Parketnummer: P-2025/01833
Zaaknummer: 478 van 2025
Uitspraak van: 2 april 2026
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [datum] in Aruba,
wonende in Aruba, domicilie kiezende te [adres].
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 november 2025 (regiezitting), 20 en 23 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 16 maart 2026 (sluiting onderzoek).
Ter terechtzitting waren aanwezig de officier van justitie mr. G. Visser, de verdachte en zijn raadsman, mr. V.A.V. Carlo, advocaat in Aruba, en de [benadeelde partijen]
(ouders van wijlen [slachtoffer]), bijgestaan door hun advocaat mr. G. Hatzmann.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd – kort gezegd – dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (primair:) medeplegen van doodslag, dan wel (subsidiair:) medeplegen van poging tot doodslag, dan wel (meer subsidiair:) medeplegen van poging tot zware mishandeling.
De tekst van de tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht.
3. Voorvragen
Het Gerecht is van oordeel dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. Bewijsoverwegingen
Standpunten over het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van doodslag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door het Gerecht
Inleiding
Op 9 februari 2025 omstreeks 05:12 uur hebben [verdachte] en [medeverdachte], die op dat moment werkzaam waren als politieambtenaar, een achtervolging ingesteld op een Toyota Vitz met kenteken [kenteken] (hierna “de Toyota”). De achtervolging eindigde op een doodlopende weg in Madiki Kavel. Daar heeft vervolgens een schietincident plaatsgevonden. Hierbij is de bestuurder van de Toyota dodelijk getroffen. Het bleek te gaan om de 19-jarige [slachtoffer]. Naar dit schietincident is door de Landsrecherche een onderzoek verricht, dat bekend is geworden onder de naam ‘Caret’. In dat onderzoek zijn [verdachte] en [medeverdachte] beiden als verdachte aangemerkt.
In dit verband kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende worden vastgesteld.
Aanleiding schietincident
In de nacht van 8 op 9 februari 2025 hadden de verdachten dienst. Zij reden samen patrouille in een politieauto. [medeverdachte] was de bestuurder van de politieauto en patrouillecommandant. [verdachte] was de bijrijder.
Op 9 februari 2025 omstreeks 05.10 uur zagen de verdachten de Toyota bij Palm Beach rijden. De auto sloeg op de rotonde rechtsaf en reed over de Sasakiweg richting Oranjestad. Omdat de achterlichten van de Toyota niet goed werkten besloten de verdachten de auto te volgen. De snelheid van de politieauto en de Toyota paste op dat moment in het verkeersbeeld ter plaatse. De auto’s reden niet langzamer of sneller dan de overige weggebruikers.
Op de Sasakiweg hebben de verdachten geprobeerd door middel van het aanzetten van het zwaailicht en het kort aandoen van de sirene aan de bestuurder van de Toyota duidelijk te maken dat hij moest stoppen. Hierna werd nog een aantal keer kort de sirene aangezet terwijl het zwaailicht aan bleef. Ook heeft [verdachte] via de speaker phone aan de bestuurder van de Toyota gezegd dat hij moest stoppen. De Toyota reed echter door.
In de buurt van de rotonde bij de [winkelcentrum] leek het alsof de Toyota zou gaan stoppen omdat hij vaart minderde. De bestuurder deed ook zijn richtingaanwijzer naar rechts. Maar hierna ging de Toyota juist linksaf de rotonde op. Hij reed dwars over de heuveltjes van de rotonde in de richting van Bubali. Op dat moment gaf [verdachte] aan de meldkamer door dat zij de achtervolging inzetten op de Toyota.
Er volgde een relatief lange achtervolging onder meer langs [tuincentrum] en de Bushiri-rotonde richting Madiki. [medeverdachte] heeft later verklaard dat de reden van de achtervolging was, dat de Toyota niet de juiste verlichting voerde, evenals het rijgedrag van de auto, en dat het stopteken werd genegeerd. Het doel was de bestuurder van de Toyota staande te houden. Het rijgedrag van de bestuurder van de Toyota was bijzonder, maar niet onveilig. [verdachte] heeft verklaard dat hij tijdens de achtervolging niet heeft overwogen daarmee te stoppen, want hij voelde zich niet onveilig. Op geen enkel moment heeft [verdachte] het gevoel gehad dat het verkeer of andere personen in gevaar werden gebracht. Er was geen verkeer en er was niemand op straat. [medeverdachte] en [verdachte] hielden bewust afstand om te kunnen zien wat de bestuurder eventueel zou gaan doen. Toen de Toyota en de politieauto eenmaal in Madiki Kavel waren, dacht [verdachte] ‘als deze vent stopt, gaat hij rennen’. Dat had hij ook tegen [medeverdachte] gezegd. [verdachte]: “Als hij daar de weg insloeg was dat waarschijnlijk om te verdwijnen of om in een erf te springen.”
De achtervolging eindigde op de doodlopende weg achter Madiki Kavel [huisnummer].
Het schietincident
De woning te Madiki Kavel [huisnummer] was op dat moment voorzien van beveiligingscamera’s, waaronder een camera (nr. 1/MAD1[huisnummer].01) gemonteerd aan de achterzijde van de woning met zicht op het einde van die doodlopende weg. Op de beelden die door deze camera zijn gemaakt, is het volgende te zien.
- Omstreeks 05.15.49 uur rijdt de Toyota de doodlopende weg achter Madiki Kavel [huisnummer] in. De Toyota rijdt op dat moment met een redelijk matige snelheid. De politieauto rijdt met zwaailicht achter de Toyota aan.
- De Toyota rijdt zich klem in het doodlopende gedeelte. De Toyota maakt een draai, door links in te sturen en rechtsom rond te rijden. De doorgang van de Toyota wordt vervolgens geblokkeerd door de op de doodlopende weg inmiddels stilstaande politieauto. Deze situatie houdt twee à drie seconden aan.
- Om 05:16:01 uur gebeurt een aantal dingen bijna tegelijkertijd: de bestuurder van de politieauto ([medeverdachte]) stapt uit, de bijrijder ([verdachte]) stapt uit, en de Toyota begint achteruit te rijden.
- Na het uitstappen van [medeverdachte] is te zien dat hij zijn vuurwapen al heeft getrokken, een schiethouding heeft aangenomen, en zijn vuurwapen gericht heeft op de op dat moment achteruit rijdende Toyota.
- [ [verdachte] loopt na te zijn uitgestapt naar de voorzijde van de stilstaande politieauto.
