Beschikking van 17 maart 2026
Behorend bij AUA202600023 EJ
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
de naamloze vennootschap,
FREE ZONE ARUBA (F.Z.A.) N.V.,
te Aruba,
verzoekster,
hierna ook te noemen: FZA,
gemachtigde: de advocaat mr. C.B.A. Coffie,
tegen:
[Verweerster],
te Aruba,
verweerster,
hierna ook te noemen: [verweerster],
gemachtigde: de advocaat mr. L.J. Pieters (die zich heeft gesteld na de mondelinge behandeling).
1. DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 8 januari 2026,
- brief van 22 januari 2026 namens FZA met extra producties,
- producties van [verweerster],
- de pleitnota namens FZA,
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 17 februari 2026,
- het verweerschrift,
- de schriftelijke reactie op het verweerschrift namens FZA.
Op de mondelinge behandeling zijn partijen en mr. Coffie verschenen. [Verweerster] wilde uitstel voor de zitting om een advocaat te vinden. Dat verzoek is niet toegestaan omdat er al een eerder uitstel van de zitting aan haar was verleend. De zaak is op de zitting besproken. Afgesproken is dat [verweerster] kort de tijd kreeg om zelf een verweerschrift in te dienen. Dat heeft uiteindelijk mr. Pieters voor haar gedaan.
Beschikking is nader bepaald op heden.
2. DE VASTSTAANDE FEITEN
Verweerster] is geboren op [geboortedatum] 1955. Op 1 mei 1997 is [verweerster] in dienst getreden bij FZA in de functie van Office Manager. Haar bruto maandsalaris bedraagt Afl. 6.232,26. [Verweerster] bereikte haar pensioendatum op 1 augustus 2015. Nadien is haar arbeidsovereenkomst dus voortgezet.
FZA is een vennootschap waarvan de aandelen worden gehouden door het Land Aruba. Zij richt zich op beheer en ontwikkeling van de vrije zone.
Op 8 oktober 2015 heeft [verweerster] aan FZA het verzoek gedaan om haar pensioen uit te stellen. Daarmee is FZA akkoord gegaan. Uit de brief: “Art. 11 section 6 of the law allows me a maximum of 10 years to either allocate part or the full pension capital on a yearly basis towards the purchase of an annuity and upon your approval to such I would like to exercise my rights accordingly.”
Bij e-mail van 6 november 2025 doet FZA een voorstel aan [verweerster] om de arbeidsovereenkomst tegen 1 april 2026 te beëindigen met doorbetaling loon maar vrijstelling van werk per 15 november 2025. Dat komt neer op inachtneming van de geldende opzegtermijn volgens FZA. Redenen volgens deze e-mail: reorganisatie waardoor de functie van [verweerster] mede door digitalisering komt te vervallen waarbij er geen vervangende werkzaamheden zijn. “Furthermore, ten years ago in 2015, you chose to delay your AOV pension with 5 years and to delay your lijfrente with Ennia for 10 years. Both the enhanced AOV and the delayed Ennia pension are now being enjoyed by you, so we thought this is an opportune moment to come to an amicable end of the employment, so you can enjoy your well earned pension.” [Verweerster] heeft dit voorstel geweigerd. Zij wil het dienstverband voortzetten.
Bij advocatenbrief van 26 november 2025 is [verweerster] geschorst wegens een aantal incidenten die zich hebben voorgedaan nadat FZA aan haar het voorstel deed de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
3. HET VERZOEK
FZA verzoekt het Gerecht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen direct dan wel op zo’n kort mogelijke termijn te ontbinden op grond van een dringende reden dan wel verandering van omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding, kosten rechtens.
Verweerster] verweert zich en verzoekt het Gerecht om het verzoek af te wijzen, althans alleen maar toe te wijzen als aan haar een vergoeding van zes maanden salaris wordt toegewezen.
Voor zover nodig voor de beoordeling gaat het Gerecht hierna in op de argumenten van partijen.
4. DE BEOORDELING
Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een opzegverbod wegens ziekte.
Wat betreft het verzoek, voor zover gebaseerd op een dringende reden, geldt dat dit wordt afgewezen. De feiten die daaraan ten grondslag worden gelegd rechtvaardigen namelijk niet de ontbinding. Het zijn bovendien gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan nadat FZA het initiatief nam de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Er worden geen gebeurtenissen van daarvoor aan het verzoek ten grondslag gelegd. Bovendien, gelet op de duur van het dienstverband, de intensieve samenwerking van partijen door de vele jaren heen en de persoonlijke omstandigheden van [verweerster], namelijk haar gevorderde leeftijd, zou ontbinding wegens een dringende reden niet passend zijn.
Het Gerecht moet beoordelen of er gewijzigde omstandigheden zijn die een gewichtige reden vormen om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Ook daarvoor sluit FZA aan bij dezelfde gebeurtenissen van na haar pogingen tot een beëindigingsovereenkomst te komen. Zij concludeert dat hierdoor sprake is van een verlies aan vertrouwen zodat verdere samenwerking niet mogelijk is. Daarover wordt overwogen dat het Gerecht het niet onaannemelijk vindt dat de spanningen tussen partijen zijn toegenomen toen het aan [verweerster] duidelijk werd dat FZA streefde naar beëindiging van het dienstverband wat zij absoluut niet wil. Zij heeft dan ook altijd in de correspondentie benadrukt wel degelijk de samenwerking te willen voortzetten en doet concrete suggesties hiervoor. Deze spanningen zijn voor het Gerecht, gezien de zeer lange duur van de arbeidsovereenkomst, op zich onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een vertrouwensbreuk die onherstelbaar is.
