GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
RBC Royal Bank (Aruba) N.V.,
De Centrale Bank van Aruba,
Uitspraak van 11 maart 2026
Lar nr. AUA202402533
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
gevestigd in Aruba,
APPELLANTE, hierna te noemen: RBC,
gemachtigden: de advocaten mrs. M.L.J.J.P. Willems en J.J. Steward,
gericht tegen:
zetelende in Aruba,
VERWEERDER, hierna te noemen: de Bank,
gemachtigde: de advocaat mr. A.A.D.A. Carlo.
PROCESVERLOOP
Bij beschikking van 4 maart 2022 heeft de Bank aan RBC een vijftal bestuurlijke boetes opgelegd van in totaal Afl. 599.445,-, wegens evenzovele overtredingen van de Landsverordening voorkoming en bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering (Lwtf).
Bij beslissing op bezwaar van 4 juni 2024 heeft de Bank het daartegen door RBC gemaakte bezwaar van 14 april 2022 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder bepaald dat het boetebedrag van wegens overschrijding van de redelijke termijn met Afl. 5.000,- wordt gematigd en opnieuw wordt vastgesteld op Afl. 594.445,-.
Hiertegen heeft RBC op 16 juli 2024 beroep ingesteld bij dit gerecht.
De Bank heeft op 8 november 2024 een verweerschrift ingediend.
De zaak is op 8 januari 2024 en 19 februari 2024 behandeld ter zitting. RBC is verschenen bij mr. M.L.J.J.P. Willems, en de Bank bij mr. A.A.D.A. Carlo. Ter zitting van 19 februari 2024 zijn aan de zijde van RBC tevens verschenen [medewerker 1], verbonden aan het hoofdkantoor van RBC Royal Bank te Canada en [medewerker 2], compliance officer bij RBC. Aan de zijde van de Bank was tevens verschenen [medewerker 3], werkzaam bij de Bank.
De uitspraak is nader bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
Het juridisch kader
1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
De omvang van het onderhavige geding
Bij primaire boetebeschikking van 11 juli 2022 heeft de Bank aan RBC de navolgende boetes opgelegd:
1. een boete van Afl. 225.000,- wegens overtreding van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, juncto artikel 48, tweede lid, van de Lwtf in samenhang met hoofdstuk 3, onderdeel 3.6.3.1, punt 70, en hoofdstuk 3, onderdeel 3.6.3.1, punt 75 van het Handboek, juncto artikel 5, tweede lid, juncto artikel 8, eerste lid, van de Lwtf;
2. een boete van Afl. 180.000,- wegens overtreding van artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Lwtf;
3. een boete van Afl. 211.050,- wegens overtreding van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, juncto artikel 48, tweede lid, van de Lwtf in samenhang met hoofdstuk 5, onderdeel 5.2, punt 13, van het Handboek;
4. een boete van Afl. 60.300,- wegens overtreding van artikel 11 van de Lwtf;
5. een boete van Afl. 180.000,- wegens overtreding van artikel 47, eerste lid, van de Lwtf.
Deze boetes bedragen in totaal Afl. 856.350,-. Wegens het ontbreken van een toezichtshistorie aan de zijde van RBC en het feit dat RBC heeft medegewerkt aan het on-site onderzoek heeft de Bank dit boetebedrag met 30% verlaagd, hetgeen resulteert in een totaal boetebedrag van Afl. 599.445,-.
Het op 14 april 2022 door RBC bij de Bank ingediende bezwaarschrift bevat uitsluitend gronden die betrekking hebben op de hiervoor onder 2, 3 en 5 genoemde overtredingen. De strekking van het bezwaar is dat de Bank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat RBC deze overtredingen heeft begaan. Het is het gerecht niet gebleken dat RBC in het kader van de behandeli ng van het bezwaar op de voet van artikel 15 e.v. van de Lar andere gronden naar voren heeft gebracht dan die, betrekking hebbende op de hiervoor genoemde drie overtredingen.
