ECLI:NL:OGEAA:2026:52

ECLI:NL:OGEAA:2026:52

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 484 van 2025
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

“Zaak Bromelia. Veroordeling verdachte t.z.v. oplichting, ambtelijke verduistering, (gewoonte)witwassen en misbruik functie in de tijd dat hij als ambtenaar werkzaam was voor de minister van OS en voor de sportsubsidiestichting SSA. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzetting van recht tot bekleden van functie van ambtenaar. In strafmaatoverwegingen is meegenomen dat de verdachte (vrijwel) het volledige uit de strafbare feiten verkregen bedrag heeft terugbetaald.”

Uitspraak

Parketnummer: P-2025/01939

Zaaknummer: 484 van 2025

Uitspraak van: 27 februari 2026

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in [woonplaats],

hierna: “de verdachte”.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 november 2025 (regiezitting) 6 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).

Ter terechtzitting waren aanwezig de officier van justitie mr. G. Visser en de raadsman van de verdachte, mr. V.A.V. Carlo, advocaat in Aruba, die namens de niet verschenen verdachte de verdediging heeft gevoerd.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd – kort gezegd – dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

De tekst van de tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht.

3. Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Bewijsoverwegingen

Standpunten over het bewijs

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.

Naar aanleiding hiervan overweegt het Gerecht als volgt.

Inleiding

Met ingang van 1 november 2021 is de verdachte benoemd in de functie van financieel medewerker afdeling sport bij het bureau van de Minister van Onderwijs en Sport (hierna “de minister”). De verdachte was daar werkzaam als begrotingscoördinator. Deze functie heeft de verdachte vervuld tot 13 september 2024.

Daarnaast was de verdachte (tegelijkertijd) met ingang van 1 oktober 2023 (enig) bestuurder van de Stichting Sportsubsidie Aruba (hierna ‘SSA’). Hij heeft deze functie vervuld tot 19 september 2024.

SSA is een non-profit organisatie die als doel heeft het stimuleren en ondersteunen van de sportontwikkeling op Aruba. De stichting beheert en verdeelt overheidssubsidies aan sportorganisaties, sportbonden en atleten die lid zijn van de Aruba Sport Unie en/of het Comite Olimpico Aruba. SSA fungeert als schakel tussen de overheid en de sportsector. Zij beoordeelt subsidieaanvragen, ziet toe op een correcte besteding van middelen en draagt bij aan een transparante en verantwoorde subsidiepraktijk. De stichting wordt geleid door maximaal drie bestuurders. Het bestuur moet werken volgens een beleidsplan dat is goedgekeurd door zowel de Raad van Toezicht (waarvan de minister drie van de vijf leden benoemt) als de minister. De bestuurder van SSA is belast met de dagelijkse leiding van de stichting. Belangrijke taken en verantwoordelijkheden zijn onder meer: uitvoering van het beleid, coördinatie van het subsidieproces, beheer van de financiële middelen en verantwoording daarover en het toezicht houden op naleving van wet- en regelgeving.

SSA keerde subsidies uit na goedkeuring van de minister. De gang van zaken was als volgt: nadat van een sportorganisatie/-bond/atleet (deze worden in dit verband ook wel ‘vendor’ genoemd) een subsidieaanvraag was binnengekomen, werd deze door het bureau van de minister behandeld. Na het accorderen van de aanvraag door de minister, werd binnen het bureau van de minister een verzoek aan SSA tot uitbetaling van de subsidie opgemaakt. Dat laatste document werd door de minister zelf ondertekend en ook werd er een zgn. ‘MinOS’-nummer op geplaatst.

De verdachte was uit hoofde van zijn functie bij het bureau van de minister belast met het opmaken van deze documenten. Die documenten moesten door de minister worden ondertekend. Niemand anders (dus ook niet de verdachte) mocht de (digitale) handtekening van de minister op deze documenten plaatsen.

In hoedanigheid van bestuurder van SSA had de verdachte vanaf (in ieder geval)

1 november 2023 tot 9 september 2024 toegang tot de bankrekening van SSA. Hij deed in die hoedanigheid ook betalingen namens SSA.

Aanleiding onderzoek

Op 19 september 2024 heeft de minister aangifte gedaan van strafbare feiten gepleegd door de verdachte. Dit naar aanleiding van bevindingen van onder meer de Raad van Toezicht van SSA. Gebleken was dat de verdachte de handtekening van de minister had vervalst en daarbij verschillende betalingen had verricht op basis van frauduleuze facturen aangaande subsidieaanvragen. Hierop volgde een aangifte d.d. 25 september 2024 door [voorzitter], de voorzitter van de Raad van Toezicht, en een nieuwe aangifte d.d. 24 oktober 2024, wederom door [voorzitter], in zijn hoedanigheid van (nieuwe) bestuurder van SSA. Ook anderen hebben aangifte gedaan met betrekking tot onregelmatigheden binnen SSA. Naar aanleiding hiervan is de Landsrecherche op verzoek van de Procureur-Generaal een strafrechtelijk onderzoek begonnen onder de naam ‘Bromelia’. In dit onderzoek wordt de verdachte thans verdacht van vier strafbare feiten.

