Vonnis van 18 februari 2026
Behorend bij AUA202500238 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiser],
te Aruba,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. G.W. Rep,
tegen:
de naamloze vennootschap FATUM LIFE ARUBA N.V.,
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: Fatum,
gemachtigden: mrs. J. Meulens en R. Spinhoven.
1. DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- de akte uitlating producties.
Vandaag wordt vonnis gewezen.
2. DE VASTSTAANDE FEITEN
Eiser] is enige erfgenaam van zijn echtgenoot [echtgenoot van eiser] (hierna: [echtgenoot van eiser]), geboren op [geboortedatum] 1951 en te Aruba overleden op 17 augustus 2022. [Eiser] en [echtgenoot van eiser] kochten samen een woning die door middel van een hypothecaire geldlening was gefinancierd. In het kader van deze geldlening was het noodzakelijk dat nog voor de 70-e verjaardag van [echtgenoot van eiser] een overlijdensrisicoverzekering werd afgesloten op zijn leven voor een bedrag van Afl. 210.000,00. Na een medische check heeft Fatum dekking verleend. De begunstigden op de polis zijn de erfgenamen van [echtgenoot van eiser] en dus [eiser]. [Eiser] en [echtgenoot van eiser] hebben de woning kunnen kopen. Na het overlijden van [echtgenoot van eiser] heeft Fatum uitkering geweigerd omdat hij een medische aandoening zou hebben verzwegen. [Eiser] heeft zich genoodzaakt gezien daarom de woning te verkopen omdat hij de lasten daarvan niet kon dragen.
De volgende chronologie van de gebeurtenissen tijdens leven van [echtgenoot van eiser] is relevant voor de beoordeling:
15 maart 2021: [echtgenoot van eiser] meldt zich bij huisarts wegens aambeien en krijgt verwijzing naar MDL-specialist
16 maart 2021: bloedonderzoek, o.a. PSA
22 april 2021: consult bij MDL-specialist die een echoscopie voorschrijft
18 mei 2021: door [echtgenoot van eiser] ondertekende Gezondheidsverklaring t.b.v. de overlijdensrisicoverzekering (hierna: de Gezondheidsverklaring)
2 juni 2021: brief van Fatum dat de polis zal worden verstrekt
17 mei 2021: polis
17 juni 2021: 70e verjaardag van [echtgenoot van eiser]
20 juli 2021: echoscopie
12 augustus 2021: uitslag echoscopie
3 september 2021: specialist stelt diagnose rectum carcinoom met verdenking metastase
17 augustus 2022: [echtgenoot van eiser] overlijdt
De chronologie na zijn overlijden:
26 augustus 2022: huisarts noteert als oorzaak overlijden: rectum carcinoom met metastasen
17 oktober 2022: Fatum schrijft aan [eiser] dat er sprake is van verzwijging en dat uitkering op grond van de polis niet zal plaatsvinden
27 oktober 2022: [eiser] komt op kantoor van Fatum maar weigert de brief van 17 oktober 2022 in ontvangst te nemen. Deze is per post aan hem gestuurd
8 augustus 2023: verklaring van de MDL-specialist
20 september 2023: e-mail van advocaat van [eiser] die de medische stukken opvraagt
28 september 2023: Fatum schrijft aan advocaat van [eiser] de overlijdensuitkering op te schorten totdat voldoende komt vast te staan dat er geen sprake is van verzwijging
3 oktober 2023: advocaat van [eiser] vraagt opnieuw medische stukken die hij op 12 oktober 2023 ontvangt
16 augustus 2024: advocaat van [eiser] verzoekt Fatum om de opschorting van de uitkering te heroverwegen
4 september 2024: Fatum raadpleegt haar medisch adviseur en vraagt nieuwe medische stukken op
21 oktober 2024: tussenadvies medisch adviseur van Fatum
2 december 2024: advocaat van [eiser] stuurt aan Fatum de verklaring van de MDL specialist van 8 augustus 2023 op
4 december 2024: nader advies medisch adviseur van Fatum.