Gelet hierop – en anders dan RBC meent – heeft de Bank terecht betoogt dat de in beroep door RBC aangevoerde gronden, betrekking hebbende op de in bezwaar niet bestreden overtredingen en boetes genoemd onder 1 en 4, buiten beschouwing dienen te blijven. Deze overtredingen en de daarvoor opgelegde boetes maken immers geen deel uit van de heroverweging in bezwaar van de primaire boetebeschikking. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de beslissing op bezwaar ook geen afzonderlijke overwegingen zijn opgenomen die betrekking hebben op die in het bezwaarschrift niet bestreden overtredingen en boetes, welke als afzonderlijke besluitonderdelen van de primaire boetebeschikking kunnen worden beschouwd. De enkele omstandigheid dat in de beschikking op bezwaar is opgenomen dat “de primaire beschikking [wordt] gehandhaafd” (behoudens wat de matiging van de totale boete betreft met Afl. 5.000,-) is onvoldoende om aan te nemen dat ook de overtredingen en boetes, genoemd onder 1 en 4 door verweerder naar aanleiding van het bezwaar van RBC zijn heroverwogen en als zodanig deel uitmaken van de bestreden beslissing. Enige omstandigheid op grond waarvan RBC er geen verwijt van kan worden gemaakt dat zij niet ook tegen de onder 1 en 4 genoemde overtredingen en boetes bezwaar heeft gemaakt, is verder gesteld noch gebleken. Het gerecht gaat daarom aan de op die overtredingen en boetes betrekking hebben beroepsgronden voorbij. Het beroep, voor zover betrekking hebbend op die overtredingen en boetes, is niet-ontvankelijk.
De gronden van het beroep
3. De door RBC aangevoerde overige beroepsgronden zal het gerecht hieronder bespreken.
RBC betwist dat zij artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Lwtf heeft overtreden. Deze bepaling schrijft voor dat een dienstverlener als RBC in het kader van een cliëntenonderzoek het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie vaststelt. Naar de mening van RBC heeft zij aan deze verplichting voldaan en mocht zij daarbij volstaan met het informeren naar dat doel en die aard bij de desbetreffende (potentiële) cliënt. Slechts indien er twijfel bestaat omtrent de juistheid van de door deze aangeleverd cliënt bestaat er aanleiding nader onderzoek te doen. In de drie gevallen waarin verweerder overtreding van dit voorschrift heeft aangenomen, was geen reden tot een dergelijke twijfel en mocht RBC uitgaan van juistheid van de aangeleverde gegevens. Een verdergaande verplichting kan uit dit voorschrift niet worden afgeleid, aldus RBC. Zij heeft er daarbij op gewezen dat, anders dan in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, van de Lwtf, in onderdeel c van dit wetsartikel geen verificatie de opgegeven gegevens is voorgeschreven.
Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder verwijt RBC dat zij er geen blijk van heeft gegeven dat en op welke wijze zij de in de Transaction Profile Reports met betrekking tot de drie door de Bank genoemde cliënten opgenomen gegevens omtrent doel en beoogde aard van de zakelijke transactie nader heeft geverifieerd. Het gerecht overweegt dienaangaande allereerst dat het onderhavige voorschrift ertoe strekt om te waarborgen dat de dienstverlener inzicht krijgt in de motieven van de (potentiële) cliënt om een bankrelatie aan te gaan met de dienstverlener. De daarvoor benodigde gegevens zullen naar hun aard in eerste instantie afkomstig zijn van de (potentiële) cliënt zelf. Dat die gegevens standaard dienen te worden geverifieerd aan de hand van andere, objectieve bronnen, kan uit artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Lwtf niet worden afgeleid. RBC heeft op dit punt terecht gewezen op de omstandigheid dat dit artikelonderdeel, anders dan de onderdelen a en b, verificatie niet voorschrijft. Verweerder heeft ook ter zitting niet duidelijk kunnen maken op welke wijze en op grond van welke bronnen RBC die verificatie zou moeten verrichten. Voor zover verweerder heeft willen betogen dat RBC daarbij gebruik zou kunnen maken van bij haar bekende gegevens met betrekking tot andere cliënten, ziet het gerecht geen wezenlijk verschil met de door RBC omschreven handelwijze, te weten dat zij bij intern gerezen twijfel wel aanleiding ziet tot nader onderzoek. De conclusie is dat verweerder niet voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat RBC het onderhavige voorschrift heeft overtreden. De daarvoor opgelegde boete kan daarom niet in stand blijven.
RBC betwist ook dat zij artikel 3, eerste lid, onderdeel d, juncto artikel 48, tweede lid, van de Lwtf in samenhang met hoofdstuk 5, onderdeel 5.2, punt 13, van het Handboek, heeft overtreden. Dit verwijt komt er – kort gezegd – op neer dat in een aantal door de Bank onderzochte klantdossiers niet is gebleken dat RBC heeft voldaan aan de verplichte periodieke screening met het oog op de zogeheten Sanctielijsten en het zijn van een PEP (Politically Exposed Person). Deze screening heeft volgens RBC wel degelijk plaatsgevonden en wel via het geautomatiseerde Control List Filter-screeningsysteem (CLF). Indien het CLF een ‘alert’ afgeeft wordt dit in het Global Case Manager-systeem (GCM) opgeslagen. Het CLF en het GCM zijn op het niveau van het moederbedrijf van RBC geïmplementeerd en staan ter beschikking van alle onderdelen van het moederbedrijf. Alleen ‘alerts’ worden in het GCM opgeslagen. De resultaten van screenings die geen ‘alert’ opleveren worden niet opgeslagen. De daarvoor benodigde digitale opslagcapaciteit zou onevenredig groot zijn. Dat betekent echter niet dat die screenings niet hebben plaatsgevonden.
