GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
ARUBA FUN TREATS N.V.,
DE MINISTER BELAST MET JUSTITIËLE AANGELEGENHEDEN,
Uitspraak van 2 maart 2026
Lar nr. AUA202502317
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
gevestigd in Aruba,
APPELLANTE,
gemachtigde: de advocaat mr. V.A.V. Carlo,
gericht tegen:
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mrs. Y. Kaarsbaan en T. Loopstok (DWJZ).
PROCESVERLOOP
Appellante heeft op 15 december 2023 bezwaar gemaakt tegen de beschikking van verweerder van 20 november 2023, waarbij aan appellante een ventvergunning onder voorwaarden is verleend voor het jaar 2024.
Bij beslissing op bezwaar van 18 juli 2025 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de beschikking van 20 november 2023 gehandhaafd.
Tegen deze beslissing heeft appellante op 30 juli 2025 beroep ingesteld bij het gerecht.
Verweerder heeft op 29 september 2025 een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van 3 december 2025. Appellante is verschenen bij haar directeur, [directeur], bijgestaan door mr. Carlo voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigden voornoemd, die vergezeld waren van [ambtenaar] (KPA).
De uitspraak is vervolgens nader bepaald op vandaag.
OVERWEGINGEN
2. Het gerecht is van oordeel dat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard en legt hierna dit oordeel uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Appellante heeft op 3 november 2023 een verzoek ingediend strekkende tot het verkrijgen van een vergunning voor het venten met ijsproducten vanuit twee karretjes “Mr. Sno-Cones” op de openbare wegen over het gehele eiland. Bij beschikking van 20 november 2023 (nr. 9674/2023) heeft verweerder aan appellante een vergunning verleend voor het venten met ijsproducten op de openbare wegen voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024. In deze ventvergunning is – voor zover hier van belang – bepaald dat de vergunninghoudster niet mag venten in natuurgebieden en/of in de nabijheid van scholen, toeristische zones en zones die door de ventactiviteiten ernstig kunnen worden gehinderd (voorwaarde nummer 10). Appellante kan zich niet verenigen met deze beperking en heeft hiertegen op 15 december 2023 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij de thans bestreden beslissing is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en heeft verweerder de beschikking van 20 november 2023, inclusief voornoemde voorwaarde, gehandhaafd.
Wat voert appellante aan?
4. Appellante stelt zich op het standpunt dat de bestreden beslissing om de navolgende redenen niet in stand kan blijven. Verweerder heeft met betrekking tot de beperking dat niet in de toeristische zones mag worden gevent, verwezen naar een digitale kaart op de website van de Dienst Infrastructuur en Planning (DIP). Volgens appellante is deze kaart onoverzichtelijk en biedt zij geen concrete duidelijkheid over de precieze afbakening van deze zones. Voorts stelt appellante dat niet alle houders van een ventvergunning aan deze beperking zijn onderworpen. Daarnaast betoogt appellante dat de politie in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door niet handhavend op te treden tegen andere, vergelijkbare gevallen. Er zijn immers andere venters die wel in de toeristische zones, waaronder de stranden, verkoopactiviteiten verrichten zonder dat daartegen wordt opgetreden. Ten slotte stelt appellante dat verweerder in strijd met de procedurele bepalingen van de Lar en met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door de bestreden beslissing te nemen zonder het advies van de Bac af te wachten.
Appellante concludeert derhalve dat de bestreden beslissing vernietigd dient te worden.
Wat zegt verweerder hierover?
5. Verweerder betwist dat de digitale kaarten onduidelijk zijn en dat de beperking ten aanzien van de toeristische zones niet geldt voor andere ventvergunninghouders. Voorts voert verweerder aan dat het Korps Politie Aruba (KPA) – en niet verweerder – bij overtreding van de vergunningsvoorwaarden dient op te treden en dat de bestreden beslissing niet in strijd is met de bepalingen van de Lar, noch met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat vindt het gerecht?