De verdenking komt erop neer dat de verdachte

- ( feit 1) in de periode waarin hij werkzaam was voor de minister SSA heeft opgelicht door middel van valse subsidieaanvragen. Het gaat hierbij om gelden die terecht zijn gekomen op de rekeningen van (zgn.) ‘money mules’ [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en

[medeverdachte 3];

- ( (feit 2) in de periode dat hij werkzaam was voor de minister en daarnaast als bestuurder van SSA gelden heeft verduisterd door deze weg te maken naar de hiervoor genoemde personen, maar ook naar andere money mules: [medeverdachte 4], [getuige 2], en voorts naar de rekening van de verdachte zelf en die van zijn vrouw; verder heeft de verdachte volgens de verdenking gelden besteed aan de privé-aankoop van Macbooks, aan een privéreis; ten slotte zou de verdachte [bouwmarkt] giftcards van SSA voor eigen (privé-) gebruik hebben aangewend;

- ( (feit 3) zich schuldig heeft gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van de met het voorgaande gemoeide bedragen en giftcards;

- ( (feit 4) op de hiervoor kort omschreven wijze misbruik heeft gemaakt van zijn functie als ambtenaar, zowel in hoedanigheid van begrotingscoördinator bij de minister als in hoedanigheid van bestuurder bij SSA.

Schriftelijke verklaring van de verdachte

Op 3 oktober 2024 heeft de verdachte bij de Landsrecherche een schriftelijke, door hem ondertekende verklaring overgelegd.Daarin staat (onder meer) het volgende:

“Through this deeply personal confession, I, [verdachte], deeply regret my actions of mishandling, theft, and misusing my position as a board member of SSA to take the sum of AWG 158.835,00 for personal use from May 29, 2023, to August 29, 2024.

(…)

It all started on May 29, 2023, when I saw a loophole in the system and an opportunity to take some operational funds from SSA. I deeply regret this action. (…)

Once the loophole in the system was discovered, I called [medeverdachte 2] [het Gerecht begrijpt: [Medeverdachte 2] and asked him for a favor; I informed him that (…) SSA had to pay me funds but could not do it directly to my account (…) that is when I proceed to fake a signature from the minister of sport for back then the board of SSA to approve this payment, because I officially obtained the position of board of SSA on October 1 2023. The same procedure was repeated multiple times within the 15 months with [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] [Het Gerecht begrijpt: [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] [Het Gerecht begrijpt: [medeverdachte 4], and [medeverdachte 3] [Het Gerecht begrijpt: [Medeverdachte 3]]. It was the same for each.

Sending fake invoices for events (…) helped me maintain myself under the human eye. Using the minister’s signature without his knowledge helped me receive these funds in the accounts of [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] [medeverdachte 4] and [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3]. (…)

The process happened in 2023 and 2024 (…). I was in charge of controlling the budget from the office of the minister and also in charge of controlling the budget for these events in SSA. With the lack of control from the office of the minister of sport and the board of supervision of SSA, it was easy in the 15 months to obtain the funds that I collected.

As mentioned, these funds were used for personal use. (…)

To conclude my confession, I wanted to summarize the main points again; this all started in May 2023 (…). I informed the other parties that I needed their help to collect funds (…). The board of supervision and the minister of sport were not aware of it either because I was forging his signature. I take full responsibility for this matter and the whole situation.”

Money mules

[Medeverdachte 1]

Op 19 juli 2023 heeft SSA een bedrag van Afl. 6.700,- (dit bedrag wordt in de tenlastelegging onder feit 1 genoemd) betaald op de rekening van [medeverdachte 1]. Deze betaling heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een brief van de minister van 18 juli 2023, waarin SSA werd verzocht dit bedrag te betalen aan deze ‘vendor’. Gelet op de hierboven opgenomen schriftelijke verklaring van de verdachte gaat het Gerecht ervan uit dat de verdachte op deze brief een valse handtekening van de minister heeft geplaatst. Het is dus een valse brief.

In de periode vanaf 28 februari 2024 tot en met 13 augustus 2024 heeft SSA verschillende andere (de in de tenlastelegging onder feit 2 genoemde) bedragen op de rekening van [medeverdachte 1] betaald.

[Medeverdachte 1] heeft van de door SSA betaalde bedragen ad in totaal Afl. 49.200 een bedrag van Afl. 40.700,- overgeboekt naar de bankrekeningen van de verdachte. Tevens heeft [medeverdachte 1] door middel van het van SSA ontvangen bedrag een bestelling gedaan in China bij een bedrijf dat Vending machines verkoopt, dit voor een bedrag van Afl. 6.195,43.

[Medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte een bekende van hem is. De geldbedragen die [medeverdachte 1] van SSA had ontvangen zijn van de verdachte. Die had tegen [medeverdachte 1] gezegd dat hij deze bedragen, nadat [medeverdachte 1] die zou krijgen, over moest maken naar de verdachte. [Medeverdachte 1] mocht daarvan dan zelf een klein bedrag inhouden. De bestelling bij het Chinese bedrijf ad Afl. 6.195,43 heeft [medeverdachte 1] gedaan voor de verdachte: hij gaf [medeverdachte 1] de instructies om deze transactie te doen.

[Medeverdachte 2]

In de periode vanaf 29 mei 2023 tot en met 18 juli 2023 heeft SSA (de in de tenlastelegging onder feit 1 genoemde) bedragen op de rekening van [medeverdachte 2] betaald. Dit naar aanleiding van brieven van de minister waarin werd verzocht deze bedragen uit te betalen. Het betreft brieven waarop de handtekening van de minister en/of een MinOS-nummer was geplaatst. Uit de verklaring van de (destijds) minister kan worden opgemaakt dat het valse brieven zijn.

Voorts heeft SSA in de periode vanaf 19 oktober 2023 tot en met 13 augustus 2024 (de in de tenlastelegging onder feit 2 genoemde) bedragen op de rekening van [medeverdachte 2] betaald. [Medeverdachte 2] heeft van SSA in totaal een bedrag van Afl. 53.250,- ontvangen. Hiervan heeft hij een bedrag van Afl. 42.500,- direct overgeboekt naar rekeningen van de verdachte.

[Medeverdachte 2] heeft verklaard dat de verdachte een bekende van hem is. De verdachte had hem gevraagd of hij zijn bankrekening mocht gebruiken. In ruil daarvoor mocht [medeverdachte 2] een deel van het geld dat hij op zijn bankrekening kreeg gebruiken. Het ging zo in zijn werk: de verdachte stuurde een Whatsapp-bericht met de vraag of het geld al was gestort en dan appte de verdachte welk bedrag [medeverdachte 2] (aan de verdachte) moest sturen en het verschil mocht hij houden. Het restant maakte [medeverdachte 2] over op de rekening van de verdachte. [Medeverdachte 2] had geen subsidie aangevraagd.

[Medeverdachte 3]

Op 18 juli 2023, 25 juli 2023 en op 14 september 2023 heeft SSA bedragen van (respectievelijk) Afl. 3.500,-, Afl. 4.000,- en nog eens Afl. 4.000,- op de rekening van

[medeverdachte 3] betaald met (respectievelijk) de omschrijving: “Subsidie van Minister [minister] voor Dodgeball Tournament Aruba B.O.O. Stichting Sportsubsidie Aruba” (betalingen van 18 en 25 juli) en “Subsidie van Minister [minister] ivm Youth Trefbal competitie. B.O.O. Stichting Sportsubsidie Aruba” (betaling 14 sept 2023). Gelet op deze omschrijving, de schriftelijke verklaring d.d. 3 oktober 2024 van de verdachte (waarin de verdachte toegeeft dat hij de gelden van SSA heeft verduisterd door het gebruiken van een valse handtekening), en gelet op de overige vaststellingen in dit vonnis omtrent de werkwijze van de verdachte, gaat het Gerecht ervan uit dat SSA deze bedragen evenzeer heeft uitbetaald naar aanleiding van een of meer daartoe strekkende brieven van de minister met daarop een valse handtekening en/of MinOS-nummer.

Voorts heeft SSA in de periode vanaf 27 oktober 2023 tot en met 22 mei 2024 (de in de tenlastelegging onder feit 2) genoemde bedragen op de rekening van [medeverdachte 3] betaald.

SSA heeft in totaal Afl. 31.885,- op de rekening van [medeverdachte 3] betaald. Van dit bedrag is Afl. 29.400 overgeboekt naar de bankrekening(en) van de verdachte.

[Medeverdachte 3], de vriendin van [medeverdachte 2], heeft verklaard dat [medeverdachte 2] haar had gevraagd of hij haar bankrekening mocht gebruiken voor de verdachte, en om geld over te maken op de rekening van de verdachte. Voor al die transacties gold dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] een gedeelte mochten houden. [Medeverdachte 2] had de bedragen verder overgemaakt naar de rekening van de verdachte. Hij leende dan de telefoon van [medeverdachte 3] om de overschrijvingen te doen. Het grootste gedeelte (van de van SSA ontvangen gelden) was overgemaakt en de rest hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gehouden. [Medeverdachte 3] had geen relatie met SSA.

[Medeverdachte 4]

SSA heeft op 12 en 29 augustus 2024 bedragen van respectievelijk Afl. 10.000,- en

Afl. 3.500,- betaald op de rekening van [medeverdachte 4]. Kort nadat de bedragen door [medeverdachte 4] waren ontvangen, zijn er bestellingen geplaatst op de website van [website 1] voor in totaal Afl. 12.643,10.