- Om 05:16:03 uur komt er een rookpluim uit het vuurwapen van [medeverdachte]. Het vuurwapen is op dat moment gericht op de voorzijde van de Toyota, die achteruit rijdt. [verdachte] is op dat moment niet te zien doordat hij zich voor (het licht) van de koplampen van de politieauto bevindt.
- Zeer kort hierna, nog steeds om 05:16:03 uur, is een flits te zien voor het vuurwapen van [medeverdachte], die zijn vuurwapen op dat moment nog steeds gericht houdt op de Toyota, die op dat moment nog steeds achteruit rijdt.
- Om 05:16:04 uur komt de Toyota tot stilstand. Het vuurwapen van [medeverdachte] is nog steeds gericht op de voorzijde van de Toyota. [verdachte] komt in beeld aan de rechterzijde van de politieauto. Hij loopt in schiethouding met zijn vuurwapen gericht op de Toyota naar de auto toe.
- Hierna loopt [medeverdachte] achteruit en beweegt de Toyota langzaam in voorwaartse richting. [medeverdachte] houdt zijn vuurwapen gericht op de Toyota en lost een derde schot in de richting van de voorzijde van de auto. [medeverdachte] houdt zijn vuurwapen gericht op de Toyota en loopt achteruit. Dit is om 05:16:04 uur.
- Tegelijkertijd houdt [verdachte] zijn vuurwapen gericht op de Toyota en hij schiet. Dit is om 05:15:05 uur. [verdachte] blijft staan en draait met de Toyota mee. Te zien is dat [medeverdachte] en [verdachte] op dat moment op korte afstand van elkaar staan, in elkaars gezichtsveld, en dat het zicht tussen hen niet wordt geblokkeerd.
- De Toyota rijdt (ondertussen) naar voren en stuurt bij naar rechts. Er komt daarna nog een vuurflits uit het wapen van [verdachte]. Hij houdt daarbij zijn vuurwapen gericht op de linkerzijkant van de Toyota, ter hoogte van de ramen, terwijl de auto langs hem rijdt.
- Hierna draait [medeverdachte] rechtsom en loopt voorwaarts weg naar de achterkant van de politieauto. Daarna is [medeverdachte] uit beeld. Dit is om 05:16:06 uur.
- [ [verdachte], die de Toyota aan de linkerzijde benaderd heeft, schiet meerdere keren, terwijl de Toyota langs hem rijdt. Te zien is dat is dat hij richt op de linkerzijkant van de Toyota, ter hoogte van de ramen.
- De Toyota passeert de politieauto. [verdachte] blijft herhaaldelijk op de auto schieten, ook nadat deze al voorbij de politieauto is gereden.
- Bij het schieten is de afstand tussen [medeverdachte] en de Toyota bij het eerste schot ongeveer 1,3 meter, bij het tweede schot 2,5 meter en bij het derde schot 2 meter. [verdachte] staat bij het eerste schot op ongeveer 2 meter, bij het volgende schot op 1,5 meter en bij de daarop volgende schoten op 1 meter afstand. Daarna wordt de afstand weer groter doordat de Toyota wegrijdt.
De verdediging stelt dat er (anders dan door de Landsrecherche beschreven) op de camerabeelden om 05:16:03 uur geen rookpluim uit het vuurwapen van [medeverdachte] te zien is. Volgens de verdediging is de eerste vuurmond uit het wapen van [medeverdachte] pas zichtbaar om 05:16:04 uur, op het moment dat de Toyota inmiddels naar voren rijdt. De verdediging verwijst hier naar een door haar overgelegd rapport van NFO
d.d. 6 februari 2026, opgesteld door A.D. Doup, welk rapport die stelling zou ondersteunen.
Het Gerecht overweegt hierover het volgende. De Landsrecherche heeft gerelateerd dat op de videobeelden om 05:16:03 uur een rookpluim zichtbaar is afkomstig van het vuurwapen van [medeverdachte]. Dit staat in het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. analyse videobeelden en is ook toegelicht in het proces-verbaal van bevindingen ijkmomenten beeld/geluid. Omdat op de bewegende beelden moeilijk een rookpluim is te ontwaren, is ter terechtzitting van 20 februari 2026 een aanvullend proces-verbaal van de Landsrecherche overgelegd met als bijlage twee kleurenfotobladen. Deze maken naar het oordeel van het Gerecht duidelijk dat om 05:16:03 uur inderdaad een rookpluim te zien is. Gelet hierop ziet het Gerecht geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen van de Landsrecherche te twijfelen. Het door de verdediging overgelegde rapport van Doup kan dat niet anders maken. Dat rapport is, zo leest het Gerecht, gebaseerd op bewerkte videobeelden terwijl in het rapport niet is toegelicht of inzichtelijk gemaakt wat die bewerking inhoudt. Alleen daarom al kan het Gerecht de betrouwbaarheid van de daarin opgenomen bevindingen en conclusies niet beoordelen. Voor wat betreft haar vaststellingen over wat er op de camerabeelden te zien is, kent het Gerecht aan dat rapport derhalve geen betekenis toe.
De gevolgen van het schietincident
De Toyota is na het schieten in rustig tempo, ‘kruipend’ tegen de omheining van een ander perceel gereden en kwam daar tot stilstand. Kort hierna werd op de bestuurdersstoel aan de rechtervoorzijde van de Toyota een bewusteloze man aangetroffen, die een schotverwonding had. Het bleek te gaan om [slachtoffer], die ondanks pogingen om hem te reanimeren, kort na het schietincident overleed.
Op 9 februari 2025 te 06:50 uur werd door de forensisch arts de dood van
dhr. [slachtoffer] vastgesteld.
Vastgesteld is, dat dhr. [slachtoffer] is overleden na geraakt te zijn door een kogel. In het forensisch radiologisch rapport staat dat de kogel door het lichaam van [slachtoffer] een traject heeft afgelegd tussen de zevende en achtste rib, van links naar rechts en enigszins van onder naar boven. Uit het autopsierapport van de patholoog kan worden opgemaakt dat de doodsoorzaak is gelegen in (kort gezegd:) verbloeding als gevolg van een scheur in de aorta, veroorzaakt door een doorschotverwonding in de borstkas.
