Beschikking van 25 maart 2026
Behorend bij AUA202401753
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
betreffende het verzoek op grond van artikel 3:200a e.v. van het Burgerlijk Wetboek tot toekenning van het langdurig onverdeeld gebleven perceel [adres 1] te [locatie], Aruba, met kadastrale aanduiding [perceel nummer], groot 182 m2, dat volgens het Kadaster eigendom is van
welk verzoek is ingediend door de verzoeker:
[Verzoeker],
te Nederland,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: de advocaat mr. R.J. Kock,
waarbij in het verzoekschrift als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1. de publiekrechtelijke rechtspersoon
HET LAND ARUBA, te Aruba,
gemachtigde: mr. J.J.S. Poeran (DWJZ),
2. [Belanghebbende 1],
3. [Belanghebbende 2],
4. [Belanghebbende 3],
gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,
5. [Belanghebbende 4],
wonend aan de [straatnaam], [adres 2], [buitenland],
niet verschenen,
6. [Belanghebbende 5],
wonend te Aruba,
procederend in persoon ([e-mailadres 1]),
7. [Belanghebbende 6],
wonend te [hoofdstad], [buitenland],
procederend in persoon ([e-mailadres 2]),
8. [Belanghebbende 7],
wonend te [adres 3], Aruba, zowel voor zichzelf als handelend als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige],
procederend in persoon,
9. ANDERE (MOGELIJKE) BELANGHEBBENDEN,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in Aruba of elders,
hierna ook te noemen: de andere belanghebbenden,
en in welke zaak zich als belanghebbenden hebben gemeld:
[Belanghebbende 8] ([e-mailadres 3]), [belanghebbende 9] ([adres 4]), [belanghebbende 10] ([e-mailadres 4]), [belanghebbende 11] ([e-mailadres 5]), [belanghebbende 12] ([e-mailadres 6]), [belanghebbende 13] ([e-mailadres 7]), [belanghebbende 14] ([e-mailadres 7]), [belanghebbende 15] ([e-mailadres 7]), [belanghebbende 16] ([e-mailadres 8]), [belanghebbende 17] ([e-mailadres 9]), [belanghebbende 18] ([adres 5]), [belanghebbende 19] ([adres 6]), [belanghebbende 20] ([adres 7]), [belanghebbende 21] ([adres 8]), [belanghebbende 22] ([adres 9]), [belanghebbende 23] ([adres 10]), [belanghebbende 24] ([adres 11]), [belanghebbende 25] ([adres 12]), [belanghebbende 26] ([adres 13]), [belanghebbende 27] ([adres 14]), [belanghebbende 28] ([adres 15]), [belanghebbende 29] ([adres 16]), [belanghebbende 30] ([adres 17]), [belanghebbende 31] ([adres 17]), [belanghebbende 32] ([adres 17]), [belanghebbende 33] ([adres 17]), [belanghebbende 34] (in zijn hoedanigheid van curator van [betrokkene], [e-mailadres 10]), [belanghebbende 35] ([adres 18]), [belanghebbende 36] ([adres 19]), [belanghebbende 37] ([e-mailadres 11]), [belanghebbende 38] ([adres 20]), [belanghebbende 39] ([e-mailadres 12]), [belanghebbende 40] ([adres 21]), [belanghebbende 41] ([adres 21]).
1. DE VERDERE PROCEDURE
Op 27 november 2024 en 11 juli 2025 heeft het Gerecht in deze zaak tussenbeschikkingen gegeven. In de beschikking van 11 juli 2025 heeft het Gerecht een mondelinge behandeling bepaald.
Vervolgens heeft het Gerecht ontvangen:
de schriftelijke reacties van [belanghebbende 9], [belanghebbende 8], [belanghebbende 11], [belanghebbende 12], [belanghebbende 10], [belanghebbende 13], [belanghebbende 3], [belanghebbende 16], [belanghebbende 6], [belanghebbende 17], [belanghebbende 18], [belanghebbende 19], [belanghebbende 20], [belanghebbende 21], [belanghebbende 22], [belanghebbende 23], [belanghebbende 24], [belanghebbende 25], [belanghebbende 26], [belanghebbende 27], [belanghebbende 28], [belanghebbende 29], [belanghebbende 30], [belanghebbende 31], [belanghebbende 32], [belanghebbende 33], [belanghebbende 34] (namens [betrokkene]), [belanghebbende 35], [belanghebbende 36],
het verweerschrift dat mr. Mohamed op 17 oktober 2025 indiende namens [belanghebbend 1], [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3],
de brief van mr. R.J. Kock van 24 oktober 2025, met als bijlage een nieuw taxatierapport.