Op de vraag onder 3 van de Gezondheidsverklaring verklaart [echtgenoot van eiser] dat de PSA test alleen heeft plaatsgevonden wegens zijn vestiging in Aruba per 2020. De vraag of hij in de afgelopen vijf jaar een arts heeft bezocht is door [echtgenoot van eiser] met nee beantwoord. De vraag of hem ooit is geadviseerd een onderzoek te ondergaan aan zijn maag- en darmstelsel heeft hij ook met nee beantwoordt.
Uit de patiëntenkaart van de huisarts op 15 maart 2021: “Sinds paar maanden veranderde def patroon. Dunnere omtrek van def. Intermitterend aambeien + Slijm + maar geen bloed of melaena. Irritatiegevoel anus. Jaren geen anale coitus. Partner met ED. Laatste bevolkingsonderzoek voor colonca goed. Fam: vader en neef (paternale kant) bekend met colon poliepen. Patiënt altijd gezond geweest eet veel groenten en fruit, maar drinkt weinig water. Fietst elke dag.”
In het door de huisarts op 26 augustus 2022 ingevulde formulier van Fatum komt de volgende passage voor:
“4. When did the disease in 2 (b) first manifest itself? Answer 15th March 2021 August 2021 diagnosed.”
Uit de verklaring van de MDL specialist van 8 augustus 2023:
“First visit: April 22nd 2021. On this date I saw the patient for the first time and requested a colonoscopy.
The colonoscopy took place on July 20th 2021 and on this same date I also requested a Ct-scan and MRI pelvis. I saw [echtgenoot van eiser] back at my office on Augst 12th 2021 for his result regarding the above mentioned tests. In between then and up until July 6th 2022 I had other appointments with the patient (physical consults, telephonic consults and endoscopy. His last appointment with me was on this date.”
Het nadere advies van de medisch adviseur van Fatum van 4 december 2024 luidt als volgt:
“Deze man wist dus in april dat hij een scopy zou ondergaan.
Die MDL arts had reden genoeg voor dit onderzoek.
Mi had client dit in mei moeten melden bij de aanvraag.”
3. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Eiser] verzoekt het Gerecht om Fatum bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan hem de hierna te noemen bedragen te voldoen: (i) een bedrag van AWG 210.000,00 als uitkering ingevolge de verzekeringsovereenkomst met Fatum, (ii) de wettelijke rente daarover vanaf 17 september 2022, althans zodanige datum als het Gerecht in goede justitie juist acht, (iii) een bedrag van AWG 4.392,19 ter dekking van redelijke kosten ex artikel 6:96 BW, (iv) een bedrag van AWG 2.338,59 vanwege geleden schade, bestaande uit de aan RBC Bank betaalde boete vanwege vervroegde inlossing van de hypotheek, en (v) Fatum te veroordelen in de kosten van dit geding.
Fatum verzoekt om dat het Gerecht, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaard, dan wel dat deze worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en de nakosten.
Het gerecht zal op de standpunten van partijen, hierna waar nodig nader ingaan.
4. DE BEOORDELING
De toepasselijke regels
Allereerst moet het Gerecht vaststellen welke wettelijke regels van toepassing zijn. De hiervoor onder 4.1 onder c genoemde wetsartikelen zijn namelijk ingevoerd op 1 september 2021. De Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw BW (hierna: de Landsverordening) bepaalt in artikel 168 lid 1 dat artikel 7:928 BW niet van toepassing is op polissen die voor 1 september 2021 zijn afgesloten. Dat is hier het geval zodat dit wetsartikel toepassing mist. Wat betreft artikel 7:930 BW bepaalt lid 2 van hetzelfde artikel dat dit artikel niet van toepassing is als de verzekeraar zich binnen een jaar na de inwerkingtreding erop beroept dat aan de mededelingsplicht van artikel 320 Wetboek van Koophandel (hierna: WK) niet is voldaan. Op 17 oktober 2022 heeft Fatum dat aan [eiser] bericht en dat is buiten dat jaar zodat dit artikel wél van toepassing is. Conclusie: het Gerecht moet wel artikel 7:930 BW toepassen maar niet artikel 7:928 BW.
