Vonnis van 4 maart 2026
Behorend bij A.R. AUA202200544 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiser],
te Aruba,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser],
procederend in persoon
tegen:
HET LAND ARUBA,
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: het Land,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan.
1. Het verdere verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 augustus 2025 waarin een bewijsopdracht is gegeven,
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 24 november 2025,
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 januari 2026.
Na afloop van het getuigenverhoor hebben partijen medegedeeld geen behoefte te hebben aan conclusies na getuigenverhoor.
Vandaag wordt vonnis gewezen.
2. De verdere beroordeling
Alles wat in de tussenvonnissen van 24 juli 2024 en 20 augustus 2025 is overwogen geldt als hier letterlijk herhaald en ingelast.
In het laatste tussenvonnis is [eiser] toegelaten tot het bewijs dat het Land hem of [betrokkene 1] heeft belemmerd het motorvaartuig na de geweigerde inklaring naar een bestemming buiten Aruba te brengen en/of dat het Land heeft belemmerd dat het motorvaartuig op de kade werd opgeslagen.
Eiser] heeft als getuigen laten horen:
[Getuige 1], havenmeester in dienst van het Land Aruba,
[Getuige 2], destijds beheerder van de haven van [locatie],
[Getuige 3], investeerder in de boot van [eiser].
Het Land heeft als getuige laten horen:
- [Getuige 4], destijds chef douane van de haven van [locatie].
In rov. 2.10 van het laatste tussenvonnis overweegt het Gerecht: “Het Gerecht overweegt dat [eiser] heeft voldaan aan zijn stelplicht en laat in dat oordeel vooral doorwegen dat het motorvaartuig heel lang aan de kade heeft gelegen en zelfs is gezonken. Dat is doorgaans niet in het belang van de scheepseigenaar zodat het Gerecht niet kan uitsluiten dat door het Land feitelijke belemmeringen zijn opgeworpen aan het vertrek van het motorvaartuig naar een bestemming buiten Aruba of aan het veilig opslaan van het motorvaartuig, dit ook nog eens tegen de relevante achtergrond dat het Land zeer traag heeft gereageerd op de klachten van [eiser] wat betreft de gang van zaken.” Hierna volgen de relevante passages uit de getuigenverklaringen.
Getuige 1] verklaart: “(…) Ik zag na een paar dagen dat de speedboot nog aan de kader lag. Het verbaasde mij omdat die kade daarvoor niet geschikt was. Er kon namelijk schade ontstaan aan de speedboot. De kans daarop is vrij groot, binnen 2 á 3 dagen kan zich dat al verwezenlijken. De kades zijn namelijk ingericht voor vrachtschepen en niet voor kleine plezierschepen. Bovendien is de kans op beroving door de bemanningen van andere boten die daar liggen groot. Ik vroeg aan [getuige 2] die voor Astec (beheerder van de haven van [locatie]) werkt, wat er aan de hand was. Hij vertelde dat er een onderzoek van de douane liep, dat daarom de boot er nog lag en niet verplaatst mocht worden. (…). Het kan zijn dat [getuige 4], het hoofd douane bij [locatie], tegen mij heeft gezegd dat de douane recherche een onderzoek naar de motorboot heeft ingesteld, maar ik weet niet zeker of ik dat van hem heb gehoord. Ik heb niet gehoord dat de [vaartuig] Aruba niet mocht verlaten. (…).”
