Vonnis van 18 februari 2026
Behorend bij AUA202302016 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
1. [Eiseres], pro se en als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3],
te Aruba,
eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. D.G. Kock
tegen:
HET LAND ARUBA,
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: het Land,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia
1. DE PROCEDURE
Na het tussenvonnis van 14 mei 2025 heeft het Gerecht kennisgenomen van:
het deskundigenbericht van 20 oktober 2025,
de reactie op het deskundigenbericht van [eiseres],
de conclusie na deskundigenrapport van het Land,
de antwoordconclusie na deskundigenrapport van [eiseres].
Daarna heeft de rolrechter akte niet dienen verleend aan het Land.
Vonnis is bepaald op vandaag.
De rechter die de twee tussenvonnissen heeft gewezen is niet langer werkzaam op Aruba. Daarom wordt dit eindvonnis door een andere rechter gewezen.
2. DE BEOORDELING
Samenvatting van de vaststaande feiten
Alles wat in de twee tussenvonnissen is overwogen geldt als hier letterlijk herhaald en ingelast. Ten behoeve van de leesbaarheid van dit eindvonnis wordt het onderwerp van het geschil hierna samengevat.
De op 20 oktober 2019 in China overleden [echtgenoot van eiseres] (hierna: [echtgenoot van eiseres]) was de echtgenoot van [eiseres] en de vader van hun drie kinderen. Zij zijn getrouwd op Aruba en hun drie kinderen zijn op Aruba geboren. Vanaf 8 april 1998 was [echtgenoot van eiseres] ingeschreven in het bevolkingsregister van Aruba. [Echtgenoot van eiseres] was de kostwinner van het gezin. Hij werkte op Aruba en de kinderen gingen hier naar school.
Door artsen in China is op 20 november 2017 bij [echtgenoot van eiseres] kanker vastgesteld. Daarna is hij kort teruggekeerd naar Aruba en vervolgens heeft hij ervoor gekozen om de medische behandelingen op eigen kosten in China te ondergaan. Hij is overleden aan deze ziekte.
Op 23 oktober 2018 heeft de Dienst Burgerlijke Stand (hierna: Censo) [echtgenoot van eiseres] ambtshalve uitgeschreven uit het bevolkingsregister omdat hij feitelijk niet meer woonachtig was op Aruba.
Eiseres] en haar kinderen hebben een pensioen op grond van de Landsverordening Weduwen- en Wezenpensioen (AWW) aangevraagd. Dat is afgewezen, in hoogste instantie door het College van Beroep, omdat [echtgenoot van eiseres] ten tijde van zijn overlijden geen ingezetene van Aruba was in de zin van de AWW.
De vorderingen van [eiseres]
In het eerste tussenvonnis 3 juli 2024 zijn de vorderingen van [eiseres] onder 3.1 weergegeven. Het komt erop neer dat het Gerecht de AWW onverbindend moet verklaren omdat die in dit geval niet verenigbaar is met de Staatsregeling. Subsidiair dat voor recht wordt verklaard dat de toepassing van de AWW jegens [eiseres] in haar geval onrechtmatig is. En meer subsidiair dat Censo onrechtmatig handelde door [echtgenoot van eiseres] uit te schrijven. Alles met verklaring voor recht dat [echtgenoot van eiseres] een verzekerde is in de zin van de AWW.
Formele rechtskracht AWW
Het Gerecht heeft in dat tussenvonnis overwogen niet bevoegd te zijn te beslissen over de rechtstreekse aanspraak van [eiseres] op grond van de AWW omdat dit oordeel was voorbehouden aan het College van Beroep. Dat strookt met het verweer van het Land. Het Gerecht komt echter ambtshalve op dit oordeel terug omdat het College van Beroep niet als een rechterlijke instantie kan worden aangemerkt, zoals na de uitspraak in de zaak van [eiseres] tegen de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) in de jurisprudentie is beslist. Dat betekent dat er niet meer vanuit kan worden gegaan dat aan de beslissing van de SVB om aan [eiseres] uitkering op grond van de AWW te weigeren formele rechtskracht toekomt ook al is die beslissing door het College van Beroep in stand gehouden. Hierop komt het Gerecht nog terug.
Benoeming deskundige
Het Gerecht heeft in het eerste tussenvonnis ook beslist dat er een deskundige moet worden benoemd. De door het Gerecht gestelde vragen zijn beantwoord.