Het aldus toe te passen artikel 320 WK bepaalt: “Elke verkeerde of onwaarachtige opgave of welke verzwijging van aan de verzekerde bekende omstandigheden, hoezeer te goeder trouw aan diens zijde hebbende plaats gehad, welke van die aard is, dat de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten, indien de verzekeraar van de ware staat van zaken had kennis gedragen, maakt de verzekering vernietigbaar.”
Artikel 7:930 BW luidt als volgt:
“Indien aan de in artikel 928 omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, bestaat alleen recht op uitkering overeenkomstig het tweede en derde lid.
De bedongen uitkering geschiedt onverkort, indien de niet of onjuist meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de boordeling van het risico, zoals dit zich heeft verwezenlijkt.
Indien aan het tweede lid niet is voldaan, maar de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken een hogere premie zou hebben bedongen, of de verzekering tot een lager bedrag zou hebben gesloten, wordt de uitkering verminderd naar evenredigheid van hetgeen de premie meer of de verzekerde som minder zou hebben bedragen. Zou de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken ander voorwaarden hebben gesteld, dan is slechts een uitkering verschuldigd als waren deze voorwaarden in de overeenkomst opgenomen.
In afwijking van het tweede en derde lid is geen uitkering verschuldigd aan de verzekeringnemer of de derde, bedoeld in artikel 928, tweede of derde lid, die heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Evenmin is een uitkering verschuldigd aan de derde indien de verzekeringnemer, met het opzet de verzekeraar te misleiden, niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht betreffende de derde.”
De verweren van Fatum
Fatum voert de volgende verweren:
[Eiser] heeft te laat geklaagd over het uitblijven van de verzekeringsuitkering in de zin van artikel 6:89 BW;
[Eiser] heeft niet voldaan aan zijn waarheidsplicht op grond van artikel 18c Rv;
[Echtgenoot van eiser] heeft niet voldaan aan zijn mededelingsplicht met de opzet Fatum te misleiden als bedoeld in artikelen 7:928 lid 1 en 7:930 lid 5 BW. Fatum zou bij de ware kennis van zaken geen overlijdensrisicoverzekering met [echtgenoot van eiser] hebben willen afsluiten.
De klachtplicht
Fatum voert het verweer dat [eiser] door pas op 16 augustus 2024 te reageren op haar brief van 28 september 2023 te laat heeft geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW. Temeer omdat haar eerste afwijzing dateert van 17 oktober 2022. Dit verweer gaat niet op. Immers, uit de hiervoor weergegeven chronologie volgt dat Fatum naar aanleiding van deze brief haar medisch adviseur heeft geraadpleegd en opnieuw een afweging heeft gemaakt met hetzelfde resultaat; het op inhoudelijke gronden afwijzen van de claim. Als een verzekeraar dat doet kan hij niet in de opvolgende procedure bij de rechter een beroep doen op schending van de klachtplicht; de verzekeraar heeft er immers geen nadeel van ondervonden getuige de inhoudelijke afwijzing. Anders dan Fatum aanvoert is verder niet gebleken dat zij enig nadeel heeft ondervonden van de, inderdaad, laattijdige reactie op 16 augustus 2024. Uit haar verweer in deze zaak blijkt namelijk van het tegendeel. Dit verweer van Fatum treft dus geen doel.
Waarheidsplicht
Fatum verwijt [eiser] verder dat hij de brief van 8 augustus 2023 van de MDL-specialist heeft achtergehouden. Als die brief eerder was gedeeld met haar dan had Fatum in haar brief van 28 september 2023 geschreven de uitkering niet te doen in plaats van deze op te schorten tot duidelijk is of [echtgenoot van eiser] al dan niet relevante informatie had verzwegen. Ook verwijt Fatum [eiser] dat hij in het verzoekschrift geen openheid heeft gegeven over de gang van zaken na 28 september 2023.