Getuige 2] verklaart: “(…) Ik zag dat de inklaring veel langer duurde dan gebruikelijk dus ik ben toen gaan onderzoeken wat er aan de hand was. Ook op verzoek van meneer [eiser] die mij vroeg daarover te bemiddelen met de douane. Ik ben toen bij de douane langsgegaan en heb gesproken met de dienstdoende ambtenaar. Ik heb de douane geadviseerd de boot op een trailer op de kade te zetten. De ambtenaar zou dat doorgeven aan zijn chef maar ik heb daar niet meer van terug gehoord. Wel zag ik dat de plezierboot nog meerdere dagen aan de kade bleef liggen wat dus eigenlijk niet de bedoeling is omdat wij die kade nodig hebben voor de commerciële vaart. (…) Als de douane de boot heeft ingeklaard, krijg ik daar niks van te horen wel is de boot op een gegeven moment weg. In mijn zes jaar als beheerder van [locatie] heb ik 2 keer eerder meegemaakt dat de inklaring niet lukte van dit soort plezierboten. En alle twee de keren is de plezierboot dezelfde dag nog op de kade gezet. (…) De eigenaar van de plezierboot kan zelf beslissen om de boot op de kade te zetten maar heeft daarvoor wel toestemming van de havenbeheerder en de douane nodig. Als een boot in de inklaringsprocedure zit mag de schipper niet zelf beslissen weg te varen als hij de inklaring wil afbreken. Daarvoor is de toestemming van de douane nodig. De toestemming om de boot op de kade te zetten wordt door de douane mondeling aan mij medegedeeld. (…) De douane klaarde echter niet in en gaf geen toestemming om de boot op de kade te leggen zodat wij de commerciële zeevaart op een andere plek moesten laten aanmeren. (…)”
Getuige 3] verklaart: “(…) April 1st,2019, I arrived in Aruba with the sole purpose of meeting with customs to reach a solution and get the boat released and/or sent to Miami. On April 2nd, 2019, [betrokkene 2] and I went to the customs office located at WAF [locatie]. There we asked to speak to [getuige 4] concerning the boat [vaartuig]. Finally after some waiting [getuige 4] stepped into the waiting room. [Betrokkene 2] introduced me to [getuige 4]. We began to negotiate the options to take the [vaartuig] to the US. Agressively [getuige 4] began yelling in Papiamento that he’s not interested in negotiations and we should leave the office. At that moment [betrokkene 2] said “let’s go”. We left the building with no solution of reasoning to why the boat was not released.”
Getuige 4] verklaart: “(…) De boot werd aangeboden door een douane-expediteur en een collega van mij had het ingeklaard. Ik heb aan de douane-expediteur die namens [eiser] optrad gemaild dat de inklaring zal worden ingetrokken. Ik heb dat in persoon of telefonisch aan [eiser] gezegd. Die beide opties zijn niet schriftelijk gecommuniceerd aan [eiser]. Ik herinner me niet meer waarom het niet schriftelijk is vastgelegd. Voor wegvaren moet toestemming zijn van douane en havenmeester. Omdat dit een bijzonder geval was zou met mij als hoofd van de douanesectie contact moeten worden opgenomen voor de toestemming. (…) Na verloop van tijd is de boot uit het water gehaald en door Astec op de kade gezet. Omdat dat nog steeds op het douanegebied op het haventerrein is, hoefde de douane daar geen toestemming voor te geven. De boot is nooit door de douane in beslag genomen. Het is niet waar dat ik tegen [eiser] heb gezegd dat de boot niet mocht wegvaren. (…) Ik heb geen idee hoe het zo is gekomen dat de boot na de ingetrokken inklaring zo lang is blijven liggen en uiteindelijk is gaan zinken. Dat is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van eigenaar en niet van het Land. U houdt mij voor het onlogisch te vinden dat een eigenaar zijn boot zo lang laat liggen terwijl die van douane en havenmeester zou mogen wegvaren. Ik heb geen idee hoe dat kan. (…) Ik had geen reden om [eiser] verder op de hoogte te stellen toen ik zag dat de boot bleef liggen. Ik had hem immers op de hoogte gesteld van de formaliteiten. (…). Ik heb tegen [eiser] gezegd dat hij de boot uit het water mocht halen. Een verzoek om een boot uit het water op de kade te plaatsen, heb ik nooit in mijn carrière geweigerd.”