Standpunt [eiseres]
Door [eiseres] wordt aan het Land verweten dat sprake is van ongelijke behandeling die jegens haar onrechtmatig is gelet op het verbod van discriminatie in artikel I.1 van de Staatsregeling. Inwoners die via AZV zijn verzekerd en voor medische behandeling langdurig worden uitgezonden blijven namelijk ingeschreven staan. Dat komt omdat AZV aan Censo doorgeeft dat zij voor medisch verblijf in het buitenland zijn. Inwoners die via AZV zijn verzekerd maar ervoor kiezen om op eigen kosten een medische behandeling in het buitenland te ondergaan worden echter door Censo ambtshalve uitgeschreven met als gevolg dat bij overlijden hun nabestaanden geen AWW pensioen ontvangen omdat de overledene niet meer bij Censo staat ingeschreven. Voor een dergelijke ongelijke behandeling bestaat geen rechtvaardiging, aldus [eiseres].
Beoordeling van de argumenten
Eiseres] doet een beroep op artikel I.1 van de Staatsregeling. Het Land stelt dat geen sprake is van schending van het discriminatieverbod omdat [eiseres] van de uitschrijving wel op de hoogte was gesteld zodat [echtgenoot van eiseres] daar rechtsmaatregelen tegen had kunnen nemen. Anders dan het Land stelt is niet gebleken dat [eiseres] op de hoogte is gesteld van het voornemen om [echtgenoot van eiseres] ambtshalve uit te schrijven zodat haar beroep op de formele rechtskracht van de ambtshalve uitschrijving niet opgaat. Dat legt het Gerecht als volgt uit. Uit de notitie van DWJZ (productie 3 bij conclusie van antwoord, laatste bladzijde van die productie) blijkt dat “(zeer vermoedelijk)” [eiseres] op 23 oktober 2018 bij de balie van Censo is langs geweest. Dat leidt DWJZ af uit het feit dat haar gegevens en die van [echtgenoot van eiseres] op die datum door een baliemedewerker zijn geraadpleegd en op dezelfde datum hij is uitgeschreven. Daarna is het onderzoeksdossier op 5 november 2018 afgesloten. Het staat dus niet vast dat [eiseres] op die datum bij Censo is geweest omdat “zeer vermoedelijk” geen zekerheid verschaft. Temeer omdat er geen mutatie met een korte inhoud van het gesprek aan het dossier is toegevoegd. Evenmin is er een brief aan [echtgenoot van eiseres] c.q. [eiseres] gezonden waarin staat dat hij ambtshalve zal worden uitgeschreven. Het Gerecht kan er dus niet van uitgaan dat een beschikking aan hem c.q. [eiseres] kenbaar is gemaakt. Evenmin dat [echtgenoot van eiseres] en [eiseres] op de hoogte waren van de mogelijkheid in bezwaar hiertegen te gaan.
Eiseres] voert aan dat zij pas op de hoogte geraakte van de ambtshalve uitschrijving tijdens de procedure over de toekenning van het weduwen- en wezenpensioen op grond van de AWW. Dat brengt het Land ertoe om aan te voeren dat [eiseres] toen bezwaar en zo nodig beroep had moeten instellen tegen de ambtshalve uitschrijving. En door dat niet te doen is sprake van formele rechtskracht van de uitschrijving. Het Gerecht overweegt dat van [eiseres], die werd bijgestaan door een advocaat, had mogen worden verwacht dat zij bezwaar en beroep zou hebben aangetekend en dat zou dus tot de conclusie moeten leiden dat inderdaad sprake is van formele rechtskracht van de uitschrijving. Echter, inmiddels is uitgemaakt (zie 2.7.) dat het College van Beroep geen deel uitmaakt van de onafhankelijke rechtspraak zodat niet kan worden gezegd dat sprake is van formele rechtskracht van de beslissing om aan [eiseres] en de kinderen pensioen op grond van de AWW te onthouden. Daarom kan niet met zekerheid worden gezegd dat in bestuursrechtelijk hoger beroep de beslissing van het College van Beroep in stand zou zijn gebleven. [Eiseres] had zich in die procedure immers kunnen beroepen op het discriminatieverbod. Omdat dat destijds nog niet mogelijk was heeft [eiseres] nu dus wel degelijk de mogelijkheid aan de civiele rechter (als restrechter) op grond van onrechtmatige daad haar vordering voor te leggen.
Het Land voert verder aan dat de behandeling in China niet noodzakelijk was omdat [echtgenoot van eiseres] die AZV-verzekerd was net zo goed in Aruba voor zijn ziekte had kunnen worden behandeld. Dat verweer gaat niet op. [Echtgenoot van eiseres] heeft op grond van artikel 8 EVRM immers vrije artsenkeuze en dus de vrijheid om ervoor te kiezen zelf de medische behandeling te betalen in plaats van gebruik te maken van de AZV-voorzieningen. Dus: zonder bemoeienis van de overheid, de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) of wie dan ook. Dat het Land de beweegredenen van die keuze in twijfel trekt (erop neerkomende dat [echtgenoot van eiseres] ten onrechte geen vertrouwen had in de Arubaanse medische zorg) is dus niet van belang omdat dit een afweging is die [echtgenoot van eiseres] persoonlijk mag maken. In de AZV Landsverordening staat overigens ook niet dat verplicht gebruik moet worden gemaakt van deze voorzieningen.