De mondelinge behandeling vond plaats op 31 oktober 2025. Daarbij heeft mr. Kock het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen.
Vervolgens is bepaald dat een beschikking zal worden gegeven. De uitspraakdatum is een aantal keer aangehouden.
2. DE VERDERE BEOORDELING
[Erflater 1], of [naamvariant 1]?
In de beschikking van 27 november 2024 heeft het Gerecht erop gewezen dat het perceel in het kadaster is geregistreerd op naam van [erflater 1], geboren in de [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1909, terwijl de stamboom van Censo, die [verzoeker] in het geding heeft gebracht, betrekking heeft op [erflater 1], geboren in de [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1909. Het Gerecht heeft overwogen dat het voor de hand ligt dat het gaat om dezelfde persoon, maar heeft [verzoeker] verzocht om daarover op de zitting een nader standpunt in te nemen.
Dat heeft [verzoeker] gedaan. [Verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat de informatie in het Kadaster onjuist is. Zowel [erflater 1] als [verzoeker] is in [geboortedatum] 1909 geboren in de [geboorteplaats], terwijl navraag bij Censo heeft geleerd dat in haar register de naam [erflater 1] niet voorkomt.
Gelet op de overgelegde informatie, in combinatie met het feit dat het het Gerecht ambtshalve bekend is dat in oude kadastrale stukken regelmatig schrijffouten voorkomen, gaat ook het Gerecht ervan uit dat het perceel (mede-) eigendom is van [erflater 1], geboren in de [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1909.
Van welke [erflater 2] is het perceel?
Toen het verzoekschrift werd ingediend, stond het perceel bij het Kadaster voor 6/10e deel geregistreerd op naam van [erflater 1], en voor 4/10e deel op naam van [erflater 2] (geboortedatum onbekend). In het verzoekschrift is toegelicht dat het gaat om [erflater 2], geboren op Aruba op [geboortedatum] 1860 en overleden op Curaçao op 31 oktober 1921 (bij leven getrouwd met [partner van erflater 2]). Van die gegevens is het Gerecht in de eerdere beschikkingen ook uitgegaan.
Verschillende personen die zich als belanghebbenden hebben gemeld, hebben zich op het standpunt gesteld dat het perceel eigendom was van een andere [erflater 2], namelijk [naamvariant 2], die is geboren in Aruba op [geboortedatum] 1855 en overleden te Aruba op 20 oktober 1928 (bij leven getrouwd met [echtgenote van erflater 2]). Uit de kadastrale informatie, die verschillende belanghebbenden in het geding hebben gebracht, blijkt dat het perceel inmiddels bij het Kadaster is geregistreerd op naam van [erflater 2] [erflater 2] met geboortedatum [geboortedatum] 1855 en overlijdensdatum 20 oktober 1928.
Alle personen die tijdens de zitting aanwezig waren, zijn het erover eens dat het perceel (deels) van deze [erflater 2] is. Ook mr. Kock heeft gezegd dat hij er bij nader inzien van uitgaat dat hij in het verzoekschrift de verkeerde [erflater 2] heeft genoemd. Voor de beslissing van het Gerecht maakt dat niet uit: als nog onduidelijkheid zou bestaan over de vraag welke [erflater 2] mede-eigenaar is van het perceel, ligt het op de weg van de notaris om dat na te gaan. De notaris zal immers moeten uitzoeken welke personen deelgenoot zijn.
Kan verzoeker worden aangemerkt als gebruiker in de zin van artikel 3:200a e.v. BWA?
Verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hij kan worden aangemerkt als gebruiker van het perceel in de zin van de artikelen 3:200a e.v. BWA. Daartoe heeft hij gesteld dat zijn moeder was getrouwd met een zoon van [erflater 1], een van de twee eigenaren van het perceel. Zijn moeder heeft het perceel lange tijd verzorgd en verhuurd en heeft haar werkzaamheden later aan [verzoeker] overgedragen, zo licht [verzoeker] toe. Volgens [verzoeker] heeft geen van de andere deelgenoten ooit belangstelling getoond voor het perceel. [Verzoeker] wil nu eigenaar worden van het perceel. Omdat [verzoeker] meent dat hij kan worden aangemerkt als gebruiker van het perceel, wil hij dat het perceel (zonder betaling) aan hem in eigendom wordt toegekend.