Forensisch-technisch onderzoek
Voorafgaand aan het incident hadden [medeverdachte] en [verdachte] de beschikking over een vuurwapen van het merk/type Glock 17, voorzien van een patroonhouder met daarin zeventien patronen. Daarnaast beschikten zij beiden over een extra patroonhouder met zeventien patronen. Na het schietincident zijn de koppelriemen met de dienstvuurwapens van [medeverdachte] en [verdachte] in beslag genomen. In het vuurwapen van [medeverdachte] bevond zich één patroon in de kamer en een patroonhouder met daarin dertien patronen. Aan zijn koppelriem was nog steeds een extra patroonhouder bevestigd met daarin zeventien patronen. In het vuurwapen van [verdachte] bevond zich na het incident één patroon in de kamer en een patroonhouder met zestien patronen. Hij had echter geen extra patroonhouder meer bij zich. Die is op de plaats delict (leeg) aangetroffen. Op de plaats delict werden in totaal 20 hulzen aangetroffen.
Uit onderzoek naar de Toyota is gebleken dat zich aan de buitenzijde van het voertuig meerdere perforaties bevonden die vermoedelijk waren veroorzaakt door kogels die door de verdachten zijn afgevuurd. Een aantal van die perforaties bleek een vervolg te hebben in de Toyota. Om de trajecten van de desbetreffende kogels fysiek duidelijk te maken werd gebruik gemaakt van gekleurde stokken, genummerd 1 t/m 17.
Onder in het midden van de ruit van het linker portier is een kogelperforatie aangetroffen waarvan het kogeltraject (spoor nummer 5) door de Toyota liep, richting de rechterzijde van het rechterportier. Daar werd een bijpassende beschadiging aangetroffen naast de naad tussen het portier en de deurstijl. Op die plek werd een kogel aangetroffen en veiliggesteld. Op deze kogel zat bloed dat blijkens DNA-onderzoek (gelet op de matchkans) afkomstig is van dhr. [slachtoffer]. Uit het onderzoek volgt dat uitsluitend het kogeltraject behorend bij spoor nummer 5 over de bestuurdersstoel (rechtsvoor) liep en het bij [slachtoffer] geconstateerde dodelijke letsel kan hebben veroorzaakt. Gezien de plaats van de inslag, het kogeltraject en plaats van de aangetroffen kogel stond de schutter aan de linkerzijkant van de Toyota toen dit schot op deze auto werd gelost.
Verklaringen verdachte over het schietincident
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zag dat de Toyota op [medeverdachte] af ging. De auto maakte hoge toeren en zijn wielen slipten in het zand. Toen de auto rechtstreeks op [medeverdachte] afreed hoorde [verdachte] een schot en hij wist niet waar het vandaan kwam. [verdachte] had [medeverdachte] in zijn ooghoek ‘in de vuurlinie’ maar had niet gezien dat [medeverdachte] zijn vuurwapen had getrokken. [verdachte] dacht dat het schot dat hij hoorde, vanuit de auto kwam en toen is hij gaan schieten. [verdachte] kan zich vanaf het moment dat hij is gaan schieten, totdat zijn magazijn leeg was, niets herinneren: “het werd zwart voor mijn ogen”.
Conclusies van het Gerecht
De Toyota is achter Madiki Kavel [huisnummer] op het doodlopende stuk van de weg gedraaid en heeft zich vervolgens in de richting van de politieauto klem gereden. Hierna is de Toyota achteruit gereden. Op dat moment zijn de verdachten uitgestapt en hebben zij beiden vrijwel direct hun vuurwapen getrokken en op de Toyota gericht. Bijna onmiddellijk hierna heeft [medeverdachte] het vuur op de Toyota geopend, terwijl deze auto op dat moment nog achteruit reed. In totaal heeft [medeverdachte], terwijl hij zich vóór de Toyota bevond, van korte afstand drie schoten op de voorzijde van de auto afgevuurd. Twee van de drie schoten van [medeverdachte] hebben de Toyota niet geraakt en één schot is in de voorzijde terechtgekomen. [verdachte] heeft, terwijl hij zich eerst aan de linkerzijkant en vervolgens aan de achterzijde van de auto bevond, van korte afstand 17 keer in de richting van de Toyota geschoten, voornamelijk op de linkerzijde ter hoogte van de autoruiten, en op de achterzijde van de Toyota. Bij het afvuren van één van die schoten was zijn vuurwapen gericht op de onderzijde van het raam aan de linker voorzijde van de Toyota. Deze kogel (spoor nr. 5) is door de Toyota heengegaan en heeft dhr. [slachtoffer] dodelijk getroffen.
Het op korte afstand meermalen met een vuurwapen schieten op de voorzijde dan wel zijkant van een bewegende auto met daarin een bestuurder is, zeker gelet op de plaatsen waar deze auto door kogels is getroffen, naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het doden van de bestuurder dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachten de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust hebben aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken. Het Gerecht gaat er dan ook van uit dat beide verdachten (tenminste) voorwaardelijk opzet hebben gehad op de dood van de bestuurder van de Toyota. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de hierboven beschreven gedragingen van verdachten leidt het Gerecht af dat tussen hen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking die daarop was gericht. De verdachten hebben daaraan beiden uitvoering gegeven door op de auto te schieten.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het Gerecht wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag ten aanzien van dhr. [slachtoffer].
5. Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet een of meer keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen een of meerdere kogels afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer] zich bevond, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
6. De kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op:
primair: medeplegen van doodslag,
strafbaar gesteld bij artikel 2:259 jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba (Sr).
7. De strafbaarheid
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvolging.
Het Gerecht begrijpt het verweer van de verdediging aldus dat primair wordt aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte niet strafbaar zijn gelet op het bepaalde in art. 1:114 Sr, nu hij heeft gehandeld binnen de bevoegdheden die zijn neergelegd in de Landsverordening politie en het Landsbesluit ambts- en geweldsinstructies politie.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Volgens de verdediging werd [verdachte] geconfronteerd met (de dreiging van) een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn collega [medeverdachte], waartegen deze verdedigd diende te worden. De bestuurder van de Toyota probeerde te vluchten. [verdachte] had op dat moment niet gezien of [medeverdachte] zijn wapen had getrokken. [verdachte] hoorde een schot vallen, maar wist op dat moment niet uit welk wapen dat afkomstig was. Gelet op die omstandigheden was het gebruik van het vuurwapen door [verdachte] volgens de verdediging het enige logische en noodzakelijke reactie om de Toyota tot stilstand te brengen en een mogelijke fatale afloop voor [medeverdachte] te voorkomen. Het gebruik van het vuurwapen voldeed daarom aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De verdediging heeft meer subsidiair bepleit dat sprake was van noodweerexces en daartoe aangevoerd dat de verdachte mogelijk de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar deze overschrijding is het onmiddellijk gevolg geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.