Ook voert het Land aan dat de SVB noch Censo ervan op de hoogte was dat [echtgenoot van eiseres] voor medische doeleinden naar het buitenland was gegaan. Ook dit argument kan het Land niet baten omdat zij niet uitlegt welke wettelijke voorschriften bepalen dat [echtgenoot van eiseres] AZV en Censo daarvan op de hoogte zou moeten stellen en wat de consequenties zijn als dat achterwege wordt gelaten. Die uitleg had wel mogen worden verwacht omdat Censo en SVB zelf nota bene buitenwettelijk, namelijk door middel van een afspraak, hebben geregeld dat Censo door SVB op de hoogte wordt gesteld als haar verzekerden naar het buitenland gaan voor medische behandeling. Zij worden dan niet uitgeschreven zonder dat van de verzekerden enige actie werd verwacht. Het Land mag niet verwachten dat [echtgenoot van eiseres] had moeten weten dat hij Censo op de hoogte moest stellen enkel omdat hij ervoor koos geen gebruik te maken van de dekking van AZV. Dat staat immers niet in de wet en gesteld noch gebleken is dat dit gepubliceerd overheidsbeleid is.
Het Gerecht begrijpt wel waar dit argument van het Land vandaan komt. De Landsverordening Algemene Ziektekostenverzekering gaat er namelijk vanuit dat alle ingezetenen voor ziektekosten zijn verzekerd, behoudens een enkele uitzondering (artikel 4 lid 2) voor personen die vrijstelling kunnen vragen vanwege – kort gezegd – een buitenlandse ziektekostenverzekering. En vanuit deze algemene verzekeringsplicht gaat het Land ervan uit dat iedereen gebruik maakt van de dekking en dat dus SVB op de hoogte is van buitenlands verblijf wegens medische behandeling. In het deskundigenrapport wordt geschreven dat het Land vanuit praktisch oogpunt ervoor heeft gekozen om alle ingezetenen verplicht verzekerd te laten zijn. Het punt is alleen dat [echtgenoot van eiseres] geen toestemming aan SVB hoefde te vragen omdat hij ervoor koos geen gebruik te maken van de dekking van AZV zodat SVB daarvan niet op de hoogte was. Kortom: wat [echtgenoot van eiseres] heeft gedaan kan vanuit het perspectief van Censo eigenlijk niet gebeuren omdat het Land ervan uitgaat dat alle ingezetenen (natuurlijk) gebruik maken van de dekking van AZV. Vanuit dat perspectief heeft de ambtshalve uitschrijving plaatsgevonden. De consequentie dat het niet gebruik maken van deze dekking leidt tot ambtshalve uitschrijving en verlies van aanspraken op grond van de AWW was echter niet voorzienbaar voor [echtgenoot van eiseres] en [eiseres] toen [echtgenoot van eiseres] naar het buitenland vertrok voor een medische behandeling waarvan de duur op voorhand niet vaststond. Het Land bevestigt in de conclusie van dupliek (alinea 21) dat het slechts bekend is met [echtgenoot van eiseres] en niet met andere gevallen van ambtshalve uitschrijving. Die komen dus niet voor.
Het Gerecht overweegt verder dat artikel 28 lid 3 van het Landsbesluit Bevolkingsregister bepaalt dat als personen die ambtshalve zijn uitgeschreven terugkeren naar Aruba zij, “indien blijkt, dat de afschrijving ten onrechte heeft plaatsgehad, op hun blote verklaring opnieuw in het register [worden] ingeschreven.” Daaruit volgt dus dat als [echtgenoot van eiseres] tijdens zijn ziekteperiode zou zijn teruggekeerd, hij opnieuw zou zijn ingeschreven en weer verzekerd zou zijn op grond van de AZV. Als hij daarna op Aruba zou zijn gestorven zouden [eiseres] en de kinderen wél hun aanspraken op grond van de AWW geldend hebben kunnen maken. Daaruit volgt dat het bevolkingsregister vooral ziet, zoals de deskundige ook rapporteert, op het actueel houden van zijn registers en niet dat er verdergaande consequenties door de (besluit)wetgever zijn beoogd zoals het vervallen van sociale uitkeringen.