[Medeverdachte 4] heeft verklaard dat de verdachte hem in september 2024 had gebeld. De verdachte vroeg of [medeverdachte 4] een bankkaart had waarmee hij online goederen kon kopen/betalen. De verdachte vertelde hem dat hij goederen wilde gaan kopen en vroeg [medeverdachte 4] om zijn bankrekeningnummer, zodat hij daarop het geld kon overmaken. Dit gebeurde vervolgens. Hierna deed de verdachte aankopen met het pasje van [medeverdachte 4] bij [website 1] of [website 1]. Het restant mocht [medeverdachte 4] van de verdachte houden. [Medeverdachte 4] had geen enkele relatie met SSA, hij wist niet hoe SSA aan zijn rekeningnummer was gekomen, hij had zijn bankrekeningnummer alleen aan de verdachte gegeven.

[Handelsnaam] / [getuige 2]

Op 3 september 2024 heeft SSA een bedrag van Afl. 10.000,- overgemaakt op de rekening van [getuige 2].

[Getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte hem had gevraagd of hij hem een gunst kon bewijzen. Het kwam er uiteindelijk op neer dat de verdachte een bedrag van tienduizend florin op de rekening van [getuige 2] overmaakte en dat laatstgenoemde dat vervolgens contant opnam, en aan de verdachte gaf. [Getuige 2] heeft verklaard dat hij door de verdachte voor de gek is gehouden en dat hij niet kan geloven dat hij deze rotzooi (voor de verdachte) deed.

Betaling op rekening [echtgenote van verdachte]

Op 27 maart 2024 heeft SSA een bedrag van Afl. 5.000,- betaald op de rekening van [echtgenote van verdachte], de echtgenote van de verdachte. Dit naar aanleiding van een (valse) brief van de minister met de opdracht dit bedrag aan deze zogenaamde ‘vendor’ uit te betalen.

Betaling op rekening van de verdachte zelf

Op 17 april 2024 heeft SSA een bedrag van Afl. 6.000,- op de rekening van de verdachte overgemaakt. Het betrof geen salarisbetaling of iets dergelijks: deze betaling is gedaan naar aanleiding van een valse brief van de minister waarin wordt verzocht dit bedrag uit te betalen aan de zogenaamde ‘vendor’ [verdachte].

Bedrijf 1]

Op 10 juli 2024 heeft SSA een bedrag van Afl. 5.750,- betaald op de rekening van het bedrijf [bedrijf 1] ([website 3]). Het betreft de betaling van twee Apple Macbooks. SSA heeft dit bedrag betaald naar aanleiding van een subsidieaanvraag van [betrokkene 1] in verband met een sportevenement en een daarop volgende (valse) brief van de minister dit bedrag uit te betalen. [Betrokkene 1] heeft evenwel verklaard dat hij deze subsidieaanvraag helemaal niet heeft gedaan. Hij had de Macbooks niet gekregen. De verdachte was degene die de Macbooks bij de winkel van [bedrijf 1] heeft opgehaald.

De verdachte heeft op dit punt erkend dat hij een “fout” heeft gemaakt en dat hij bezig is met terugbetalen. Het Gerecht stelt dan ook vast dat het de verdachte is geweest die deze laptops voor eigen gebruik heeft gekocht met geld van SSA.

Bedrijf 2]

SSA heeft op 1 augustus 2024 een bedrag van Afl. 7.788,- betaald op de rekening van reisbureau [bedrijf 2]. Het betrof een betaling voor een privé-reis van de verdachte en zijn familie.

Bouwmarkts] Giftcards

SSA heeft op 7 juni 2024 voor haar personeel acht giftcards gekocht bij [bouwmarkt] met een waarde van Afl. 500,- per stuk. Twee medewerkers ([medewerker 1] en [medewerker 2]) hebben een van deze giftcards gekregen. Er bleven dus zes kaarten over: één was voor de verdachte en vijf van deze kaarten waren bestemd voor leden van de Raad van Toezicht. De leden van de Raad van Toezicht hebben deze kaarten echter niet ontvangen. Alle kaarten zijn opgemaakt. De verdachte heeft op dit punt erkend dat hij een “fout” heeft gemaakt en dat hij bezig is met terugbetalen.

Terugbetalingen door de verdachte

De Landsrecherche heeft het door de verdachte (grotendeels uit de hem ten laste gelegde feiten) verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op Afl. 181,352,37. De verdachte heeft dit bedrag (meer dan) volledig terugbetaald.

Conclusies

Ten aanzien van feit 1

Naar het oordeel van het Gerecht is gelet op alle hierboven weergegeven feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode op de na te melden wijze schuldig heeft gemaakt aan oplichting van SSA door middel van (kort gezegd) het bij SSA indienen van valse aanvragen tot uitbetaling van subsidie.

