Uitspraak van 25 maart 2026
BBZ nrs. AUA202501613 en AUA202501614
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], wonende te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Aruba,
de Inspecteur.
1. PROCESVERLOOP
Aan belanghebbende zijn op 9 september 2024 aanslagen premies AOV/AWW en AZV voor het jaar 2022 opgelegd naar een premie-inkomen inkomen van Afl. 85.000, resulterend in een bedrag aan verschuldigde premies van respectievelijk Afl. 13.175 (AOV/AWW) en Afl. 8.925 (AZV). Na verrekening van de door de werkgever ingehouden premies AOV/AWW (Afl. 4.392) en premie AZV (Afl. 2.975) resulteert dit in te betalen bedragen aan premies van respectievelijk Afl. 8.783 (AOV/AWW) en Afl. 5.950 (AZV).
Belanghebbende heeft daartegen op 29 maart 2025 bezwaar gemaakt.
De Inspecteur heeft bij uitspraken van 1 april 2025 de bezwaren ontvankelijk geacht en de aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende heeft op 27 mei 2025 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.
De Inspecteur heeft op 16 september 2025 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026 te Oranjestad. Belanghebbende is verschenen vergezeld van zijn echtgenote mevrouw [A]. Namens de Inspecteur is verschenen mr. J.J. Quijada. De rechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2. FEITEN
Belanghebbende was vanaf 1 mei 1996 tot 30 april 2022 als ‘Security Officer’ in dienst bij [X] N.V. (hierna: [X]).
Belanghebbende heeft in het kader van zijn ontslag een ontslagvergoeding ontvangen. In de ‘termination agreement’ van 29 april 2022 staat hierover het volgende:
“(…)
Punt 2: [Belanghebbende] shall receive a one-time lump sum payment Afl. 125.000 gross less any and all applicable taxes, social deductions and contractual obligations. Payment will be made in the payroll of May 2022.
(…)”
Op de salarisspecificatie van 20 mei 2022 staat vermeld dat belanghebbende in mei 2022 een ontslagvergoeding van Afl. 125.000 heeft genoten, waarop onder meer een bedrag van Afl. 31.250 aan loonbelasting is ingehouden. Door [X] is over de ontslagvergoeding geen werkgeversdeel van de premies berekend en afgedragen.
Volgens de tot de gedingstukken behorende loonbelastingkaart 2022 heeft belanghebbende in 2022 bij [X] een bruto loon genoten van Afl. 148.906 inclusief de ontslagvergoeding en is daarbij Afl. 2.975 aan premie AZV en Afl. 4.392, aan premies AOV/AWW ingehouden. De eigen bijdrage (ofwel: het werknemersdeel) van de premies AOV/AWW bedraagt volgens de loonbelastingkaart Afl. 1.417 en dat van de AZV Afl. 454.
De aanslag premies AOV/AWW bedraagt Afl. 13.175 en is opgelegd naar een (maximum) premie-inkomen van Afl. 85.000. Rekening houdend met de ingehouden premies van Afl. 4.392 is belanghebbende volgens de aanslag een bedrag van Afl. 8.783 aan premies AOV/AWW verschuldigd.
De aanslag premie AZV bedraagt Afl. 8.925 en is opgelegd naar een (maximum) premie-inkomen van Afl. 85.000. Rekening houdend met de ingehouden premie van Afl. 2.975 is volgens de aanslag een bedrag van Afl. 5.950 aan premie AZV verschuldigd.
De maximum premiegrenzen voor de sociale premies voor het jaar 2022 bedragen als volgt.
AOV/AWW
Bedrag (Afl.)
%
Premiegrens
85.000
Maximumpremie
13.175
15.50
Werkgeversdeel
8.925
10.50
Werknemersdeel
4.250
5.00
AZV
Bedrag (Afl.)
%
Premiegrens
85.000
Maximumpremie
8.925
10.5
Werkgeversdeel
7.565
8.90
Werknemersdeel
1.360
1.60
3. GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN
In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslagen premies AOV/AWW en AZV voor het jaar 2022 juist zijn vastgesteld. Meer specifiek is de vraag of de werkgever over de ontslagvergoeding een werkgeversdeel premies had moeten berekenen en afdragen. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en is op grond daarvan van mening dat de aanslagen te hoog zijn opgelegd. De Inspecteur beantwoordt de vraag ontkennend.