Dat alles strookt ook met de gang van zaken inzake ingezetenen die wél gebruik maken van de dekking van de AZV en voor verblijf naar het buitenland vertrekken. Ook dat verblijf is van onbepaalde duur, kan heel lang duren en, zo kan het Gerecht zich voorstellen, het zal met enige regelmaat voorkomen dat zo’n persoon in het buitenland komt te overlijden. Maar diens nabestaanden kunnen gebruik blijven maken van hun rechten op grond van de AWW omdat hun overleden echtgenoot/ouder al die tijd ingeschreven is blijven staan op Aruba. In die gevallen maakt het Land er geen punt van dat de registers van Censo niet volledig correct zijn.
In de conclusie van dupliek (alinea 18) stelt het Land dat [echtgenoot van eiseres] zich heeft gevestigd in China waardoor hij niet langer ingezetene van Aruba was en dus zijn weduwe en wezen niet in aanmerking komen voor de pensioenen. Uit de verdere tekst van dit processtuk blijkt niet dat het Land daaraan andere conclusies verbindt als aan de ambtshalve uitschrijving zodat het Gerecht daarop niet hoeft in te gaan. Volledigheidshalve wordt overwogen dat inschrijving in het buitenland vaak onontkoombaar is omdat de plaatselijke autoriteiten dat zullen vereisen. Dat neemt niet weg dat voortdurende inschrijving op Aruba mogelijk is zoals ook blijkt uit voormelde handelwijze van SVB en Censo in het geval van AZV-verzekerden die met gebruikmaking van de dekking in het buitenland een langdurige medische behandeling ondergaan.
Alles bij elkaar genomen overweegt het Gerecht dat het Land inderdaad een onderscheid maakt tussen personen die met gebruikmaking van de verzekeringsdekking van AZV voor medische behandeling het Land verlaten en personen die wel verzekerd zijn maar ervoor kiezen om die behandeling zelf te betalen. Begrijpelijk is dat de wetgever ervoor gekozen heeft om de AWW uitsluitend te laten gelden voor personen die als ingezetenen in Censo staat geregistreerd. Ook dat uit praktische overwegingen er standaard contact is tussen SVB en Censo om ervoor te zorgen dat die personen niet ambtshalve worden uitgeschreven. Maar omdat een verzekerde niet verplicht is om gebruik te maken van de dekking, ervoor kan kiezen de medische behandeling in het buitenland te ondergaan en er zelf voor te betalen, wordt er ongeoorloofd onderscheid gemaakt door hem wel ambtshalve uit te schrijven met als gevolg dat aan zijn nagelaten betrekkingen rechten op grond van de AWW worden onthouden. Dat levert een schending van artikel I.1 van de Staatsregeling op die onrechtmatig is jegens [eiseres] en haar kinderen zodat het Land verplicht is de schade te vergoeden. Die schade bestaat uit het mislopen van de uitkering op grond van de AWW, zo wordt in het verzoekschrift aangevoerd en door het Land niet weersproken.
Het Gerecht zal daarom de subsidiaire vordering toewijzen, zoals in de beslissing is vermeld. Voor toewijzing van de primaire vordering (onverbindend verklaring van de Landsverordening AWW) ziet het Gerecht geen reden omdat met de minder verstrekkende subsidiaire vordering het door [eiseres] beoogde doel ook wordt bereikt.
Omdat de beslissing van het College van Beroep over de afwijzing van het verzoek van [eiseres] om een uitkering op grond van de AWW geen formele rechtskracht heeft gekregen kan het Gerecht beslissen dat voor recht wordt verklaard dat [echtgenoot van eiseres] een verzekerde is in de zin van de AWW. Het Land heeft immers onrechtmatig gehandeld door hem ambtshalve uit de registers te schrijven waardoor zijn nabestaanden geen uitkering op grond van de AWW ontvangen.
Het Gerecht zal het Land in de proceskosten, waaronder de kosten van de deskundige die door [echtgenoot van eiseres] zijn voorgeschoten, veroordelen. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De verklaringen voor recht niet omdat die geen veroordelingen inhouden zodat daarvoor geen belang bestaat.
3. DE UITSPRAAK
Het gerecht:
verklaart voor recht dat toepassing van de AWW onrechtmatig is jegens [eiseres], voor zover dit ertoe leidt dat [echtgenoot van eiseres] niet als verzekerde in de zin van de AWW wordt beschouwd, uitsluitend vanwege het feit dat hij op eigen kosten voor medische behandeling naar het buitenland is afgereisd en aldaar is overleden,
verklaart voor recht dat [echtgenoot van eiseres] een verzekerde is in de zin van de AWW,
veroordeelt het Land in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op Afl. 450,00 aan griffierecht, Afl. 197,00 aan oproepingskosten, Afl. 3.852,00 aan kosten deskundige en
Afl. 5.000,00 aan salaris gemachtigde,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 18 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.