
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding

Samenvatting

Vordering om het Land te bevelen het verstekvonnis in de openbare registers in te schrijven. Afwijzing.

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 5 februari 2026

Behorend bij AUA202600151 KG

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiseres],

te Aruba,

eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

HET LAND ARUBA,

te Aruba,

gedaagde, hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan.

1. DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties 1 en 2, ingediend op 14 januari 2026;

- de door het Land ingediende producties;

- de pleitnota van de zijde van het Land;

- de mondelinge behandeling op 22 januari 2026

Tijdens de mondelinge behandeling van 22 januari 2026 zijn verschenen mr. Kock voornoemd namens [eiseres] en mr. Kaarsbaan voornoemd namens het Land. Partijen hebben tijdens de zitting het woord gevoerd en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

Bij dit Gerecht is in een procedure tussen [eiseres] als eiseres en Panama Selectassets Inc. als gedaagde op 12 november 2025 een verstekvonnis gewezen (hierna: het verstekvonnis). In het verstekvonnis is als volgt beslist:

“- verklaart voor recht dat eiseres krachtens verkrijgende verjaring (wederom) rechthebbende is geworden van het recht van erfpacht op een perceel domeingrond ter grootte van 822m3 gelegen te Westpunt, Aruba, met de zich daarop bevindende woning Esmeralda 31, kadastraal bekend als Land Aruba, Tweede Afdeling, Sectie A, nummer 809;

- bepaalt dat deze gerechtelijke uitspraak in de openbare registers kan worden ingeschreven.”

Eiseres] heeft geprobeerd om het verstekvonnis te laten inschrijven in het Kadaster. Dat is niet gelukt. Deurwaarder Roos heeft (de gemachtigde van) [eiseres] op 11 december 2025 medegedeeld dat het Kadaster heeft bevestigd dat de inschrijving via een notaris moet geschieden.

3. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres] vordert – verkort en zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het Land te bevelen om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis het verstekvonnis in de openbare registers in te schrijven opdat blijkt dat [eiseres] de eigenaar/rechthebbende is van het betrokken onroerend goed, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Afl. 1.000,- per dag dat het Land nalaat aan dit bevel te voldoen, met veroordeling van het Land in de proceskosten.

Eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De wet bepaalt uitdrukkelijk dat inschrijving van rechterlijke uitspraken mogelijk is. Dat is ook zo beslist in het verstekvonnis. Desondanks weigert het Land om het verstekvonnis in te schrijven. [Eiseres] heeft er belang bij dat het Land wordt veroordeeld om het verstekvonnis in de openbare registers in te schrijven.

Het Land heeft verweer gevoerd.

Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.

4. DE BEOORDELING

Anders dan het Land aanvoert, is het Gerecht van oordeel dat [eiseres] een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Zij stelt immers dat het verstekvonnis ten onrechte niet wordt ingeschreven, terwijl hierin uitdrukkelijk is bepaald dat dit kan. Of, zoals het Land aanvoert, daarvoor (eerst) een notariële akte is vereist, zal hierna worden beoordeeld. Dat staat er echter niet aan in de weg dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering.

Ter beantwoording ligt voor of het Land moet worden veroordeeld om het verstekvonnis in de openbare registers in te schrijven.

Eiseres] beroept zich op artikel 3:17 lid 1 BW en stelt dat het verstekvonnis op basis hiervan kan worden ingeschreven in de openbare registers. Het Land betwist allereerst de toepasselijkheid van artikel 3:17 BW. Daartoe voert het Land aan dat uit de aanhef van lid 1 van dat artikel blijkt dat de daarin genoemde feiten alleen kunnen worden ingeschreven, voor zover de wijze van inschrijving niet bij landsverordening is geregeld. En dat laatste is hier het geval, aldus het Land. Het Gerecht gaat hier niet in mee. De aanhef van artikel 3:17 lid 1 BW luidt als volgt: ‘Behalve feiten waarvan inschrijving krachtens andere bij landsverordening vastgestelde bepalingen mogelijk is, kunnen in deze registers de volgende feiten worden ingeschreven:’. Anders dan het Land betoogt, dient deze zin en in het bijzonder de term ‘behalve’ zo te worden gelezen dat naast feiten die volgens een landsverordening kunnen worden ingeschreven, ook de in artikel 3:17 lid 1 onder a tot en met k BW opgenomen feiten kunnen worden ingeschreven. Artikel 3:17 lid 1 BW betreft in zoverre dus een aanvulling op landsverordeningen die het mogelijk maken dat bepaalde feiten worden ingeschreven, en niet een uitzondering zoals het Land betoogt. Gelet hierop gaat het Gerecht voorbij aan de stellingen van het Land die erop zien dat diverse landsverordeningen voorschrijven dat voor inschrijving van eigendomsovergang in de openbare registers een notariële akte is vereist. Zoals hierna wordt uitgelegd, is dat niet altijd nodig.

