Beschikking van 11 maart 2026
Behorend bij AUA202403961 EJ
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[Verzoeker],
te Aruba,
verzoeker,
hierna ook te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,
tegen:
de naamloze vennootschap CONSTRUCTIEBEDRIJF MUNAZ N.V.,
te Aruba,
verweerster,
hierna ook te noemen: Munaz,
gemachtigde: de advocaat mr. D.C.A. Crouch.
1. DE VERDERE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de (tussen)beschikking in deze zaak van 20 mei 2025;
- het deskundigenrapport van 15 december 2025;
- de conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [verzoeker], ingediend op 28 januari 2026;
- de conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van Munaz, ingediend op 28 januari 2026.
Beschikking is nader bepaald op vandaag.
2. DE VERDERE BEOORDELING
Verzoeker] verzoekt in deze procedure (onder meer) Munaz te veroordelen zijn loon vanaf 11 juli 2024 door te betalen, totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd. Munaz verweert zich door te stellen dat tussen partijen een beëindigingsovereenkomst is overeengekomen. [Verzoeker] betwist dat hij deze overeenkomst heeft ondertekend. Ter onderbouwing van die betwisting heeft [verzoeker] een identiteitsbewijs overgelegd waarop een van de betwiste handtekening afwijkende handtekening zichtbaar is.
Bij beschikking van 1 april 2025 in deze zaak heeft het Gerecht het volgende overwogen.
“4.13 Als vast komt te staan dat de handtekening op de beëindigingsovereenkomst door [verzoeker] is geplaatst, dan liggen de vorderingen van [verzoeker] voor afwijzing gereed. In het andere geval geldt als volgt.
Getuigen] heeft [verzoeker] op 11 juli 2024 gebeld met de boodschap dat de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd. Reden hiervoor was volgens Munaz dat de ploegbaas van de opdrachtgever van Munaz niet langer met [verzoeker] wilde werken. Nu [verzoeker] vanaf dat moment ook niet meer heeft gewerkt, kan dit niet anders worden begrepen dan een ontslag op staande voet. Munaz heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd, omdat de opdracht waarvoor [verzoeker] was aangenomen tot een einde was gekomen, maar dit verweer faalt. De door Munaz gestelde omstandigheid dat de opdrachtgever niet langer met [verzoeker] wilde werken is niet gelijk te stellen met de situatie dat het werk/het project waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan, eindigt en daarvan was op 11 juli 2024 geen sprake.
Naar het oordeel van het Gerecht is geen sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Partijen verschillen van mening over hetgeen zich die bewuste dag precies heeft voorgedaan, maar ook als van de juistheid van de stellingen van Munaz wordt uitgegaan en [verzoeker] die dag tot driemaal toe heeft geweigerd schroeven aan te brengen in een wand, rechtvaardigt dat niet een ontslag op staande voet en had met een minder ingrijpende maatregel kunnen en moeten worden volstaan. Indien en voor zover juist is dat de ploegbaas van de opdrachtgever niet meer met [verzoeker] wilde werken, leidt dat niet tot een ander oordeel. Het was dan aan Munaz tot een oplossing te komen, bijvoorbeeld door bemiddeling of door ander werk voor [verzoeker] te vinden.
Nu geen sprake is van een terecht gegeven ontslag op staande voet, is de arbeidsovereenkomst ook na 12 juli 2024 nog van kracht en dient het loon aan [verzoeker] te worden doorbetaald. Vast staat echter dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Partijen dienen zich daarom nader uit te laten over wanneer het werk/het project waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan, precies is geëindigd (of zal eindigen). Partijen zullen daartoe te zijner tijd in de gelegenheid worden gesteld.”
De vraag die het Gerecht allereerst dient te beantwoorden, is of voldoende is komen vast te staan dat de handtekening onder de beëindigingsovereenkomst door [verzoeker] is geplaatst. Het Gerecht heeft in dit verband bij tussenbeschikking van 20 mei 2025 een deskundige, ing. C. Verhulst (hierna: de deskundige), benoemd om de echtheid van de handtekening bij de naam van [verzoeker] op de beëindigingsovereenkomst te beoordelen. De deskundige heeft daartoe een onderzoek verricht en zijn rapport op 15 december 2025 bij het Gerecht ingediend. Op pagina’s 13 tot en met 15 van het rapport, onder de paragraaf Onderzoeksbevindingen en interpretatie, is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“De betwiste handtekening, die werd gezet voor de persoon met de naam [verzoeker] werd, zover dat mogelijk was, vergeleken met de overgelegde referentiehandtekeningen van [verzoeker]. Het onderzoek vond plaats met alle overgelegde handtekeningen uit de schrijfproeven en met de handtekening op het formulier. Bij vergelijking van de betwiste handtekening met de referentiehandtekeningen die voor het onderzoek zijn overgelegd, inclusief schrijfproeven, zijn overeenkomsten van betekenis aangetroffen (….) in de diverse partronen. De onderlinge verhoudingen binnen de handtekeningen komen overeen, maar ook het krommingsverloop van de diverse patronen zijn overeenkomstig. Omdat er binnen handtekeningen sprake is van een variatie zullen niet alle kenmerken exact terug te vinden zijn in alle handtekeningen.