De verdediging heeft meest subsidiair aangevoerd dat, indien geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, [verdachte] redelijkerwijs mocht menen dat daarvan wel sprake was. Volgens de raadsman konden de omstandigheden van het incident – waaronder de achtervolging, de vluchtpoging van dhr. [slachtoffer], het klemrijden van de Toyota, het luidruchtig optrekken van de motor en het moment waarop de Toyota volgens de verdediging in de richting van [medeverdachte] versnelde – bij [verdachte] de indruk wekken dat sprake was van acuut levensgevaar voor [medeverdachte]. Daarbij heeft de verdediging betrokken dat [verdachte] een schot hoorde en op dat moment niet wist uit wiens wapen dat was. De verdediging stelt op grond van het voorgaande dat sprake was van een verontschuldigbare dwaling omtrent het bestaan van een noodweersituatie. Dit dient volgens de verdediging te leiden tot het aannemen van een beroep op putatief noodweer.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie hebben de verdachten niet gehandeld conform het Landsbesluit ambts- en geweldsinstructie politie. Daarom kan volgens de officier geen beroep worden gedaan op een rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 1:114 Sr.
Ook het beroep op noodweer(exces) dient volgens de officier van justitie te worden verworpen, nu er geen sprake was van een noodweersituatie.
Ten slotte dient volgens de officier van justitie ook het beroep op putatief noodweer(exces) te worden verworpen, omdat de verdachte niet verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent het door hem gestelde dreigende gevaar voor [medeverdachte]. Daarbij heeft de officier van justitie gewezen op de (zgn.) ‘Garantenstellung’, op grond waarvan aan politieambtenaren kort gezegd andere eisen worden gesteld dan aan een gemiddelde burger.
Beoordeling van de verweren
Rechtmatig geweld?
WETTELIJK KADER
Artikel 1:114, eerste lid sub c, Sr bepaalt dat een gedraging niet strafbaar is gepleegd ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. In dit verband geldt dat het gebruik van (vuurwapen)geweld door de politie bij wet is geregeld.
Artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening politie bepaalt dat de politieambtenaar bevoegd is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening of functie geweld te gebruiken tegen personen en goederen, wanneer het daarmede beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat aan het gebruik van geweld zo mogelijk een waarschuwing vooraf gaat.
Artikel 25, eerste lid, van het Landsbesluit ambts- en geweldsinstructie politie (hierna: “het landsbesluit”) bepaalt dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn functie slechts bevoegd is geweld aan te wenden, indien: a. hij zijn doel niet op andere wijze kan bereiken; b. het belang van het te bereiken doel het gebruik van geweld rechtvaardigt; en c. het risico van het gebruik van geweld, ook voor derden, geringer is dan het nadeel dat voortvloeit uit het niet bereiken van zijn doel. Lid 2 bepaalt dat hij telkens de mate van het aan te wenden geweld bij het gebruik van wapen of vuurwapen of bij het inzetten van een politiehond, dan wel de noodzaak handboeien te gebruiken, afweegt tegen de inbreuk die op de rechtsorde wordt gemaakt. Daarbij streeft hij naar evenredigheid tussen het beoogde doel en het geweldsmiddel en hanteert het minst ingrijpende geweldsmiddel dat aanvaardbare resultaten oplevert. Hij is er bij de keuze van het aan te wenden geweld en de mate waarin het wordt aangewend, op bedacht dat de daaraan verbonden risico’s voor alle betrokkenen en derden zoveel mogelijk worden beperkt.
Artikel 37 van het Landsbesluit bepaalt dat de ambtenaar bij de uitoefening van zijn taken slechts bevoegd is een vuurwapen ter hand te nemen in gevallen waarin hij tot het gebruik van dat wapen bevoegd is.
Artikel 38, eerste lid, van het Landsbesluit bepaalt dat de ambtenaar bevoegd is tot het gebruik van een handvuurwapen tegen personen en tegen vervoermiddelen, vaartuigen en luchtvaartuigen, waarin of waarop zich personen bevinden: a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijze mag worden aangenomen dat deze een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuur- of steekwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken; b. om een persoon aan te houden, die zich aan zijn aanhouding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming onttrekt of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een ernstig misdrijf, een poging daartoe of wegens een deelnemingsvorm daaraan, bedoeld in artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, welk misdrijf moet zijn aan te merken als een grove aantasting van de rechtsorde.
Lid 3 bepaalt dat de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, niet bestaat: a. indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijze mag worden aangenomen dat uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt, en b. indien een aanmerkelijke kans bestaat dat onschuldige derden kunnen worden getroffen.
Artikel 41, eerste lid, van het Landsbesluit bepaalt dat de ambtenaar waarschuwt, onmiddellijk voordat hij voornemens is gericht met een vuurwapen te schieten, met luide stem of op andere niet te miskennen wijze dat geschoten zal worden, wanneer niet terstond een gegeven bevel wordt opgevolgd. Het geven van een waarschuwing mag slechts achterwege blijven, wanneer de omstandigheden het geven daarvan niet toelaten. Lid 2 bepaalt dat de waarschuwing, zo nodig, gegeven kan worden in de vorm van een waarschuwingsschot. De ambtenaar schiet alsdan op een zodanige wijze, dat geen gevaar ontstaat voor personen en goederen.
TOETSINGSKADER
De hierboven weergegeven regeling geeft aan de politie, voor zover die optreedt in de rechtmatige uitoefening van de bediening, een grote mate van vrijheid om jegens burgers geweld te gebruiken. Die vrijheid is wel beperkt omdat de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet mogen worden overschreden.
Van belang is voorts dat uit artikel 2 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) volgt dat potentieel dodelijk geweld door politieagenten uitsluitend mag worden toegepast indien en voor zover dat ‘absoluut noodzakelijk’ is. In dat kader heeft het EHRM overwogen:
“Recourse to potentially deadly force cannot be considered as “absolutely necessary” where it is known that the person to be arrested poses no threat to life or limb and is not suspected of having committed a violent offence.”
En:
“The use of force by agents of the State (…) may be justified under this provision where it is based on an honest belief which is perceived, for good reasons, to be valid at the time but which subsequently turns out to be mistaken. To hold otherwise would be to impose an unrealistic burden on the State and its law-enforcement personell in the execution of their duty, perhaps to the detriment of their lives and those of others.”
En:
“[The court] would also add in this connection that, detached from the events at issue, it cannot substitute its own assessment of the situation for that of an officer who was required to react in the heat of the moment to avert an honestly perceived danger to his life.”