Het Gerecht oordeelt dat [eiser] in de bewijsopdracht is geslaagd. [Getuige 1] verklaart dat er een onderzoek van de douane liep en dat daarom de boot niet mocht vertrekken. [Getuige 2] verklaart dat hij aan de douane heeft gevraagd wat er aan de hand is en dat het beter was dat de boot op een trailer zou worden gezet maar daar kwam de douane niet op terug zodat de situatie van boot in het water voortduurde. En dat was afwijkend van de gang van zaken in eerdere zaken waarin de boot snel uit het water werd gehaald. Bovendien verklaart hij dat de douane geen toestemming heeft gegeven de boot op de kade te leggen. [Getuige 3] verklaart dat de douane niet eens het gesprek wilde aangaan om tot een oplossing te komen. [Getuige 4] verklaart dat zowel douane als havenmeester toestemming moeten geven om de boot te laten gaan maar hij heeft die toestemming niet gegeven omdat het hem niet zou zijn gevraagd. Uit dit alles volgt dat in het douanegebied, dat onder verantwoordelijkheid van het Land valt, zichtbaar voor de havenmeester en diens hoofd douane, een speedboot op de verkeerde plek lag terwijl volgens de douane de boot op de kade mocht worden geplaatst dan wel mocht vertrekken. Bij deze gang van zaken rustte op het Land, als overheid die zich de belangen van partijen die van de overheid afhankelijk zijn moet aantrekken, in elk geval minimaal een waarschuwingsplicht om [eiser] als booteigenaar te waarschuwen en te behoeden voor schade aan de boot. De ontkenning van [getuige 4] dat hij [getuige 3] en [eiser] niet te woord wilde staan acht het Gerecht ongeloofwaardig nu zij beiden ([getuige 3] als investeerder in de boot) en [eiser] (als eigenaar) een belang hadden (schade voorkomen) om de situatie op te lossen en daarom hem benaderde. Het Land heeft zijn waarschuwingsplicht geschonden en daarmee een belemmering opgeworpen als bedoeld in de bewijsopdracht.
Dat betekent dat het Land gehouden is de schade die door [eiser] is ondervonden te vergoeden. Hij vordert Afl. 106.232,00 aan reparatiekosten en baseert dat op een rapport van 28 oktober 2021 van [deskundige] (“Independent Investigators Surveyors & Loss Adjusters”). De vervangingsprijs destijds was Afl. 70.000,00. Als de vervangende boot in de USA zou zijn gekocht komt daar USD 13.500,00 aan transportkosten bovenop. Het Land voert aan dat Wever geen licensed surveyor en dat klopt volgens zijn eigen rapport. Dat neemt echter niet weg dat het rapport een gedegen inzicht geeft in de schadeposten, beredeneerd is en is voorzien van de nodige foto’s. Het rapport geeft daarom aan het Land wel de nodige aanknopingspunten om inhoudelijk verweer te kunnen voeren en daarbij gebruik te kunnen maken van een eigen deskundige die mogelijk ook de boot had kunnen inspecteren. Dat heeft het Land echter niet gedaan zodat het Gerecht aansluit bij dit rapport.
Wel heeft het Land een goed punt dat de materiële schade niet meer kan bedragen dat de aankoopprijs nu de boot, gelet op de reparatiekosten, de vervangingskosten overschrijden. Oftewel: de boot is total loss. Daarom wordt Afl. 70.000,00 toegewezen aan [eiser], te vermeerderen met de wettelijke rente. Omdat in het petitum van het verzoekschrift geen eerdere ingangsdatum wordt genoemd gaat het Gerecht uit van de datum van indiening van het verzoekschrift. De wettelijke rente is dus verschuldigd vanaf 3 maart 2022 tot aan de dag van algehele betaling.
Wat betreft de gevolgschade zal het Gerecht, zoals verzocht, de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure waarin ook een beslissing zal kunnen worden genomen over de rente over de schadeposten die in die procedure worden opgevoerd.
Als in het ongelijk gestelde partij wordt het Land veroordeeld in de proceskosten. Het salaris gemachtigde ziet alleen op de periode voordat de advocaat van [eiser] desisteerde.
3. DE UITSPRAAK
Het gerecht:
veroordeelt het Land tot betaling aan [eiser] van een bedrag van Afl. 70.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 3 maart 2022 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt het Land om alle door [eiser] als gevolg van het zinken van de [vaartuig] geleden en nog te lijden gevolgschade aan [eiser] te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de wet,
veroordeelt het Land in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op Afl. 220,00 aan oproepingskosten, Afl. 1.062,00 aan griffierecht en op Afl. 6.000,00 aan salaris gemachtigde,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.