(..) Binnen de betwiste handtekening zijn op geen enkele manier sporen van vervalsing geconstateerd en de betwiste handtekening is zeer vlot geschreven. Hierdoor komt de motoriek van de schrijver naar boven. Deze motoriek past bij die van de referentiehandtekeningen. De hellingshoek (hoek waaronder de handtekening is geschreven) komt tevens overeen.
(..) De vraag is tevens of er kenmerken van vervalsing binnen de betwiste handtekening zichtbaar zijn zoals aarzelingen binnen de lijnen door langzaam schrijven of verschil in onderlinge verhoudingen en hellingshoek. Dat is niet het geval. De betwiste handtekening maakt, net als de referentiehandtekeningen juist een vlot geschreven indruk wat duidelijk bij elkaar past. Ook de hellingshoek van de handtekening binnen het referentiemateriaal varieert nauwelijks en die komt overeen met die van de betwiste handtekening.
De betwiste handtekening als geheel past binnen de variatie van de referentiehandtekeningen qua schrijfmotoriek, vlotheid, variatie van de letters en patronen, hellingshoek en onderlinge verhoudingen. Alles overwegend liggen de bevindingen meer in de lijn der verwachting wanneer de betwiste handtekening een authentieke handtekening is van [verzoeker] dan wanneer het om een vervalste of nagebootste handtekening zou gaan.
Wanneer het niet om een authentieke handtekening zou gaan, dan is te verwachten dat de betwiste handtekening langzamer geproduceerd zou zijn dan nu het geval is en er zijn dan verschillen te verwachten in de schrijfmotoriek. Dat is nu niet het geval. Ook is te verwachten dat er een handtekening als voorbeeld heeft gediend die dan zorgvuldig wordt nagebootst. Meestal is dat voorbeeld bij het onderzoek niet voorhanden.”
Op pagina’s 15 en 16 van het rapport concludeert de deskundige als volgt:
“Op basis van het onderzoek aan de hand van het huidige overgelegde materiaal kan een uitspraak worden gedaan ten aanzien van de (…) hypothesen voor de betwiste handtekening.
De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de betwiste handtekening die is gezet voor de persoon [verzoeker] een authentieke handtekening van hem betreft (hypothese H1) dan wanneer het niet om een authentieke handtekening zou gaan, maar om een nabootsing of vervalsing (H2). In getallen uitgedrukt betekent dit als orde van grootte (en niet meer dan dat) dat de kans op deze bevindingen 100 tot 10.000 keer groter is wanneer de betwiste handtekening een authentieke handtekening betreft dan wanneer dat niet het geval is”
Uit de onderzoeksbevindingen van het deskundigenrapport volgt dat (i) betekenisvolle overeenkomsten zijn aangetroffen tussen de betwiste handtekening en de referentiehandtekeningen, (ii) geen sporen of kenmerken van vervalsing zijn waargenomen in de betwiste handtekening en (iii) de betwiste handtekening als geheel past binnen de variatie van de referentiehandtekeningen. Op grond daarvan concludeert de deskundige dat de resultaten van het onderzoek veel waarschijnlijker zijn indien de betwiste handtekening door [verzoeker] is geplaatst dan indien sprake zou zijn van vervalsing of nabootsing. Daarbij acht de deskundige het 100 tot 10.000 keer waarschijnlijker dat de handtekening van [verzoeker] afkomstig is dan dat deze is vervalst.
Het Gerecht ziet geen aanleiding om aan de bevindingen en conclusies van de deskundige te twijfelen en neemt deze over. In samenhang bezien met de verklaringen van 12 juli 2024 van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] — waaruit volgt dat [verzoeker] en Munaz de beëindigingsovereenkomst op 12 juli 2024 hebben ondertekend — is het Gerecht van oordeel dat Munaz is geslaagd in het op haar rustende bewijs dat de beëindigingsovereenkomst op die datum tot stand is gekomen en dat de handtekening daarop door [verzoeker] is geplaatst. Dit brengt mee dat de arbeidsovereenkomst op 12 juli 2024 is geëindigd, zodat de verzoeken van [verzoeker] zullen worden afgewezen. De stellingen van partijen over de vraag wanneer het werk/project waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan, behoeven daarom geen bespreking meer.
Verzoeker] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van Munaz gevallen en tot op heden begroot op Afl. 6.681,91,- aan kosten deskundige en Afl. 3.750,- aan salaris gemachtigde (3 punten x tarief 5), dit te vermeerderen met de wettelijke rente als na te melden.
Aan [verzoeker] zal verlof worden verleend tot kosteloos procederen, nu hij een bewijs van onvermogen heeft overgelegd.
3. DE BESLISSING
Het Gerecht:
wijst de verzoeken van [verzoeker] af;
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van Munaz, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 10.431,91, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 14 dagen na de datum van betekening van dit vonnis;
verleent aan [verzoeker] verlof tot kosteloos procederen.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.