En:
“(…) the principal question to be addressed is whether the person had an honest and genuine belief that the use of force was necessary. In addressing this question, the Court will have to consider whether the belief was subjectively reasonable, having full regard to the circumstances that pertained at the relevant time. If the belief was not subjectively reasonable (that is, it was not based on subjective good reasons), it is likely that the Court would have difficulty accepting that it was honestly and genuinely held.”
Uit het voorgaande leidt het Gerecht af dat bij de strafrechtelijke beoordeling van het optreden van verdachten, die handelden in hun hoedanigheid van politieagent, de nodige terughoudendheid dient te worden betracht. Het is niet aan de rechter om achteraf als buitenstaander te beoordelen of de verdachten redelijkerwijs tot een andere keuze hadden kunnen komen, dan wel of een andere keuze meer voor de hand had gelegen.
De rechter moet beoordelen of de overtuiging van de verdachten ten tijde van het geweldgebruik — namelijk dat dit noodzakelijk was — vanuit hun toenmalige beleving begrijpelijk is. Hierbij moeten alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken. Dit betekent dat het door politieagenten toegepaste geweld, ondanks hun oprechte overtuiging dat het noodzakelijk was, alsnog als onrechtmatig kan worden aangemerkt als die overtuiging niet op deugdelijke, objectief vast te stellen feiten en omstandigheden berust.
RELEVANTE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN
Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden kan worden opgemaakt dat
de verdachten de Toyota achtervolgden vanwege zijn verlichting, het niet opvolgen van een stopteken, en diens rijgedrag. Dat was nog steeds zo toen de Toyota in Madiki Kavel werd klemgereden en de verdachten vervolgens uitstapten. Er was geen sprake van een concrete aanwijzing dat de bestuurder van de Toyota een wapen had.
Ook overigens was er op dat moment geen concrete dreiging. [verdachte] verwachtte dat als de Toyota zou stoppen, de bestuurder weg zou rennen. [medeverdachte] heeft in zijn eerste verhoor bij de Landsrecherche verklaard: “Ik weet niet precies op welk moment ik mijn pistool uithaalde. In ieder geval nadat ik de patrouilleauto uitstapte. Ik was uitgestapt omdat ik dacht dat hij, gezien we de auto klem hadden, zich over zal geven of weg zou rennen. Uitstappen om hem aan te houden of te voet achtervolgen indien hij wegrent”.
Ter terechtzitting heeft het Gerecht op de camerabeelden waargenomen dat de Toyota vóór noch tijdens het schietincident gevaarlijk heeft gereden. De snelheid die de Toyota bij de verschillende manoeuvres had, lijkt op die van een vlot in- of uitparkerende auto. Slippende banden of een op volle toeren draaiende motor zijn op de beschikbare camerabeelden (visueel en/of auditief) niet waar te nemen.
Het rijgedrag van de bestuurder van de Toyota kan naar het oordeel van het Gerecht hooguit worden getypeerd als vluchten, niet als aanvallen. Uit de manoeuvres van de Toyota blijkt duidelijk dat de bestuurder van de situatie weg wilde rijden. Dat hij daarbij [medeverdachte] (desnoods) wilde aanrijden, blijkt volgens het Gerecht uit de beelden geheel niet. Niet alleen reed de Toyota relatief langzaam, bovendien maakte hij bij het vooruitrijden nog een bochtje naar rechts, als het ware om [medeverdachte] heen, zodat het er juist sterk op leek dat de bestuurder wilde voorkomen dat hij [medeverdachte] zou raken.
De beelden laten ten slotte zien dat er voor [medeverdachte] in de aanloop naar het schietincident (ook al stond hij dichtbij de auto) steeds genoeg tijd en ruimte is geweest om voor de naderende Toyota opzij te stappen. Dit heeft [medeverdachte] uiteindelijk ook daadwerkelijk gedaan.
Ook blijkt uit de beelden dat de [medeverdachte] en [verdachte] elkaar kort voor en tijdens het schieten goed hebben kunnen zien.
CONCLUSIE
Voor en tijdens het schietincident was er geen concrete aanwijzing dat de bestuurder van de Toyota een (vuur- of steek)wapen had en hij werd niet verdacht van zeer ernstige feiten, één en ander zoals bedoeld in artikel 38 lid 1 van het Landsbesluit. Laat staan dat er vanuit de auto werd geschoten. Er was hooguit sprake van een bestuurder die voor de politie aan het vluchten was. Uit de gebeurtenissen zoals die zich bij de verdachten aandienden konden zij goedbeschouwd niet afleiden dat [medeverdachte] door de bestuurder van de Toyota werd aangevallen of zonder meer zou worden aangereden. Het rijgedrag van de bestuurder was dan ook niet zo gevaarlijk of dreigend dat het nodig was om dodelijk geweld te gebruiken. Desondanks hebben de verdachten vrijwel direct nadat zij waren uitgestapt hun vuurwapen getrokken en hebben zij vervolgens bijna onmiddellijk en zonder voorafgaande waarschuwing het vuur op de Toyota geopend. Het eerste schot viel al toen de Toyota achteruit, en dus van [medeverdachte] af, reed.
Onder deze omstandigheden voldeed het door de verdachten toegepaste geweld niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het was niet absoluut noodzakelijk om op de Toyota te schieten. De overtuiging van de verdachten dat dit wel noodzakelijk was berustte – gelet op de hiervoor weergegeven gebeurtenissen – niet op deugdelijke, objectief vast te stellen feiten en omstandigheden. Van rechtmatig politiegeweld is derhalve geen sprake geweest.
Noodweer(exces)?
De verdachte heeft zich voorts beroepen op noodweer, dan wel noodweerexces. Voor het aannemen van een dergelijk beroep is vereist dat sprake was van een verdediging tegen (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Van een dergelijke noodweersituatie was naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. Gelet op de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat het handelen van de bestuurder van de Toyota zodanig bedreigend was voor de verdachte dat dit als ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan worden aangemerkt. Het beroep op noodweer(exces) slaagt niet.
Putatief noodweer?
Ten aanzien van het beroep van de verdachte op putatief noodweer stelt het Gerecht voorop dat moet worden onderzocht of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Daarbij staat de vraag centraal of een redelijk handelend persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden als de verdachte op het moment van het handelen, eveneens in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat sprake was van een (dreigende) aanranding.