In het verstekvonnis is voor recht verklaard dat [eiseres] door verkrijgende verjaring rechthebbende is geworden van het recht van erfpacht op het hiervoor in 2.1 genoemde perceel. Dat is een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van registergoederen, waaronder een recht van erfpacht, of de bevoegdheid daarover te beschikken betreft. Artikel 3:17 lid 1 aanhef en onder e BW bepaalt dat een dergelijke uitspraak onder voorwaarden kan worden ingeschreven in de openbare registers. De verkrijging door verjaring van een registergoed kan ook in de openbare registers worden ingeschreven zonder dat deze door een rechter is vastgesteld (artikel 3:17 lid 1 aanhef en onder i BW), maar dat is hier niet aan de orde nu er een rechterlijke uitspraak ligt. In het verlengde hiervan zijn ook de artikelen 34 en 37 van de Landsverordening openbare registers, waar het Land zich op beroept, niet van toepassing. De vraag is dus of het verstekvonnis voldoet aan de vereisten om op grond van artikel 3:17 lid 1 aanhef en onder e BW te kunnen worden ingeschreven in de openbare registers.

Volgens artikel 3:17 lid 1 aanhef en onder e BW kunnen rechterlijke uitspraken die de rechtstoestand van registergoederen of de bevoegdheid daarover te beschikken betreffen, worden ingeschreven mits zij (i) uitvoerbaar bij voorraad zijn of (ii) een verklaring van de griffier wordt overgelegd dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of dat hem binnen de desbetreffende termijn na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, alsmede de tegen de bovenbedoelde uitspraken ingestelde rechtsmiddelen.

De wijze waarop rechterlijke uitspraken in de openbare registers worden ingeschreven, is uitgewerkt in artikel 25 van de Landsverordening openbare registers (hierna: de Landsverordening). Lid 1 van dat artikel vermeldt dat ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak die (i) voor een akte van levering in de plaats treedt of (ii) die anderszins krachtens wetsbepaling (hier artikel 3:17 BW) kan worden ingeschreven, een expeditie van de rechterlijke uitspraak wordt aangeboden. Ook moet worden aangeboden een verklaring van de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, inhoudende ofwel dat tegen die uitspraak geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat (art. 25 lid 1 onder a en b van de Landsverordening) ofwel dat hem vier weken na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken (art. 25 lid 1 onder b van de Landsverordening). Daarnaast moet een door de deurwaarder getekend afschrift van het exploot waarbij de betekening is geschied worden aangeboden indien voor de inschrijving betekening aan de veroordeelde is vereist (art. 25 lid 1 onder c van de Landsverordening).

Het Land voert terecht aan dat het Gerecht in het verstekvonnis niet heeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van een akte tot levering, zodat van een geval als in 4.6 onder (i) bedoeld geen sprake is. Er is in het verstekvonnis enkel beslist dat de uitspraak kan worden ingeschreven in de openbare registers, en dat is iets anders dan dat het vonnis in de plaats treedt van een notariële akte. Voor zover namens [eiseres] is betoogd dat het niet anders kan dan dat het Gerecht heeft bedoeld dat het vonnis in de plaats treedt van een notariële akte, wordt daaraan voorbij gegaan. Het gaat om een verstekvonnis. In een verstekzaak wordt de vordering zonder inhoudelijke toets toegewezen, tenzij deze op het eerste gezicht onrechtmatig of ongegrond lijkt. Eventuele executieproblemen komen voor rekening en risico van de eisende partij.

Zelfs als [eiseres] zou moeten worden gevolgd in haar standpunt dat het verstekvonnis in de plaats treedt van een akte tot levering, kan dit [eiseres] niet baten. In dat geval is inschrijving van het verstekvonnis immers alleen mogelijk (onder meer) na betekening van het vonnis aan de veroordeelde en als het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan of uitvoerbaar bij voorraad is (art. 3:301 lid 1 BW), maar hiervan is niets gebleken.

Van een geval als hiervoor in 4.6 onder (ii) bedoeld is ook geen sprake. Gelet op voornoemde uitgangspunten (artikel 3:17 lid 1 aanhef en onder e BW jo artikel 25 lid 1 onder b Landsverordening) dient het verstekvonnis ofwel uitvoerbaar bij voorraad te zijn verklaard ofwel dient een verklaring van de griffier te worden overgelegd dat er geen gewoon rechtsmiddel meer tegen het verstekvonnis openstaat. Het verstekvonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Evenmin is gebleken dat [eiseres] bij het verzoek tot inschrijving van het verstekvonnis een griffiersverklaring heeft overgelegd. Bij deze stand van zaken kan het verstekvonnis op dit moment niet worden ingeschreven en bestaat er geen grond om het Land daartoe te veroordelen. De vordering van [eiseres] is dan ook niet toewijsbaar.

Eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, omdat het Land in dit geschil werd vertegenwoordigd door een in dienst van het Land zijnde ambtenaar.

5. DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van het Land worden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 februari 2026, in aanwezigheid van de griffier.

---

---

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. Brandt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?