Ten aanzien van feit 2

Naar het oordeel van het Gerecht dient de verdachte, gelet op de hierboven (onder ‘inleiding’) genoemde feiten en omstandigheden zowel in zijn hoedanigheid van begrotingscoördinator bij het bureau van de minister, als in zijn hoedanigheid van bestuurder van SSA, als ‘ambtenaar’ in de zin van het Arubaanse wetboek van Strafrecht te worden aangemerkt. Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat hij zich in die hoedanigheid schuldig heeft gemaakt aan (ambtelijke) verduistering, zoals onder feit 2 primair ten laste is gelegd door overheidsgeld weg te maken naar derden en naar zichzelf.

Ten aanzien van feit 3

Naar het oordeel van het Gerecht kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de in feit 1 en 2 genoemde bedragen en [bouwmarkt] giftcards op de na te melden, manieren heeft witgewassen. Gelet op het systematische en herhaaldelijke karakter daarvan heeft de verdachte zich naar het oordeel van het Gerecht schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Ten aanzien van feit 4

Uit al hetgeen hierboven is overwogen kan naar het oordeel van het Gerecht de conclusie worden getrokken dat de verdachte zijn functies heeft gebruikt om gelden van SSA af te pakken, of, in de woorden van de verdachte: “to take some operational funds from SSA”. Gelet hierop heeft de verdachte naar het oordeel van het Gerecht zijn functies misbruikt op de wijze zoals strafbaar gesteld in artikel 2:354 Sr. Met inachtneming hiervan is feit 4 wettig en overtuigend bewezen.

5. Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij in de periode van 26 mei 2023 tot en met 30 september 2023 in Aruba met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, SSA heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (in totaal Afl 36.700,=), hebbende verdachte met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid telkens

- (valse) subsidieaanvragen opgemaakt en/of ingediend bij SSA en/of

- een (valse) (vervalste) handtekening van de minister onder de subsidieaanvragen

geplaatst en/of

- niet bestaande vendors opgevoerd in de subsidieaanvragen en/of

- een MINOS-nummer op de subsidieaanvragen gezet

waardoor SSA telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

2. Primair: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2023 tot en met 3 september 2024 in Aruba, als ambtenaar meermalen telkens opzettelijk een of meerdere geldbedragen, te weten:

ter hoogte van in totaal Afl. 148.173,=, althans enig geldbedrag, welk geld verdachte in zijn bediening, namelijk als directeur/enig bestuurder van de Stichting Sportsubsidie Aruba onder zich had, heeft verduisterd en/of heeft toegelaten dat het door een ander werd weggenomen of verduisterd;

3. hij op een of meer tijdstippen in de periode van 29 mei 2023 tot en met 3 september 2024 in Aruba telkens (van) voorwerpen te weten geldbedragen en/of [bouwmarkt] giftcards met een totaalwaarde van ongeveer Afl. 184.873,=,

A

de werkelijke aard, en de herkomst, de vindplaats, en de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit/deze voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorhanden had,

B

heeft verworven, overgedragen en/of omgezet, althans van (een deel van) de voornoemde geldbedragen en/of [bouwmarkt] Giftcards gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen en/of giftcards (telkens) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf, terwijl hij, verdachte, van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

4. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 mei 2023 tot en met 3 september 2024 in Aruba in zijn hoedanigheid van directeur/bestuurder van Stichting Sportsubsidie Aruba en/of in zijn hoedanigheid van begrotingscoördinator bureau MinOs, opzettelijk met misbruik van zijn functie iets heeft gedaan en/of heeft nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor hem en/of een ander te verkrijgen, immers heeft hij gelden van de Stichting Sportsubsidie Aruba aangewend en/of laten aanwenden om:

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij] daarvan wordt vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (alles cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. De kwalificatie en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de meerdaadse samenloop van:

1. Oplichting, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 2:305 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba;

2. primair: als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 2:348 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba;

3. van het plegen van witwassen een gewoonte maken,

strafbaar gesteld bij artikel 2:405, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba;

4. als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen teneinde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 2:354 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