In dit geval betekent dit dat moet worden beoordeeld of een andere politieambtenaar, met een gelijke ervaring en opleiding als verdachte, eveneens in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij werd aangevallen. In dat kader komt betekenis toe aan de zgn. ‘Garantenstellung’. Op grond daarvan kunnen aan politieambtenaren op grond van hun beroep, opleiding en training andere eisen worden gesteld dan een normale burger. Van een politieambtenaar kan worden gevergd dat hij in precaire situaties meer dan een gewone burger zelfbeheersing en tactisch inzicht heeft en in het geval van een confrontatie met verdachten niet te snel naar zijn dienstwapen zal grijpen, maar in staat blijft afgewogen beslissingen te nemen.
Op grond van de hierboven beschreven gebeurtenissen moet worden geconcludeerd dat de veronderstelling van [verdachte] dat de Toyota op gevaarlijke wijze op [medeverdachte] afreed en dat er vanuit de auto op [medeverdachte] werd geschoten, niet was gebaseerd op deugdelijke, objectief vast te stellen feiten en omstandigheden. Van [verdachte] mocht ook als politieagent in (bijna afgeronde) opleiding onder de gegeven omstandigheden worden verwacht dat hij de mate van gevaarzetting van een manoeuvrerende auto goed kon inschatten. Daarnaast mocht van hem worden verwacht dat hij goed in kon schatten van waaruit er werd geschoten, te meer nu [verdachte] in het onderhavige geval naast de schutter ([medeverdachte]) stond en hem ook goed heeft kunnen zien. In het onderhavige geval kan daarom niet worden gezegd dat een politieambtenaar met een gelijke ervaring en opleiding als de verdachte eveneens in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij werd aangevallen. Het beroep op putatief noodweer wordt derhalve verworpen.
Bij het voorgaande heeft het Gerecht er rekening mee gehouden dat de verdachte er een drukke avond- en nachtdienst op had zitten en dat zich eerder die avond/nacht al een aantal incidenten had voorgedaan. Het Gerecht onderkent dat en wil daaraan niets afdoen. Van een politieagent wordt echter ook onder die omstandigheden verwacht dat hij tot op zekere hoogte kan inschatten wanneer er sprake is van een reële dreiging, en wanneer niet.
Conclusie
De verweren met betrekking tot de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van de verdachte worden verworpen. Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Het bewezenverklaarde is strafbaar. De verdachte is strafbaar.
8. Motivering van de straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, en tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Daarbij is benadrukt dat rekening dient te wordt gehouden met de beleving van de verdachte ten tijde van het onderhavige incident en de omstandigheden van het geval, waaronder ook de aanloop van het incident. Ook dient er rekening mee te worden gehouden dat indien door politieagenten gepleegde feiten (te) zwaar worden bestraft, er mogelijk een ‘chilling effect’ optreedt. Dat moet worden voorkomen.
Het oordeel van het Gerecht over de straf
Inleiding
Deze zaak is één grote tragedie. [slachtoffer] is overleden. Een jonge man die samen woonde met zijn vriendin en hun kindje. [slachtoffer] was geliefd bij zijn familie en vrienden. Het verdriet om zijn verlies is nog steeds enorm. Dat is tijdens de zitting nog eens heel duidelijk gemaakt door zijn ouders en zijn vriendin.
[slachtoffer] is overleden door politiegeweld waarvoor geen enkele rechtvaardiging is. Het Gerecht begrijpt dat het ook daarom voor de nabestaanden heel moeilijk is om te accepteren wat er is gebeurd.
Wat er is gebeurd, kan de rechter niet ongedaan maken. Geen enkele beslissing zal [slachtoffer] kunnen terugbrengen.
Het enige dat in deze zaak nu nog kan worden gedaan is het opleggen van een zo rechtvaardig mogelijke straf.
Maar wat is een rechtvaardige straf?
Een rechtvaardige straf doet recht aan de ernst van hetgeen is gebeurd. Ernstige feiten moeten zwaar worden bestraft. Maar zo makkelijk is het niet.
Iedere verdachte is een mens zoals ook ieder slachtoffer een mens is. De wet verplicht de rechter dan ook goed te kijken naar alle omstandigheden.
In wat voor situatie zaten de verdachten? Wat maakte dat zij deden wat ze deden?
Ook moet een rechter kijken naar de gevolgen die een straf heeft. Wat betekent het als zij straf krijgen?
Daarnaast moet de rechter goed nadenken over het effect dat een straf heeft op de maatschappij.
De rechter kijkt ten slotte ook altijd naar straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Maar binnen het Koninkrijk der Nederlanden is er geen zaak geweest die zich goed laat vergelijken met deze.
Volgens het Gerecht is in deze zaak in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feit
De verdachten hebben onnodig en buitensporig geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Niets kan rechtvaardigen dat zij zo snel hun vuurwapen hebben getrokken en vervolgens samen twintig keer op hem hebben geschoten. Het slachtoffer had geen kans. De verdachten hebben niet goed nagedacht over de gevolgen van hun handelen. Zij hebben achteraf verklaard dat er sprake was van zo’n dreigende situatie dat zij moesten schieten. Maar er was helemaal geen sprake van een dreigende situatie. Hun handelen is schokkend. Zij hebben [slachtoffer] daardoor het recht op leven ontnomen. Het meest fundamentele recht dat er bestaat.
Een dergelijk ernstig feit maakt dat aan de verdachte in ieder geval onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechter is het daarom niet eens met de eis van de officier van justitie.
Voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf moet rekening worden gehouden met de volgende omstandigheden.
Beoordeling van politiegeweld
Het Gerecht houdt er rekening mee dat de verdachte handelde als politieagent en in de overtuiging dat zijn optreden op dat moment nodig was.
Daarmee zegt het Gerecht niet dat politieagenten boven de wet staan. Zij krijgen geen voorkeursbehandeling. Maar belangrijk is wel dat van een politieagent wordt gevraagd dat hij op gevaarlijke situaties af gaat en dat hij indien nodig zijn vuurwapen gebruikt. Het zou daarom onrechtvaardig zijn het gebruik van een vuurwapen door een politieagent zonder meer gelijk te stellen met dat van een burger die geen vuurwapen mag hebben, laat staan gebruiken.
Als de rechter politiegeweld op dezelfde manier beoordeelt als geweld van burgers, zullen politieagenten terughoudend worden, ook wanneer hun ingrijpen juist nodig is om mensen te beschermen. Dat onwenselijke fenomeen moet worden voorkomen. Politieagenten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun handelen met de juiste blik wordt bekeken. Dat is in het belang van iedereen.
