ECLI:NL:OGEAA:2026:57

ECLI:NL:OGEAA:2026:57

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer AUA202502626
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

LAR – Rijkswet op het Nederlanderschap – ontvankelijkheid van het bezwaar

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

[Appellant],

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA

Uitspraak 4 maart 2026

Lar nr. AUA202502626

UITSPRAAK

op het beroep, in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

wonend te Aruba,

APPELLANT,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Croes,

gericht tegen:

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. N. Abdul Hamid (Kabinet van de Gouverneur).

PROCESVERLOOP

Bij beslissing op bezwaar van 28 juli 2025 (bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar van appellant, gericht tegen de beschikking van 8 juli 2024 waarbij verweerder de bevestiging van de optieverklaring van appellant heeft geweigerd, niet-ontvankelijk verklaard.

Hiertegen heeft appellant op 21 augustus 2025 beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft op 2 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen bij mr. D.L. Emerencia, die voor mr. D.G. Croes optrad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

Appellant, van [nationaliteit] nationaliteit, is op [geboortedatum] 1955 geboren in [geboorteplaats].

Op 30 november 2022 heeft appellant bij het Kabinet van de Gouverneur een verklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel h, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (de optieverklaring) afgelegd.

Bij beschikking van 8 juli 2024 heeft verweerder de bevestiging van de optieverklaring geweigerd.

Hiertegen heeft appellant op 19 augustus 2024 bezwaar aangetekend. In het bezwaarschrift is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…)

BEZWAARSCHRIFT

(LAR/PRO FORMA)

(…)

Gronden waarop het bezwaarschrift rust

8. Klager meent dat beklaagde ten onrechte had besloten zijn naturalisatie verzoek af te wijzen. Dit bezwaarschrift is thans grotendeels PRO FORMA. De gronden zullen z.s.m. worden aangevuld en overgelegd.

9. Reeds nu kan wel het volgende gesteld worden.

Toelichting

A. Er is geen sprake van onderbrekingen in de toelating/verblijfsstatus van klager

10. De stelling dat klager niet aaneengesloten toelating (en hoofdverblijf) op Aruba heeft gehad is in strijd met de waarheid. Klager ontkent en betwist ter zake stellig dat er sprake zou zijn geweest van onderbrekingen, van periodes, zoals beklaagde dat stelt, waarin hij niet toegelaten zou zijn geweest, waarin zijn toelating zou zijn onderbroken (hierna verder aan te duiden als ‘onderbrekingen’ of ‘discrepanties’.

B. Eventuele onderbrekingen: feitelijk van aard, c.q. er is sprake van verschoonbare overschrijding

11. Klager ontkent - zoals reeds gesteld - dat hij op enig moment niet tot Aruba zou zijn toegelaten. Echter, zelfs indien en voor zover - zulks zoals beklaagde op pagina 2 van de beslissing a quo stelt - er daadwerkelijk sprake zou zijn geweest onderbrekingen of discrepanties, quod uitdrukkelijk non, dan nog zijn die slechts van feitelijke en ondergeschikte aard en derhalve doen die niet af aan de voorgaande conclusie dat klager onafgebroken rechtsgeldig toelating heeft tot Aruba, in de jaren voorafgaande aan het verzoek tot naturalisatie. Subsidiair is dan sprake van verschoonbare overschrijding.

12. Klager meent dat er voldoende redenen aanwezig zijn om de aangevallen beslissing te herzien en om het verzoek alsnog toe te wijzen.

13. De beslissing van beklaagde is derhalve feitelijk onjuist en in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name is het in strijd met het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Gezien de feiten en omstandigheden in casu en gelet op de belangen die op het spel staan, zou afwijzing van het verzoek van klager bijzonder onredelijk zijn. Een dergelijk gevolg zou om meerdere redenen in strijd met diverse beginselen van behoorlijk bestuur, met name met het verbod op willekeur, en verdragen en het is duidelijk dat dit lijdt tot onrechtvaardige toestanden, c.q. het brengt klager onevenredig nadeel toe.

(…)

HET IS OM GENOEMDE REDENEN, NADER NOG AAN TE VULLEN EN TE ADSTRUEREN, DAT KLAGER zich Uwe Excellentie wendt, met het eerbiedig verzoek, de hier bestreden beslissing te herzien, althans ter zijde te stellen en om aldus het verzoek van klager alsnog toe te wijzen

(…)”.

Bij brief van 26 augustus 2024 heeft verweerder appellant in de gelegenheid gesteld om de gronden waarop het bezwaarschrift berust, aan te vullen.

Op 12 november 2024 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de juridisch adviseur van verweerder en de gemachtigde van appellant.