De hoogte van de vastgestelde premie-inkomens is niet in geschil.
4. BEOORDELING VAN HET BEROEP
Belanghebbende is in 2022 als ingezetene van Aruba verzekerde en premieplichtig voor de AOV en de AWW (artikel 5 en 23 van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (LAOV) en artikel 6 en 26 van de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (LAWW)). Hij is tevens verzekerde en premieplichtig voor de AZV (artikel 3 en 38b van de Landsverordening algemene ziektekostenverzekering (LAZV).
De verschuldigde premies worden geheven over het in het kalenderjaar genoten premie-inkomen en vastgesteld in een percentage van dat inkomen (artikel 26, lid 1 LAOV, artikel 29, lid 1 LAWW en artikel 38b, lid 3 LAZV).
Het premiepercentage en het premie-inkomen waarover maximaal premies worden geheven, worden jaarlijks vastgesteld. Indien de verzekerde in dienstbetrekking werkzaam is, betaalt de werkgever ter compensatie van de door de verzekerde verschuldigde premies een toeslag op het loon (artikel 58 LAOV en 52 LAWW en artikel 38l LAZV). Die toeslag vormt het werkgeversdeel van de premies. Voor de in het onderhavige jaar geldende premie-percentages, de maximum premie-inkomens en de hoogte van het zogenaamde werkgeversdeel van de premies verwijst het Gerecht naar het overzicht in 2.7.
Alvorens een oordeel te geven over de (on)juistheid van de inhoudingen en afdrachten premieheffing stelt het Gerecht het volgende voorop. In artikel 29, lid 1 LAOV en 32, lid 1 LAWW en artikel 38e, lid 1 en 2 LAZV is bepaald dat de heffing van de verschuldigde premies (bij de verzekerde, aanvulling Gerecht) geschiedt, onder verrekening van ingehouden premies, bij wege van aanslag. Nu tussen partijen de hoogte van de premie-inkomens en de daadwerkelijk gepleegde inhoudingen en afdrachten niet in geschil zijn, pleit de letterlijke tekst van de hiervoor vermelde bepalingen voor het oordeel dat de aanslagen tot de juiste bedragen zijn opgelegd. De vraag of de inhouding en afdracht van de premies op de juiste wijze heeft plaatsgevonden zou dan niet meer van belang zijn. Echter, de systematiek van de wet verzet zich tegen deze strikt grammaticale interpretatie. Het Gerecht is van oordeel dat, als de Inspecteur bij de werknemer de te weinig afgedragen premies AOV/AWW en AZV bij wege van aanslag heft, dit uitsluitend betrekking kan hebben op het werknemersdeel van de premies.
Belanghebbende stelt zich in dit verband op het standpunt dat de werkgever ten onrechte niet het werkgeversdeel van de premies over de ontslaguitkering heeft voldaan. Hij is van mening dat hij over de ontslaguitkering slechts het werknemersdeel van de premies AOV/AWW en AZV is verschuldigd en niet de volledige premie, aangezien de verplichting tot afdracht van (het werkgeversaandeel van) de premies op de werkgever rust. Volgens belanghebbende heeft de inhouding van premies derhalve niet op de juiste wijze plaatsgevonden. Het werkgeversdeel had door de werkgever, in diens hoedanigheid van inhoudingsplichtige, moeten worden voldaan.
De Inspecteur stelt dat de ontslaguitkering loon uit vroegere dienstbetrekking vormt en dat de werkgever daarom niet gehouden was daarover een werkgeversdeel van de premies AOV/AWW en AZV af te dragen aan de Belastingdienst. Belanghebbende is terecht voor dit deel van de premies aangeslagen. De Inspecteur concludeert dat de aanslagen premies AOV/AWW en AZV voor het jaar 2022 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.