Door FZA wordt aangevoerd dat bijna alle taken van een Office Manager overbodig zijn geworden. Dat illustreert zij aan de hand van een zelfgemaakt overzicht van taken. [Verweerster] voert terecht aan dat dit onvoldoende is. Van FZA had inderdaad mogen worden verwacht dat zij concreet inzicht zou hebben gegeven in de organisatorische en bedrijfseconomische redenen die tot het verval van de functie hebben geleid. De enkele stelling dat tegenwoordig veel meer dingen digitaal gebeuren is onvoldoende. Een reorganisatieplan is evenmin overgelegd. De uitleg in de nadere schriftelijke reactie van FZA dat de toekomstige functies op andere gebieden liggen en dat [verweerster] daarvoor niet geschikt zal zijn is te kort door de bocht want kan door het Gerecht niet objectief worden getoetst. De gestelde reorganisatie, waarvan overigens ook geen besluit of plan wordt overgelegd, kan dus niet leiden tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewijzigde omstandigheden.
Niettemin zal het Gerecht de arbeidsovereenkomst wèl ontbinden maar dan op grond van een vertrouwensbreuk die overwegend is veroorzaakt door FZA die immers het initiatief nam tot het einde van de arbeidsrelatie. Het Gerecht acht niet relevant dat in 2015 [verweerster] haar pensioen met maximaal 10 jaar wilde uitstellen. Dat is immers een beslissing die uitsluitend haar aangaat. Bovendien kunnen mensen tijdens een dergelijke lange periode van gedachten veranderen. Evenmin acht het Gerecht het relevant dat, zoals FZA aanvoert, [verweerster] genoeg inkomsten heeft om naar behoren te kunnen leven. Om dezelfde redenen maar ook omdat dit niet de kern van de arbeidsovereenkomst raakt: het kunnen blijven werken tegen het overeengekomen loon. Doorslaggevend in dat verband is dat [verweerster] kan bogen op een onberispelijk dienstverband; er worden geen negatieve gespreksverslagen, waarschuwingen of berispingen overgelegd.
Verweerster] voert aan dat zij onvoldoende pensioen heeft opgebouwd om, zo begrijpt het Gerecht, fatsoenlijk van te kunnen leven en dat zij mede daarom op haar 72e jaar nog vasthoudt aan haar dienstverband. FZA betwist dat. Het Gerecht wil verre blijven van deze discussie omdat het de verantwoordelijkheid van [verweerster] is of en in hoeverre zij pensioen heeft opgebouwd of dat wilde doen maar daar niet in is geslaagd. Daar heeft FZA, anders dan door haar pensioentoezegging jegens [verweerster] na te komen, niets mee te maken. Dat betekent dat de vraag naar het pensioeninkomen van [verweerster] weliswaar relevant is voor haarzelf maar niet meespeelt in de overwegingen van de rechter om al dan niet te ontbinden.
Het is lastig om een billijke vergoeding in dit geval vast te stellen. Doorgaans wordt bij billijke vergoedingen voor werknemers op leeftijd (ook) gekeken naar de tijd die rest tot de pensioendatum. Maar dat kan hier niet omdat de pensioendatum in het verre verleden ligt. Gecombineerd met de overweging dat het de primaire verantwoordelijkheid van de werknemer is om ervoor te zorgen na pensionering voldoende inkomsten te hebben zal het Gerecht een vergoeding toekennen van vijf maanden salaris. Daarbij speelt ook mee dat na een dergelijk lang dienstverband ook kan worden gezegd dat “de koek op is”. Het Gerecht bedoelt daarmee dat als partijen zo lang hebben samengewerkt zij op elkaar zijn uitgekeken en zij niet langer tot elkaar veroordeeld moeten blijven.
Omdat een vergoeding wordt opgelegd zal aan FZA een termijn worden gegeven om het verzoek in te trekken.
Het Gerecht ziet aanleiding om te bepalen dat partijen de proceskosten ieder voor eigen rekening moeten houden.
Uitvoerbaarheid verklaring bij voorraad van deze beschikking is niet nodig omdat hiertegen geen beroep mogelijk is.
5. DE BESLISSING
Het Gerecht:
geeft aan FZA tot en met 27 maart 2026 de gelegenheid om een brief op de griffie af te geven waarin het verzoek wordt ingetrokken
en
als het verzoek niet wordt ingetrokken:
wijst het verzoek voor zover gebaseerd op gewijzigde omstandigheden toe en ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 28 maart 2026,
kent aan [verweerster] een vergoeding van Afl. 31.161,30 bruto en veroordeelt FZA om dit bedrag binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking netto aan [verweerster] te voldoen,
bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening houden,
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.