8. Oplegging van de straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met als bijkomende straf de ontzetting van het recht tot het bekleden van het ambt van ambtenaar voor de duur van zeven jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en daartoe aangevoerd dat de door het Openbaar Ministerie geëiste straf hoger is dan de straffen die het Gerecht in twee vergelijkbare zaken heeft opgelegd, terwijl de verdachte in de onderhavige zaak juist zijn strafbaar handelen heeft erkend, volledige openheid van zaken heeft gegeven, uit eigen beweging ontslag heeft genomen en het volledige wederrechtelijk verkregen voordeel heeft terugbetaald. Verdachte is voorts een first offender. De zaak heeft verder vanwege de politieke lading en de daarmee gepaarde media-aandacht geleid tot aanzienlijke reputatieschade, en heeft ingrijpende gevolgen gehad voor het gezinsleven van verdachte. Volgens de verdediging zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een onwenselijk signaal afgeven, omdat dit afbreuk zou doen aan het belang van het nemen van verantwoordelijkheid nemen en herstel, zoals door de verdachte onderkend. De verdediging heeft het Gerecht verzocht dan ook te volstaan met het opleggen van een taakstraf, dan wel – indien normbevestiging noodzakelijk wordt geacht – een geheel voorwaardelijke (gevangenis)straf, zodat de verdachte de mogelijkheid krijgt zijn leven buiten de gevangenis opnieuw op te bouwen en hij verder kan werken om zijn gezin te onderhouden, en de financiële schuld die hij bij zijn familie heeft, kan aflossen.

Het oordeel van het Gerecht

Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het Gerecht heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het bijzonder wordt het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in de periode waarin hij als ambtenaar werkzaam was als medewerker bij het bureau van de minister van Onderwijs en Sport en als bestuurder bij SSA schuldig gemaakt aan de oplichting van een stichting die overheidsgeld beheerde en aan de verduistering van landsgeld waarover hij als ambtenaar kon beschikken. Verdachte heeft geldbedragen laten overboeken naar bankrekeningen van zogenoemde money mules die geen recht hadden op subsidie, waarna deze gelden door die personen aan hem werden doorgesluisd. Ook heeft de verdachte gelden laten overboeken naar zijn eigen rekening, die van zijn echtgenote en ten slotte heeft hij giftcards verduisterd, die hij heeft opgemaakt. Door deze gedragingen heeft de verdachte het Land Afl. 184.873,- afhandig gemaakt en zich tevens schuldig gemaakt aan witwassen en misbruik van zijn functie als ambtenaar.

Het is schokkend hoe makkelijk de verdachte over is gegaan, en over kón gaan, tot deze grootschalige fraude. Door zijn handelswijze heeft de verdachte grote schade toegebracht aan de integriteit van de openbare dienst, en het Land daarnaast financiële schade berokkend. Het geld dat de verdachte het Land afhandig heeft gemaakt, was bestemd voor sportorganisaties waarvan mag worden aangenomen dat die dit hard nodig hebben. De verdachte heeft hierbij niet stilgestaan. Hij heeft naar het Gerecht aanneemt uit geldzucht gehandeld. Het Gerecht houdt er bovendien rekening mee dat zijn strafbare gedragingen zich over een langere periode hebben voorgedaan en dat hij daarbij misbruik heeft gemaakt van personen uit zijn directe omgeving, onder wie de money mules.

De persoon van de verdachte en overige omstandigheden

Bij het bepalen van de straf houdt het Gerecht er rekening mee dat de verdachte als een first offender moet worden aangemerkt.

Verder heeft het Gerechte er kennis van genomen dat de verdachte door deze zaak ontslag heeft genomen uit zijn ambten en dat hij volgens zijn raadsman te lijden zou hebben gehad onder de nodige media-aandacht. Dat alles ziet het Gerecht echter als een te verwachten en ook voor de verdachte redelijkerwijs voorzienbaar gevolg van zijn strafbare gedragingen.

Naar het oordeel van het Gerecht is wel van belang, in wezenlijk strafverlichtende zin, dat de verdachte er duidelijk blijk van heeft gegeven dat hij het laakbare van zijn handelen inziet. Hij heeft dat niet alleen gedaan door spijt te betuigen voor wat hij heeft gedaan, maar ook door daaraan gevolg te geven door het door hem van SSA afgepakte bedrag grotendeels terug te betalen. Daar past wel de nuance bij dat de verdachte pas is gaan terugbetalen nadat de door hem gepleegde fraude aan het licht was gekomen. Dat roept de vraag op, of de verdachte ook zou hebben terugbetaald als de fraude onontdekt was gebleven. De tweede nuancering die het Gerecht wenst aan te brengen is dat de verdachte weliswaar heeft erkend dat hij fout zat, maar dat hij kort na het begin van het onderzoek met de noorderzon is vertrokken en vragen van de Landsrecherche slechts schriftelijk en beperkt heeft willen beantwoorden. Hij is niet (meer) bij de politie verschenen om in persoon een verklaring af te leggen. Dat was een kans geweest om inzicht te geven in zijn motieven en om volledig verantwoording af te leggen over hetgeen hij heeft gedaan.

De op te leggen straffen

Het Gerecht is van oordeel dat het, gelet op de ernst van de feiten en het geschonden vertrouwen in de overheid en publieke instellingen, noodzakelijk is dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, ook om een duidelijk signaal af te geven naar de Arubaanse samenleving. Dit signaal is dat het misbruiken van overheidsposities en het misbruik van overheidsgeld op geen enkele manier kan worden getolereerd en effectief moet worden bestraft.