In artikel 29, lid 2 LAOV en 32, lid 2 LAWW en in artikel 38e, lid 2 LAZV is opgenomen dat de heffing van de premie van verzekerden, “die van een inhoudingsplichtige loon (…) uit een bestaande dienstbetrekking genieten” (AOV/AWW) of “die in dienstbetrekking werkzaam zijn” (AZV), bij wijze van inhouding geschiedt. Ingevolge artikel 58 LAOV en 52 LAWW betalen “inhoudingsplichtigen die personen in dienst hebben”, ter compensering een toeslag op het loon (het werkgeversaandeel). Ingevolge artikel 38l LAZV betaalt “de werkgever bij wie een premieplichtige in dienstbetrekking werkzaam is”, ter compensering een toeslag op het loon. Het Gerecht leidt uit deze bepalingen af dat er slechts inhoudingsplicht bestaat bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en dat ook slechts in die situatie een werkgeversaandeel voor rekening van de inhoudingsplichtige komt. Voor zover de verzekerde andere inkomsten geniet dan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, zoals winst uit onderneming of inkomsten uit vroegere dienstbetrekking, komt de premie daarover voor rekening van de verzekerde.
Belanghebbende heeft in het kader van zijn ontslag recht op een ontslagvergoeding van Afl. 125.000. De vraag die, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, beantwoord moet worden is of die vergoeding loon uit tegenwoordige dienstbetrekking vormt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 31 januari 2014 over het onderscheid tussen inkomsten uit tegenwoordige en vroegere arbeid het volgende geoordeeld:
“Voor het onderscheid tussen inkomsten uit tegenwoordige arbeid en inkomsten uit vroegere arbeid komt het erop aan of de genoten inkomsten ten nauwste verband houden met bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid waarvoor die inkomsten een rechtstreekse beloning vormen, dan wel of die inkomsten niet een onmiddellijke tegenprestatie voor die arbeid vormen doch slechts meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid. De omstandigheid dat de dienstbetrekking waaruit de inkomsten worden genoten ten tijde van het genieten ervan nog bestond, is daarbij niet doorslaggevend (vgl. HR 26 juni 1968, nr. 15929, BNB 1968/169).”
Tegenover de betwisting van de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de ontslagvergoeding een onmiddellijke tegenprestatie voor in een bepaald tijdvak verrichte arbeid vormt. Naar het oordeel van het Gerecht vindt de ontslagvergoeding meer algemeen haar oorzaak in het voorheen verricht zijn van arbeid. Dat betekent dat de ontslagvergoeding inkomsten uit vroegere arbeid ofwel uit vroegere dienstbetrekking vormt. Of de dienstbetrekking op het moment van het genieten van de ontslagvergoeding nog bestond is daarbij niet van belang. Bij een ontslaguitkering wordt de dienstbetrekking geacht te zijn beëindigd, ook in het geval dat die in feite nog bestaat.
Omdat de ontslaguitkering loon uit vroegere dienstbetrekking vormt hoeft de werkgever daarover geen werkgeversaandeel te vergoeden en komt in zoverre de volledige premie voor rekening van belanghebbende. Het gelijk is aldus aan de Inspecteur.
Belanghebbende heeft hier tegenin gebracht dat volgens punt 2 van de ‘termination agreement’ de werkgever verplicht was om alle belastingen en premies voor haar rekening te nemen. Het Gerecht verwerpt dit standpunt nu belanghebbende op grond van die bepaling recht had op een bruto uitkering van Afl. 125.000, waarop belastingen en premies nog in mindering komen.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in strijd wordt gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, omdat onderscheid wordt gemaakt tussen een eerste groep werknemers bij wie de werkgever wel premies heeft ingehouden en afgedragen, en hemzelf (die tot een tweede groep werknemers behoort), bij wie geen premies zijn ingehouden.
De Inspecteur heeft aangevoerd dat hij de door belanghebbende genoemde “groepen” werknemers niet kent, dat hij niet weet hoe andere werknemers fiscaal behandeld zijn en dat hij bij gebrek aan wetenschap betwist dat sprake is van gelijke gevallen die verschillend behandeld zijn. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende tegenover de betwisting van de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat gelijke gevallen gunstiger behandeld zijn dan belanghebbende. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.
6. BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep tegen de aanslagen premies AOV/AWW en AZV voor het jaar 2022 ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en is uitgesproken op 25 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel-van der Biezen BSc.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Afl. 75
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300