Artikel 18c Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig, naar waarheid en in een zo’n vroeg mogelijk stadium aan te voeren. Als dat niet gebeurt kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Het Gerecht overweegt dat het eerste verwijt dat Fatum aan [eiser] maakt ziet op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voorafgaande aan deze procedure. Reeds daarom gaat dit verwijt niet op. En wat betreft het tweede verwijt oordeelt het Gerecht dat dit niet zwaarwegend genoeg is om tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen te leiden of tot enige andere gevolgtrekking.
Verzwijging
Het Gerecht komt nu toe aan de inhoudelijke kant van de zaak. Fatum wijst op de vaststaande feiten onder 2.4. [echtgenoot van eiser] had op de Gezondheidsverklaring moeten melden dat hij bij de specialist liep en een colonoscopie zou ondergaan. Als dat het geval zou zijn geweest dan had Fatum de beslissing om de verzekering af te sluiten aangehouden tot de uitslag van het onderzoek. Mogelijk had [echtgenoot van eiser] haast bij de verzekering omdat hij anders zijn nieuwe woning niet zou kunnen financieren maar dat is natuurlijk niet het probleem van Fatum. Eerder onderstreept dat de opzet van [echtgenoot van eiser] om de vragen niet naar waarheid te beantwoorden terwijl hij had moeten begrijpen dat correcte informatie over zijn gezondheid voor Fatum doorslaggevend is om al dan niet een overlijdensrisicoverzekering op zijn leven af te sluiten. Vanwege deze opzet hoeft Fatum niet uit te keren. Als de ware stand van zaken met haar was gedeeld was dekking nooit verleend, aldus Fatum.
Daar stelt [eiser] het volgende tegenover. [Echtgenoot van eiser] is naar de huisarts gegaan omdat hij last had van aambeien. Er was geen vermoeden van enige andere kwaal. Dat uit het journaal van de huisarts ook bleek van een harde plek is toen niet aan [echtgenoot van eiser] medegedeeld maar is pas achteraf gebleken. Dat doen huisartsen wel vaker om patiënten niet nodeloos ongerust te maken. Pas nadat onderzoek heeft plaatsgevonden wordt immers duidelijk of er iets aan de hand is. [Eiser] herinnert zich over de verwijzing naar de MDL-specialist het volgende: “Wat ik me nog kan herinneren is dat de huisarts hem heeft doorverwezen naar de MDL voor controle gezien zijn leeftijd. In Nederland heeft hij altijd meegedaan aan het landelijk onderzoek voor “darmkanker”. Nogmaals hij ging naar de arts voor aambeien dus heeft alle verdere onderzoeken niet gekoppeld met “kanker” en hij voelde zich verder goed.” Uit de ruime termijnen die werden gehanteerd voor de doorverwijzing en de echoscopie was er volgens de huisarts en de MDL arts kennelijk ook geen haast bij dus ook geen verdenking dat er medisch iets ernstigs loos was. Met dit alles in het achterhoofd zijn [eiser] en [echtgenoot van eiser] naar de verzekeringsarts [verzekeringsarts] (in het dagelijks leven huisarts op Aruba) van Fatum gegaan. Met hem hebben zij “een gesprekje” gevoerd en “uiteraard ook verteld over de recente doktersbezoeken aan huisarts en MDL. Dat zij beiden daarover als toelichting hebben gegeven dat dit was vanwege de aambeien en dat het vanwege de leeftijd als routine werd gezien, is volstrekt begrijpelijk.” Fatum moet bewijzen dat er sprake is van verzwijging nu [echtgenoot van eiser] alle medische informatie met de verzekeringsarts heeft gedeeld. [Verzekeringsarts] heeft de antwoorden op de vragenlijst ingevuld naar aanleiding van het gesprek. Niet alle Engelstalige vragen zijn letterlijk in het gesprek, dat in het Nederlands werd gevoerd, aan [echtgenoot van eiser] voorgehouden. Daarna heeft hij zijn handtekening geplaatst. [Eiser] doet een bewijsaanbod: hij biedt aan [verzekeringsarts], mevrouw [medewerker van Fatum] die als getuige de gezondheidsverklaring op 23 juni 2021 heeft ondertekend en hemzelf als getuigen te horen over het gesprek en het invullen van de Gezondheidsverklaring. Ook biedt hij aan de MDL-specialist te horen; die zal kunnen verklaren dat hij in april 2021 niet heeft kunnen vaststellen, noch dat hij het zeer aannemelijk achtte, dat sprake was van een vorm van kanker.