Deze beroepsgrond slaagt. Het gerecht begrijpt het standpunt van de Bank aldus, dat deze niet betwist dat screening door middel van het CLF op zichzelf leidt tot adequate resultaten. Het aan RBC gerichte verwijt betreft de omstandigheid dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat een periodieke screening heeft plaatsgevonden ten aanzien van klantdossiers waarvan dit uit het GCM niet blijkt. De Bank wijst er in dit verband op dat alleen ‘alerts’ in het GCM worden opgeslagen, terwijl de resultaten van screenings die geen ‘alert’ hebben opgeleverd nergens worden vastgelegd.
Mede gelet op de uitleg die ter zitting is gegeven door [medewerker 1] omtrent de werking van het CLF, acht het gerecht die omstandigheid op zichzelf niet genoeg om de conclusie te kunnen trekken dat onvoldoende is gewaarborgd dat de voorgeschreven periodieke screening heeft plaatsgevonden. Dat het opslaan van de resultaten van alle screeningshandelingen uit technisch oogpunt zeer bezwaarlijk is, acht het gerecht voldoende aannemelijk geworden. Indien die screeningshandelingen echter zijn ingebed in daarvoor bij RBC geldende werkprocessen, kan naar het oordeel van het gerecht ook voldoende gewaarborgd zijn dat de voorgeschreven periodieke screening op adequate wijze geschiedt. Nu de Bank enkel heeft gekeken of er traceerbare gegevens zijn aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat een screening heeft plaatsgevonden, kunnen haar bevindingen niet zonder meer de conclusie rechtvaardigen dat RBC op dit punt te kort is geschoten. De bestreden beslissing ontbeert ook op dit punt een deugdelijke motivering. De voor deze overtreding opgelegde boete kan daarom niet in stand blijven.
RBC betwist ten slotte dat zij artikel 47, eerste lid, van de Lwtf heeft overtreden. Dit verwijt komt erop neer dat de door RBC aangestelde compliance officer ten onrechte niet belast is met de verantwoordelijkheid voor de naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van de voorkoming en bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, zoals voorgeschreven in dit artikellid. Die conclusie van verweerder berust op een onjuiste voorstelling van zaken, aldus RBC. Ten onrechte stelt de Bank dat de compliance officer van RBC slechts belast is met het melden van ongebruikelijke transacties en het optreden als verbindingspersoon tussen de Bank en RBC en haar moederbedrijf te Toronto, Canada. RBC heeft dit gemotiveerd weersproken door nader uiteen te zetten hoe de compliance officer invulling geeft aan haar taak en hoe zij daarbij wordt ondersteund door vanuit het moederbedrijf. RBC heeft daarbij uiteengezet dat de compliance officer, anders dan de Bank stelt, wel degelijk betrokken is bij cliëntenonderzoeken. Dat zij de daarvoor benodigde informatie mede aangeleverd krijgt door andere functionarissen, maakt dit niet anders, aldus RBC.
Ook deze beroepsgrond slaagt. De Bank heeft de stellingen van RBC onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Die weerlegging in zowel de bestreden beslissing als het verweerschrift behelst in wezen niet meer dan een verwijzing naar hetgeen op dit punt in de primaire boetebeschikking is vermeld en naar de aan RBC verzonden brief van 12 september 2019. Dit houdt echter weinig meer in dan de conclusie dat artikel 47, eerste lid, van de Lwtf is geschonden en bevat geen motivering waarom het betoog van RBC geen hout snijdt. Dit betekent dat verweerder ook deze overtreding niet afdoende heeft aangetoond, zodat ook de daarvoor opgelegde boete niet in stand kan blijven.
Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond en de bestreden beslissing moet worden vernietigd. Nu de in deze procedure aan de orde zijnde boetes niet kunnen worden gehandhaafd, zal het gerecht met toepassing van artikel 47, vierde lid, van de Lar zelf in de zaak voorzien door het totale boetebedrag opnieuw vast te stellen. Het gerecht neemt daarbij de hiervoor in ro. 2.1 genoemde, niet ter discussie staande, bedragen tot uitgangspunt. Dit levert de volgende berekening op:
een boete van Afl. 225.000,- wegens overtreding van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, juncto artikel 48, tweede lid, van de Lwtf in samenhang met hoofdstuk 3, onderdeel 3.6.3.1, punt 70, en hoofdstuk 3, onderdeel 3.6.3.1, punt 75 van het Handboek, juncto artikel, tweede lid, juncto artikel 8, eerste lid, van de Lwtf;
een boete van Afl. 60.300,- wegens overtreding van artikel 11 van de Lwtf.
Bij elkaar opgeteld is dit een boete van van Afl. 285.300,-. Hierop dient vervolgens ook de verlaging met 30% wegens het ontbreken van een toezichtshistorie en het feit dat RBC heeft medegewerkt aan het on-site onderzoek, te worden toegepast. Dit resulteert in een boete van Afl. 199.710,-.
Voor een verdere matiging van dit boetebedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat geen aanleiding. Nu RBC wat deze overtredingen en boetes betreft, geen bezwaar heeft gemaakt bij de Bank moet zij geacht worden deze boetes als terecht opgelegd te hebben aanvaard. Er kan daarom niet gezegd worden dat zij ter zake nadien spanning en frustratie heeft ondervonden.
Griffierecht en proceskosten
Omdat het beroep gegrond zal worden verklaard, is er aanleiding de Bank te veroordelen in de door RBC gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.750.- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1,5 punt voor beide zittingen, met een waarde per punt van Afl. 700.- en wegingsfactor 1). Tevens dient de Bank het gestorte griffierecht ter hoogte van Afl. 25.- te vergoeden.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).
Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.
U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de dag van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.
Bijlage bij de uitspraak van 11 maart 2026 (AUA202402533)
Het wettelijk kader, zoals geldend ten tijde hier van belang
De Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering
Artikel 3
1. Ter voorkoming en bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering verrichten dienstverleners een cliëntenonderzoek dat in ieder geval het navolgende omvat:
a. de identificatie van de cliënt en de verificatie van diens identiteit,
b. de identificatie van de uiteindelijk belanghebbende en het treffen van redelijke maatregelen om de identiteit van de uiteindelijke belanghebbende zodanig te verifiëren dat de dienstverlener overtuigd is van de identiteit van die uiteindelijke belanghebbende,
c. de vaststelling van het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie, en
d. de verrichting van doorlopende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties, teneinde te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de dienstverlener heeft van de cliënt en de uiteindelijke belanghebbende, van hun risicoprofiel, met, in voorkomend geval, een onderzoek naar de bron van het bij de transactie of zakelijke relatie gemoeide vermogen.
Artikel 37
1. Ter zake van de overtreding van de bij of krachtens de ar-tikelen 3 tot en met 6, eerste, tweede of vierde lid, 7, 8, eerste lid, 9, 10, tweede of derde lid, 11 tot en met 19, 26, 27, 28, tweede lid, 31, 33, 34, 35, zesde lid, 36, vierde lid, 45 tot en met 47, 48, tweede en derde lid, tweede volzin, 50, eerste, tweede en vierde lid, en 54 gestelde voorschriften kan de Bank een last onder dwangsom opleggen.
2. Ter zake van de in het eerste lid bedoelde feiten kan de Bank ook een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste Afl. 1.000.000,- per afzonderlijke overtreding.
Artikel 47
1. Dienstverleners beschikken over een persoon ten behoeve van hun organisatie die belast is met de zorg voor de naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van de voorkoming en bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering.
Artikel 48
1. De Bank kan, zo nodig per daarbij te onderscheiden categorieën van dienstverleners, richtlijnen geven en verschaft voorlichting met betrekking tot de toepassing van de Hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van deze landsverordening. Een richtlijn kan mede betrekking hebben op de toepassing van andere wettelijke regelingen, voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstelling van deze landsverordening. Indien een richtlijn betrekking heeft op de toepassing van Hoofdstuk 3, overlegt de Bank vooraf met het Meldpunt.
2. Dienstverleners volgen een richtlijn als bedoeld in het eerste lid op.
Handbook for the prevention and detection of money laundering and combatting the financing of terrorism for financial and trust services business regulated by the Centrale Bank van Aruba
Hoofdstuk 5, onderdeel, 5.2, punt 13
A Regulated Entity must, as a part of its on-going CDD procedures, establish appropriate customer activity and transaction monitoring procedures that scrutinize the activity and transactions of its customers.