De personen die zich als belanghebbenden hebben gemeld, hebben allemaal verweer gevoerd. Zij vinden het prima dat het perceel aan [verzoeker] wordt toegedeeld, maar vinden wel dat hij daarvoor de marktwaarde moet betalen.
Naar het oordeel van het Gerecht kan worden aangenomen dat sprake is van een langdurig onverdeelde gemeenschap in de zin van de artikelen 3:200a e.v. BWA. Zowel [erflater 1] als [erflater 2] is al lang geleden overleden ([erflater 1] in 1949 en [erflater 2] hoogstwaarschijnlijk in 1928). [Erflater 1] heeft (op dit moment) slechts acht afstammelingen, maar aannemelijk is dat [erflater 2] een zeer groot aantal afstammelingen heeft nagelaten. [Erflater 2] had volgens de informatie van het Archivo Nacional twaalf kinderen. Volgens de beschikbare informatie zijn drie van die kinderen al op jonge leeftijd overleden, maar naar verwachting hebben de negen andere kinderen (die inmiddels ook zijn overleden) gezorgd voor een groot aantal afstammelingen. In deze procedure heeft zich een aantal van hen gemeld, maar aannemelijk is dat er ook geen groot aantal afstammelingen is dat niet kan worden opgespoord.
De regeling voor langdurig onverdeelde gemeenschappen is dus van toepassing. Toch zal het verzoek van [verzoeker] om het perceel aan hem in eigendom toe te kennen, worden afgewezen. De redenen daarvan zijn de volgende.
i. In de eerste plaats is de regeling voor langdurig onverdeelde gemeenschappen sociale wetgeving, bestemd voor de bewoners van het eiland. Om die reden bepaalt artikel 3:200b lid 1 BWA dat alleen een persoon die rechtmatig in Aruba verblijft, als gebruiker kan worden aangemerkt. [Verzoeker] woont in Nederland. Alleen al om die reden kan zijn verzoek niet worden toegewezen.
ii. In de tweede plaats is onvoldoende gebleken dat [verzoeker] (en daarvoor zijn moeder) het perceel daadwerkelijk “in gebruik” had op de manier zoals is bedoeld in de wettelijke bepalingen. Vast staat dat de moeder van [verzoeker] het perceel enige tijd heeft beheerd. Ook heeft [verzoeker] gesteld dat hij werkzaamheden heeft verricht aan het pand (wat is bevestigd door zijn zus). Daar staat echter tegenover dat ook andere deelgenoten hebben gezegd dat zij zich hebben bemoeid met het pand. Dat [verzoeker] daadwerkelijk als “gebruiker” kan worden aangemerkt, blijkt uit niets, en evenmin dat hij een veel grotere betrokkenheid heeft met het perceel dan anderen.
iii. Tot slot kan niet worden aangenomen dat de waarde van de aandelen van de deelgenoten in het perceel “zeer gering” is als bedoeld in artikel 3:200a lid 1 BWA. Met name aan de zijde van de acht afstammelingen van [erflater 1] (die tezamen rechthebbende zijn van 6/10e deel van het perceel) is dit niet het geval.
Het verzoek van [verzoeker] om hem aan te merken als gebruiker, zal daarom worden afgewezen. Wel is het in het belang van alle deelgenoten dat er een einde wordt gemaakt aan de langdurige onverdeeldheid. Daarmee zijn alle deelgenoten die in deze procedure zijn verschenen, het ook eens. Om die reden zal het Gerecht de verdeling van het perceel bepalen in de zin van artikel 3:200a lid 3 BWA.
Verzoeker] heeft tijdens de zitting desgevraagd laten weten dat hij het perceel in dat geval toegedeeld wil krijgen. Geen van de verschenen deelgenoten heeft daartegen bezwaar heeft gemaakt. De aanwezigen hebben er ook niet tegen geprotesteerd dat [verzoeker] het perceel tegen de getaxeerde waarde van Afl. 272.690,- zal “overnemen”. Naar het oordeel van het Gerecht is dat ook in het belang van de deelgenoten die niet in de procedure zijn verschenen.