Aan de andere kant moet de maatschappij er evenzeer op kunnen vertrouwen dat de politie niet lichtvaardig geweld gebruikt. Helemaal als het gaat om het gebruik van vuurwapens. Vuurwapengeweld mag door de politie uitsluitend worden toegepast als dat absoluut noodzakelijk is. De politie moet hier te allen tijde aandacht aan geven en daar mag geen enkele concessie aan worden gedaan. Met de op te leggen straf moet het signaal worden afgegeven dat onnodig gebruik van dodelijk politiegeweld niet wordt getolereerd en het moet effectief worden bestraft.
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte is een first offender. Hij heeft niet eerder een dergelijk incident meegemaakt. Het Gerecht twijfelt er niet aan dat de verdachte nooit heeft gewild dat door zijn optreden een onschuldig slachtoffer zou vallen. De verdachte denkt nog elke dag aan het incident. Zijn volledige naam inclusief foto is in de media verspreid. Hij kan in Aruba niet meer zomaar over straat. De verdachte zit sinds het incident thuis. Het Gerecht gaat ervan uit dat hij door deze veroordeling niet meer als politieagent kan werken.
De verdachten heeft een catastrofale en onomkeerbare beslissing genomen, waarvan ook hij de rest van zijn leven de gevolgen zal moeten dragen.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de na te melden straf passend en geboden is.
9. Vordering benadeelde partijen
De vordering
Dhr. [benadeelde partij 1] en mw. [benadeelde partij 2], de ouders van wijlen dhr. [slachtoffer], hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Het Gerecht begrijpt dat zij, ieder voor zich, vorderen dat de verdachten hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van in totaal Afl. 165.507,89. Deze vordering is als volgt opgebouwd (zakelijk weergegeven).
Materiële schade
Afl.
1
Kosten uitvaart
8.660,-
2
Kosten mourning days
3.900,-
3
Gravering grafsteen
185,-
4
Kosten intake psycholoog
200,-
5
psycholoog [benadeelde partij 2]
175,-
6
Psycholoog [benadeelde partij 2]
1.225,-
7
Kosten raadsman
10.000,-
8
Kosten raadsman
5.000,-
9
Kosten raadsman (regiezitting)
654,60
10
Kosten raadsman (slo gesprek en bijwonen inhoudelijke beh)
578,89
Totaal materiële schade
30.578,49
Immateriële schade
Afl.
11
Shockschade identificatie [benadeelde partij 1]
25.000,-
12
Shockschade identificatie [benadeelde partij 2]
25.000,-
13
Affectieschade [benadeelde partij 1]
42.464,70
14
Affectieschade [benadeelde partij 2]
42.464,70
Totaal immateriële schade
134.929,40
Totaal gevorderde schade
Afl.
Materieel en immaterieel
165.507,89
Het Gerecht begrijpt dat namens de benadeelde partijen het standpunt wordt ingenomen dat de door hen gevorderde materiële schade rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter onderbouwing van de vordering de nodige stukken overgelegd, zoals facturen en specificaties.
Aan hun vorderingen ter zake van de immateriële schade leggen de benadeelde partijen ten grondslag dat zij beiden schockschade hebben opgelopen. In dit verband is aangevoerd dat zowel dhr. [benadeelde partij 1] als mw. [benadeelde partij 2] in de middag na het schietincident [slachtoffer] hebben moeten identificeren en dat dit een zeer traumatische gebeurtenis is geweest. Ter onderbouwing hiervan is namens de benadeelde partijen een brief overgelegd van psycholoog D. Uribe d.d. 18 februari 2026, waarin staat dat mw. [benadeelde partij 2] wordt behandeld “following the violent death of her son” en dat zij tijdens die behandeling “has presented emotional and psychological responses consistent with a traumatic bereavement reaction”. Daarnaast stellen de benadeelde partijen dat zij affectieschade hebben geleden. Zij hebben tegelijkertijd onderkend dat de Arubaanse wetgeving tot op dit moment nog niet voorziet in de mogelijkheid om deze schade te vorderen. De vordering wordt op dit punt evenwel gehandhaafd zodat dit de wetgever mogelijk een impuls geeft om de wetgeving op dat punt aan te passen.
De benadeelde partijen hebben geen wettelijke rente gevorderd. Evenmin hebben zij gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
Het standpunt van de officier van justitie
Ter zake van de materiële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van Afl. 12.745,- aan dhr. [benadeelde partij 1] kan worden toegewezen en een bedrag van Afl. 1.050,- aan mw. [benadeelde partij 2].
Ten aanzien van de immateriële schade stelt de officier van justitie dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard voor zover zij affectieschade hebben gevorderd. Ten aanzien van de schockschade meent de officier van justitie dat dhr. [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat aan mw. [benadeelde partij 2] een bedrag van Afl. 25.000,- kan worden toegewezen.
De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd dat aan de verdachten de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard nu geen sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad. In dit verband is verwezen naar de door de verdediging aangevoerde rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden.
Ten aanzien van de gevorderde affectieschade wordt (subsidiair) aangevoerd dat de Arubaanse wetgeving daarin niet voorziet. Ten aanzien van de gevorderde shockschade voert de verdediging aan dat niet is aangetoond dat bij de benadeelde partijen sprake is (geweest) van een in de psychiatrie erkend geestelijk letsel.
Ten slotte stelt de verdediging zich op het standpunt dat de door de benadeelde partijen gevorderde advocaatkosten excessief zijn en iedere onderbouwing missen. Het is niet duidelijk waarom zou moeten worden afgeweken van de forfaitaire proceskostenvergoeding.
Het oordeel van het Gerecht
Algemeen
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is het Gerecht van oordeel dat de verdachten door het bewezenverklaarde onrechtmatig hebben gehandeld jegens de benadeelde partijen als nabestaanden van het slachtoffer. Gelet hierop is de verdachte (hoofdelijk) gehouden de daarmee rechtstreeks verband houdende schade aan de benadeelde partijen te vergoeden.
Materiële schade
In het kader van het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de kosten die te maken hebben met de uitvaart en rouwplechtigheden (posten 1 t/m 3) zijn aan te merken als aan de benadeelde partijen rechtstreeks toegebrachte schade. Deze kosten zijn bovendien voldoende onderbouwd. Het gaat om een bedrag van Afl. 12.745,-. Nu namens beide benadeelde partijen is aangegeven dat het gemeenschappelijke kosten betreft en het hen niet uitmaakt aan wie van hen beiden dit bedrag wordt toegewezen, als het maar toegewezen wordt, zal het Gerecht de materiële schade uitsluitend toewijzen aan mw. [benadeelde partij 2].