Het gerecht zal hierna het beroep van appellante tegen de bestreden beslissing beoordelen aan de hand van de door haar aangevoerde beroepsgronden, die het afzonderlijk zal bespreken
Artikel 45 van de Algemene Politieverordening (APV) bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van de minister van Algemene Zaken of een door hem aan te wijzen ambtenaar op of aan de openbare weg te venten met goederen of waren van welke aard ook, met uitzondering van gedrukte stukken.
De aan appellante verleende ventvergunning is gebaseerd op deze bepaling. Aan dergelijke vergunningen kunnen voorwaarden worden verbonden, waaronder voorwaarden ter bescherming van de openbare orde en het algemeen belang.
onduidelijkheid afbakening van de toeristische zones
Appellante stelt dat de digitale kaart waarop de toeristische zones zijn aangegeven (beschikbaar op de website van de DIP) onduidelijk zou zijn en onvoldoende inzicht biedt in de precieze afbakening van de zones waarbinnen venten niet is toegestaan.
Het gerecht kan appellante niet in haar standpunt volgen. Het gerecht constateert uit eigen waarneming dat de toeristische zones op de (digitale) kaart duidelijk en voldoende concreet met kleurcodes zijn aangeduid en afgebakend. Bovendien kan worden ingezoomd, zodat ook de straatnamen zichtbaar worden. Het betoog faalt.
ongelijke behandeling ventvergunninghouders
Appellante betoogt – naar het gerecht begrijpt – dat de bestreden beslissing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu andere ventvergunninghouders deze beperking ten aanzien van toeristische zones niet hebben.
Naar het oordeel van het gerecht faalt dit betoog reeds, omdat appellante niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd welke ventvergunninghouders thans niet aan deze beperking zijn gebonden. Bovendien heeft verweerder voldoende gemotiveerd uiteengezet dat in 2021 een pilotproject is uitgevoerd waarbij zonder beperkingen in de toeristische zones mocht worden gevent, maar dat dit project inmiddels is afgerond, en dat de voorwaarden voor venten vanwege economische en toeristische ontwikkelingen op het eiland nadien zijn aangepast. Hiermee is voldoende aannemelijk geworden dat, voor zover vergunninghouders in 2021 in de toeristische zones mochten venten, dit thans niet langer het geval is. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep niet.
selectieve handhaving
Appellante betoogt voorts dat de politie in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt door niet handhavend op te treden in andere, vergelijkbare gevallen.
Naar het oordeel van het gerecht valt deze beroepsgrond evenwel buiten de omvang van het geding, nu zij geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de bestreden beslissing, maar op het gestelde uitblijven van handhavend optreden jegens andere vergunninghouders. Reeds hierom wordt het beroep verworpen.
geen advies van de Bac
Appellante betoogt dat verweerder in strijd met de procedurele bepalingen van de Lar en met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door het advies van de Bac niet af te wachten alvorens op het bezwaar te beslissen.
Het gerecht overweegt dat, ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Lar en vaste jurisprudentie, het bestuursorgaan bevoegd is op het bezwaar te beslissen zonder het advies van de Bac af te wachten, indien dit advies niet binnen de in artikel 19 van de Lar gestelde termijn is ontvangen. In het onderhavige geval is het bezwaar wel aan de Bac voorgelegd, maar heeft verweerder binnen de gestelde termijn geen advies ontvangen. Verweerder heeft aangevoerd dat hij beschikte over de voor de besluitvorming noodzakelijke gegevens om op zorgvuldige wijze op het bezwaar te beslissen. Het tegendeel is gesteld noch gebleken. Verweerder heeft derhalve kunnen overgaan tot het nemen van een beslissing op het bezwaar van appellante. Van strijd met de bepalingen van de Lar of met het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake. Het betoog faalt.
CONCLUSIE EN GEVOLGEN
7. Nu geen van de door appellante aangevoerde beroepsgronden slaagt, zal het beroep ongegrond kunnen verklaren.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, in samenwerking met mr. A.A. Wever, griffier, en wordt geacht in het openbaar te zijn uitgesproken op 2 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.