Nu de verdachte klaarblijkelijk zo gemakkelijk is overgegaan tot de bewezenverklaarde strafbare gedragingen en het Gerecht onvoldoende inzicht heeft gekregen in zijn motieven, is de kans dat de verdachte nogmaals tot dergelijk gedrag overgaat zeker niet uit te sluiten. Daarom is ook een (deels) voorwaardelijke straf in deze zaak op zijn plaats.

Het voorgaande geeft het Gerecht, na dit een en ander te hebben afgewogen, aanleiding aan de verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen. Dat voorwaardelijke strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De op te leggen gevangenisstraf is passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Als bijkomende straf zal het Gerecht de verdachte, gelet op de aard, duur en de ernst van de feiten, ontzetten van het recht om het ambt van ambtenaar te bekleden voor de na te melden duur. Het vertrouwen dat in een overheidsdienaar moet kunnen worden gesteld heeft de verdachte ernstig beschaamd. Hij wordt in dit vonnis ter zake van verschillende ambtsmisdrijven veroordeeld. Het Gerecht beoogt met deze bijkomende straf zowel de samenleving te beschermen tegen herhaling, als een normstellend signaal af te geven omtrent de onaanvaardbaarheid van integriteitsschendingen binnen het openbaar bestuur. Naar het oordeel van het Gerecht kan worden volstaan met de na te melden duur van de ontzetting. Een langer durende ontzetting, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht het Gerecht niet opportuun.

8. Schadevergoedingsmaatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba (Sr) op te leggen, ondanks het feit dat de benadeelde partij SSA geen vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een totaalbedrag van Afl. 190.073,- wederrechtelijk heeft weggenomen, waarvan Afl. 182.352,37,- reeds door de verdachte is terugbetaald, zodat een bedrag van Afl. 7.720,63 resteert. De officier van justitie vordert het openstaande bedrag van Afl. 7.720,63 als schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen met bepaling dat bij niet-betaling 154 dagen vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel niet kan worden opgelegd nu het slachtoffer SSA zich niet in het strafgeding heeft gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Voorts heeft de verdediging betoogd dat het door het Openbaar Ministerie gestelde openstaande schadebedrag niet, althans onvoldoende, is onderbouwd.

Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht stelt vast dat het slachtoffer SSA zich niet in het strafproces heeft gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Dit staat er echter niet aan in de weg dat het Gerecht ambtshalve of op vordering van het Openbaar Ministerie, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 Sr kan opleggen. Voor oplegging van deze maatregel is niet vereist dat er sprake is van een vordering van de benadeelde partij in het strafproces.

Het Gerecht zal de vordering van de officier van justitie evenwel afwijzen. In dat verband wordt het volgende overwogen.

Uit artikel 1:78 lid 2 Sr volgt dat de rechter de schadevergoedingsmaatregel kan opleggen ter zake van schade die door het strafbare feit is toegebracht. In het vonnis moet dan wel een veroordeling ter zake van dat strafbare feit plaatsvinden. De schade moet immers (rechtstreeks) verband houden met een gedraging ter zake waarvan de verdachte bij vonnis wordt veroordeeld.

Niet alle door de officier van justitie opgevoerde schade (ad Afl 190.073,-) kan echter worden teruggevoerd op een feit ter zake waarvan de verdachte in dit vonnis wordt veroordeeld. Een deel van dit door de officier van justitie genoemde totaalbedrag is immers gebaseerd op schade ter zake van een feit dat niet aan de verdachte ten laste is gelegd. Het Gerecht doelt hier op het bedrag van Afl. 8.000,- (‘Feit 11 Aruba Basketball Bond’).

Voor wat betreft het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel zou derhalve moeten worden uitgegaan van een totaalschadebedrag van (Afl. 190.073,=

-/- Afl. 8.000,=) Afl. 182.073,-. Nu echter niet ter discussie staat dat de verdachte (meer dan) dit bedrag reeds heeft terugbetaald, is er voor oplegging van een schadevergoedingsmaatregel geen aanleiding meer.

9. Voorlopige hechtenis: bevel gevangenneming

De officier van justitie heeft de gevangenneming van de verdachte bij einduitspraak gevorderd. Nu zij dat eerst bij requisitoir heeft gedaan, en eerder dus kennelijk geen aanleiding heeft gezien de gevangenneming van de verdachte te vorderen, begrijpt het Gerecht de vordering van de officier van justitie aldus dat zij thans de gevangenneming van de verdachte heeft gevorderd om te bevorderen dat de verdachte de in dit vonnis op te leggen vrijheidsstraf zal uitzitten.