De door de benadeelde partijen gemaakte kosten voor de intake en behandeling bij de psycholoog (posten 4 en 6) worden door het Gerecht eveneens als rechtstreekse schade aangemerkt. Ook die schade is voldoende onderbouwd. Het Gerecht zal in dit verband Afl. 200,- en Afl. 1.225,- toewijzen. Een bedrag van Afl. 1.425,- wordt toegewezen aan wederom uitsluitend mw. [benadeelde partij 2] om de redenen zoals hierboven vermeld.
Post 5 wordt afgewezen nu het desbetreffende bedrag (Afl. 175,-) al is vervat in post 6 (die is toegewezen). Het betreft dus een dubbel gevorderd bedrag.
Nu alle bedragen aan mw. [benadeelde partij 2] worden toegewezen, worden zij ten aanzien van dhr. [benadeelde partij 1] afgewezen.
Immateriële schade
Ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde affectieschade geldt dat de Arubaanse wetgeving daarin niet voorziet. In zoverre zullen de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.
Voor wat betreft de door de benadeelde partijen gevorderde schokschade stelt het Gerecht het volgende voorop. Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt kan ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn (kort gezegd) de aard en toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, de wijze waarop het secundaire slachtoffer daarmee wordt geconfronteerd, en de aard en hechtheid tussen het primaire en secundaire slachtoffer. Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. De emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.
Gelet op hetgeen namens mw. [benadeelde partij 2] is gesteld en de ter onderbouwing daarvan overgelegde brief van psycholoog Uribe staat naar het oordeel van het Gerecht vast dat mw. [benadeelde partij 2] door de confrontatie met (de gevolgen van) de door de verdachte gepleegde onrechtmatige daad geestelijk letsel en dus schokschade heeft opgelopen. Het door haar gevorderde bedrag van Afl. 25.000,- (waarvan de hoogte overigens niet is betwist) is naar het oordeel van het Gerecht evenzeer voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.
Dhr. [benadeelde partij 1] zal ter zake van zijn vordering strekkende tot vergoeding van schokschade niet- ontvankelijk worden verklaard. Bij de huidige stand van zaken is onvoldoende duidelijk dat bij hem sprake is van geestelijk letsel, nu een onderbouwing daarvan op dit moment onderbreekt. Indien dhr. [benadeelde partij 1] thans, in deze procedure, in staat zou worden gesteld zijn vordering nader te onderbouwen, zou dat een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Dit deel van de vordering zal hij bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Proceskosten
Naar het oordeel van het Gerecht moeten de door de benadeelde partijen gevorderde advocaatkosten (7 t/m 10) worden aangemerkt als proceskosten. Daarbij overweegt het Gerecht dat een redelijke uitleg van artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering meebrengt dat bij de begroting daarvan dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Daarin wordt bij vorderingen als hier aan de orde doorgaans het liquidatietarief gehanteerd. Het Gerecht ziet geen aanleiding daar in deze zaak van af te wijken.
De proceskosten van mevrouw [benadeelde partij 2] zullen worden toegewezen. Dit conform het toepasselijke liquidatietarief (voor vorderingen tussen Afl. 100.000 tot Afl. 250.000) ad Afl. 2.000,- per punt. Het Gerecht rekent 3 punten (1 punt voor het opstellen en indienen van de vordering, 1 punt voor de regiezitting en 1 punt voor de inhoudelijke behandeling) x Afl. 2.000,- = Afl. 6.000,-. De gevorderde advocaatkosten worden tot dit bedrag aan mw. [benadeelde partij 2] toegewezen.
De door dhr. [benadeelde partij 1] gevorderde advocaatkosten (die aldus zijn aan te merken als proceskosten) komen gelet op de afwijzing en niet-ontvankelijkverklaring van zijn vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking.
Conclusie
De vordering van mw. [benadeelde partij 2] ter zake van de door haar geleden materiële schade wordt toegewezen tot een bedrag van Afl. 14.170,- en voor het overige afgewezen. Haar vordering ter zake van immateriële schade worden toegewezen tot een bedrag van Afl. 25.000,- en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De door mw. [benadeelde partij 2] gevorderde proceskosten worden toegewezen tot een bedrag van
Afl. 6.000,-. De verdachte zal hoofdelijk worden veroordeeld de voormelde bedragen aan mw. [benadeelde partij 2] te betalen.
De vordering van dhr. [benadeelde partij 1] ter zake van materiële schade worden afgewezen. Ten aanzien van zijn vordering ter zake van immateriële schade wordt hij niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van de door hem gevorderde schokschade zal worden bepaald dat hij deze vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dhr. zal [benadeelde partij 1] worden veroordeeld in de proceskosten van de verdachten, die tot op heden worden begroot op nihil.
De benadeelde partijen, die worden bijgestaan door een raadsman, hebben klaarblijkelijk geen aanleiding gezien de schadevergoedingsmaatregel te vorderen. Bij die stand van zaken acht ook het Gerecht geen termen aanwezig om deze op te leggen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:11, 1:19 en 1:20 Sr.
DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 3 [drie] jaren;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 1 [één] jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte, dan als veroordeelde, zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 1 [één] jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade toe tot een bedrag van Afl. 39.170,- (waarvan Afl. 14.170,- ter zake van materiële schade en Afl. 25.000,- aan immateriële schade) en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij; veroordeelt de verdachte eveneens hoofdelijk in de door [benadeelde partij 2] gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op Afl. 6.000,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld(e) bedrag(en) heeft betaald aan de benadeelde partij de verdachte in zoverre van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij is bevrijd;
wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] strekkende tot vergoeding van materiële schade voor het overige af;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in haar vordering strekkende tot vergoeding van affectieschade;
wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] strekkende tot vergoeding van materiële schade af;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot vergoeding van affectieschade;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot vergoeding van schokschade en bepaalt dat hij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de proceskosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Lensink, rechter, bijgestaan door mr. A.B. Bennett, (zittingsgriffier), en op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.
Bijlage: de tenlastelegging
Verdachte wordt ten laste gelegd:
Primair (medeplegen doodslag)
Dat hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet een of meer keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen een of meerdere kogels afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer] zich bevond, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
(artikel 2:259 jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)
Subsidiair (medeplegen van poging tot doodslag)
Dat hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een of meerdere keren gericht met zijn/hun dienstvuurwapen een of meerdere kogels heeft/hebben afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(artikel 2:259 jo artikel 1:119 jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)
Meer subsidiair (medeplegen van poging tot zware mishandeling
Dat hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf, om opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meerdere keren gericht met zijn/hun dienstwapen, een of meerdere kogels heeft/hebben afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [slachtoffer] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(artikel 2:275 jo artikel 1:119 jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)