Bij beslissing op bezwaar van 28 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant heeft nagelaten de bezwaargronden aan te vullen. Hiertegen richt zich het beroep.

De bestreden beslissing

2. Verweerder heeft aan de bestreden beslissing ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift van appellant geen gronden bevat. Appellant is herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld de gronden van zijn bezwaar aan te vullen, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Om die reden heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

De beroepsgronden

3. Appellant stelt zich op het standpunt dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens appellant bevatte het bezwaarschrift wel degelijk gronden. Verweerder had deze gronden inhoudelijk moeten beoordelen en had het bezwaar daarom niet niet-ontvankelijk mogen verklaren. Appellant heeft voorts gesteld dat hij tijdens een telefoongesprek met verweerder heeft meegedeeld te volharden in de in het bezwaarschrift opgenomen gronden.

Volgens appellant is de bestreden beslissing genomen in strijd met de wet alsmede met het zorgvuldigheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

De beoordeling

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder c, van de Lar dient een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar te bevatten. Indien hieraan niet of niet volledig is voldaan, kan het bestuursorgaan op grond van artikel 14 van de Lar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren, mits de indiener in de gelegenheid is gesteld het verzuim binnen een gestelde termijn te herstellen. Nu de wetgever het woord “kan” heeft gebruikt, betreft het een discretionaire bevoegdheid tot niet-ontvankelijkverklaring en geen verplichting.

Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting aangevoerd dat de in het pro forma bezwaarschrift opgenomen stellingen niet nader zijn gemotiveerd. Volgens verweerder kan uit de inhoud van het bezwaarschrift niet worden afgeleid op welke gronden appellant een beroep doet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, noch op welke wijze deze beginselen zouden zijn geschonden en welke rechtsgevolgen daaraan verbonden zouden moeten worden.

Verweerder betwist dat tijdens het telefoongesprek van 12 november 2024 namens appellant is aangegeven dat geen nadere aanvulling zou volgen en dat werd volhard in de reeds ingediende gronden. Volgens verweerder is appellant bij die gelegenheid een nadere hersteltermijn van twee weken geboden, waarvan geen gebruik is gemaakt.

Het gerecht stelt voorop dat de aanduiding van een bezwaarschrift als “pro forma” niet doorslaggevend is voor de vraag of het bezwaarschrift voldoet aan de eisen van artikel 13, eerste lid onder c, van de Lar. Doorslaggevend is of uit de inhoud van het bezwaarschrift voldoende duidelijk blijkt op welke gronden de indiener zich niet met de bestreden beslissing kan verenigen.

Vaststaat dat appellant in zijn bezwaarschrift van 19 augustus 2024, zij het summier, heeft uiteengezet waarom hij zich niet met de bestreden beslissing kan verenigen. De enkele omstandigheid dat hij het bezwaarschrift als “grotendeels pro forma” heeft aangeduid en heeft aangekondigd de gronden nader aan te vullen, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen bezwaargronden zijn ingediend. Naar het oordeel van het gerecht boden de reeds aangevoerde bezwaren voldoende aanknopingspunten voor een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden beslissing.

Appellant heeft in zijn bezwaarschrift ontkend dat sprake was van onderbrekingen in zijn verblijf op Aruba. Voor zover daarvan wel sprake zou zijn, heeft hij zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een verschoonbare overschrijding van de vereiste verblijfsduur. Voorts heeft appellant aangevoerd dat verweerder in de beschikking in primo heeft volstaan met de constatering dat niet is voldaan aan de eis van vijftien jaar onafgebroken verblijf, zonder te onderzoeken of appellant mogelijk aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoet. Ten slotte heeft appellant zich in het bezwaarschrift op het standpunt gesteld dat de gevolgen van de afwijzing voor hem bijzonder onredelijk zijn (zie verder onder 1.4).

Deze bezwaargronden hadden voor verweerder – mede gelet op het uitgangspunt van effectieve rechtsbescherming en de laagdrempelige aard van de bezwaarprocedure – aanleiding moeten zijn om af te zien van niet-ontvankelijkverklaring en het bezwaar door te sturen aan de Lar-bezwaaradviescommissie. Dat appellant na het herstelverzoek geen nadere gronden heeft ingediend, doet daaraan niet af. Artikel 14 van de Lar verplicht verweerder immers niet tot niet-ontvankelijkverklaring indien reeds – zij het summier – gronden zijn aangevoerd.

Het gerecht is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het beroep is derhalve gegrond. De bestreden beslissing komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing van 28 juli 2025;

- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellant;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellant voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-;

- gelast teruggave aan appellant van het door hem betaalde bedrag van Afl. 25,- aan griffiegeld.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J. Martijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?