In deze situatie wordt voorzien door art. 104a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. In dat artikel staat evenwel dat van gevangenneming slechts sprake kan zijn indien bij vonnis aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar of meer wordt opgelegd. Aan deze voorwaarde wordt niet voldaan. Dit leidt ertoe dat het Gerecht de vordering van de officier van justitie zal afwijzen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:64, 1:136 en 2:364 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

DE BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de 16 [zestien] maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 10 [tien] maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte, dan als veroordeelde, zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op [3] jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ontzet de verdachte van het recht tot het bekleden van het ambt van ambtenaar voor de duur van 5 (vijf) jaren;

wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot gevangenneming van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Lensink, rechter, bijgestaan door de griffier

mr. A.B. Bennett, en op 27 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.

Uitspraakgriffier:

Bijlage: de tenlastelegging

Verdachte wordt (na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 6 februari 2026 ten laste gelegd dat:

Feit 1. Oplichting

hij in de periode van 26 mei 2023 tot en met 30 september 2024 in Aruba met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, SSA heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (in totaal Afl 36.700,=), hebbende verdachte met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid telkens

- ( valse) subsidieaanvragen opgemaakt en/of ingediend bij SSA en/of

- ( valse) (vervalste) handtekening van de minister onder de subsidieaanvragen geplaatst en/of

- niet bestaande vendors opgevoerd in de subsidieaanvragen en/of

- een MINOS-nummer op de subsidieaanvragen gezet

waardoor SSA telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

(artikel 2:305 van het Wetboek van Strafrecht)

Feit 2. Verduistering door een ambtenaar

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2023 tot en met 3 september 2024 in Aruba, als ambtenaar meermalen telkens opzettelijk een of meerdere geldbedragen, te weten:

ter hoogte van in totaal Afl. 148.173,=, althans enig geldbedrag, welk geld verdachte in zijn bediening, namelijk als directeur/enig bestuurder van de Stichting Sportsubsidie Aruba onder zich had, heeft verduisterd en/of heeft toegelaten dat het door een ander werd weggenomen of verduisterd;

(artikel 2:348 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien het voorgaande niet tot een veroordeling mocht leiden

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 7 oktober 2023 tot en met 3 september 2024 in Aruba, meermalen telkens opzettelijk geldbedragen en/of [bouwmarkt] giftcards van in totaal Afl. 148.173= , welke goederen hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als directeur/bestuurder van de Stichting Sportsubsidie Aruba, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend te weten:

- in de periode van 9 oktober 2023 tot en met 12 augustus 2024 bedrag van Afl. 42.500,= (via bankrekening van [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3]) en/of

- in de periode van 9 oktober 2023 tot en met 12 augustus 2024 bedrag van Afl. 34.750= (via bankrekening van [medeverdachte 2]) en/of

- in de periode van 7 oktober 2023 tot en met 22 mei 2024 ten bedrage van Afl. 20.385,= (via bankrekening van [medeverdachte 3]) en/of

- 5 maart 2024 ten bedrage van Afl. 5.000,= (via bankrekening van [echtgenote van verdachte]) en/of

- 17 april 2024 ten bedrage van Afl. 6.000,= ( via bankrekening van [verdachte]) en/of

- 10 juli 2024 ten bedrage van Afl. 5.750,= (betaling aan [bedrijf 1]) en/of

- 1 augustus 2024 ten bedrage van Afl. 7.788,= (betaling aan [bedrijf 2]) en/of

- 12 augustus 2024 ten bedrage van Afl. 10.000,= (via bankrekening van [medeverdachte 4]) en/of

- 29 augustus 2024 ten bedrage van Afl. 3.500,= (via bankrekening van [medeverdachte 4]) en/of

- 3 september 2024 ten bedrage Afl. 10.000,= (via bankrekening [handelsnaam]/[getuige 2])

- ( vijf) [bouwmarkt] giftcards elk t.w.v. Afl 500,= (met een totale waarde van Afl 2.500.=).

(artikel 2:299 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht)

Feit 3 Witwassen

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 29 mei 2023 tot en met 3 september 2024 in Aruba telkens (van) voorwerpen te weten geldbedragen en/of [bouwmarkt] giftcards met een totaalwaarde van ongeveer Afl. 184.873,=,

A

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was of wie bovenomschreven voorhanden had,

B

heeft verworven, overgedragen en/of omgezet, althans van de voornoemde geldbedragen en/of [bouwmarkt] Giftcards gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen en/of giftcards (telkens) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf, terwijl hij, verdachte, van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

(artikel 2:404 e.v. van het Wetboek van Strafrecht)

Feit 4 Misbruik van functie

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 mei 2023 tot en met 3 september 2024 in Aruba in zijn hoedanigheid van directeur/bestuurder van Stichting Sportsubsidie Aruba en/of in zijn hoedanigheid van begrotingscoördinator bureau MinOs, opzettelijk met misbruik van zijn functie iets heeft gedaan en/of heeft nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, immers heeft hij gelden van de Stichting Sportsubsidie Aruba aangewend en/of laten aanwenden om:

(artikel 2:354 van het Wetboek van Strafrecht).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?