Het Gerecht overweegt dat het duidelijk is dat op het Gezondheidsformulier de vragen niet naar waarheid zijn beantwoord. Specifiek de vragen over eerder bezoek aan een arts en die of aan [echtgenoot van eiser] ooit is geadviseerd een onderzoek te ondergaan aan zijn maag- en darmstelstel zijn ten onrechte met nee beantwoord. Als alleen naar het door [echtgenoot van eiser] ondertekende Gezondheidsformulier wordt gekeken staat dus vast dat er sprake is van verzwijging in de zin van artikel 320 WK. Door [eiser] wordt echter aangevoerd dat die informatie wel degelijk aan de verzekeringsarts is verstrekt en hij biedt daarvan ook bewijs aan. Het Gerecht overweegt dat een overlijdensrisicoverzekering niet een overeenkomst is die particulieren op regelmatige basis afsluiten. Het betreft een lange lijst aan medische vragen in de Engelse taal en voorstelbaar is dat in het gesprek met de verzekeringsarts wél alle relevante medische informatie is gedeeld en dat [echtgenoot van eiser] en [eiser] hebben vertrouwd op wat de verzekeringsarts relevant vond of niet. Ook moet worden bedacht dat op het moment van het invullen van de Gezondheidsverklaring [echtgenoot van eiser] noch de verzekeringsarts de beschikking had over het journaal van de huisarts waarin ook staat dat er sprake is van een verharding. Tot slot geldt dat [eiser] aanvoert dat het een kort gesprek was met als resultaat dat alle vragen, volgens hem, door de verzekeringsarts zelf met nee worden beantwoord waarna hij, kennelijk zonder verder nadenken of goed doorlezen, de Gezondheidsverklaring heeft ondertekend. Mogelijk omdat hij vooral snel de hypothecaire financiering wilde regelen.
Gelet hierop zal het Gerecht [eiser] toelaten tot het tegenbewijs van de voorshands bewezen stelling van Fatum dat sprake is van verzwijging, zoals in de beslissing is vermeld.
Als [eiser] slaagt in de bewijsopdracht dan heeft te gelden dat Fatum over alle noodzakelijke informatie beschikte om te beoordelen of zij al dan niet de polis zou verstrekken. Die is dan immers verstrekt door de Gezondheidsverklaring in combinatie met de informatie die aan de verzekeringsarts is medegedeeld. Er is dan geen ruimte voor Fatum voor weigering of aanpassing van de dekking dan wel premiehoogte, zoals voorzien in artikel 7:930 BW.
Als [eiser] niet slaagt in de bewijsopdracht kan niet worden uitgesloten dat daaruit weer wel informatie blijkt die maakt dat Fatum de ruimte had om de beslissing over de dekking uit te stellen (wat zou leiden tot weigering de polis af te geven) of lagere dekking of hogere premie toe te passen. Daarover houdt het Gerecht iedere beslissing aan.
Na afloop van de getuigenverhoren zal een comparitie van partijen plaatsvinden. Die ziet op het verdere verloop van de procedure en om te bezien of een schikking mogelijk is.
5. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
laat [eiser] toe tot het tegenbewijs van de voorshands bewezen stelling van Fatum dat sprake is van verzwijging door [echtgenoot van eiser] van het eerdere bezoek aan de huisarts en het consult bij de MDL-specialist,
bepaalt dat als [eiser] hierover getuigen wil horen hij daarover de namen van de getuigen, hun verhinderdata en die van partijen en advocaten bij akte op de rolzitting van woensdag 4 maart 2026 (P1) moet overleggen,
wijst [eiser] erop dat hijzelf moet zorgdragen voor rechtsgeldige oproeping van de getuigen zoals voorgeschreven in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de inschakeling van een eventuele tolk,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 18 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.