Het Gerecht zal het perceel daarom (op de voet van artikel 3:174 lid 1 BWA) toedelen aan [verzoeker], onder de verplichting om aan de nalatenschappen Afl. 272.690,- te vergoeden.
verzoeker] heeft nog gesteld dat hij kosten heeft gemaakt voor de verbouwing en het onderhoud van het perceel. Die kosten schat hij op Afl. 30.000,- aan materiaalkosten en Afl. 30.000,- aan reiskosten, en hij vindt dat hij die kosten mag verrekenen met de koopprijs.
Het Gerecht stelt vast dat [verzoeker] geen onderbouwing heeft aangeleverd van de kosten die hij zegt te hebben gemaakt voor het huis. Tegelijkertijd staat niet ter discussie dat [verzoeker] aan het huis heeft gewerkt, en dat hij daarvoor kosten heeft gemaakt. Het Gerecht schat die kosten in redelijkheid op Afl. 10.000,-. De reiskosten komen naar het oordeel van het Gerecht niet voor vergoeding in aanmerking, omdat niet is gebleken dat [verzoeker] uitsluitend voor werkzaamheden aan het perceel naar Aruba is gereisd (en niet ook voor vakantie of familiebezoek).
Ook moeten de kosten die [verzoeker] voor deze procedure heeft gemaakt, aan hem worden vergoed. Het gaat dan (bijvoorbeeld) om de kosten voor het laten opstellen van een stamboom van Censo, de kosten voor het aanvragen van Censo-uittreksels, deurwaarderskosten, de kosten voor de taxatie van de percelen, aan het Gerecht betaald griffierecht en publicatiekosten, etc. Die kosten hebben er uiteindelijk toe geleid dat het perceel kan worden verdeeld en de nalatenschappen kunnen worden afgewikkeld. Om die reden bepaalt het Gerecht dat de kosten (die het Gerecht in redelijkheid begroot op Afl. 8.500,-) aan [verzoeker] moeten worden terugbetaald, waarna het restant van de verkoopopbrengst (na betaling van de belastingen en andere kosten die samenhangen met de verdeling) onder de deelgenoten zal worden verdeeld.
Het is aan de notaris ten overstaan van wie de percelen worden verkocht, om de verkoopopbrengst te verdelen onder de verschillende deelgenoten. Op grond van artikel 3:200a lid 4 BWA kan de rechter bepalen dat de in de procedure niet verschenen deelgenoten gedurende een bepaalde termijn aanspraak kunnen maken op een geldsom en wie daarvoor zekerheid moet stellen. Met overeenkomstige toepassing van die bepaling zal bepaald worden dat het deel van de verkoopopbrengst dat toekomt aan de deelgenoten die niet in de procedure zijn verschenen, wordt gereserveerd. De termijn waarbinnen de niet-verschenen deelgenoten aanspraak kunnen maken op hun erfdeel wordt gesteld op vijf jaar na het in kracht van gewijsde gaan van deze uitspraak.
3. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
deelt de eigendom van het langdurig onverdeeld gebleven perceel [adres 1] te Oranjestad, Aruba, met kadastrale aanduiding [perceel nummer], groot 182 m2, dat volgens de huidige gegevens in het Kadaster eigendom is van [erflater 1] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1909 en overleden te Aruba op 19 mei 1949) en [erflater 2] (geboren op [geboortedatum] 1855 en overleden op 20 oktober 1928) toe aan [verzoeker], een en ander onder de verplichting om aan de nalatenschappen van de hiervoor genoemde personen een bedrag van Afl. 272.690,- te betalen;
bepaalt dat op de in 3.1 genoemde koopsom in mindering worden gebracht:
- de door [verzoeker] betaalde investeringen in het perceel ter hoogte van Afl. 10.000,-, die aan hem moeten worden vergoed;
- de kosten die [verzoeker] voor deze procedure heeft gemaakt, ter hoogte van Afl. 8.500,-, die aan hem moeten worden terugbetaald;
- de eventuele verschuldigde belastingen;
- de kosten die verband houden met de toedeling, levering en verdeling van de verkoopopbrengst onder de deelgenoten;
bepaalt dat het resterende gedeelte van de koopsom door de notaris zal worden verdeeld onder de deelgenoten, overeenkomstig ieders gerechtigdheid en zoveel mogelijk naar de regels van erfrecht;
bepaalt dat het gedeelte van de koopsom dat toekomt aan de deelgenoten die zich niet bij de notaris melden, door de notaris gedurende drie jaren na ontvangst daarvan zal worden gehouden als zekerheid voor de geldelijke aanspraken van de deelgenoten in de nalatenschap(pen) die niet in de onder 3.3 bedoelde verdeling zijn betrokken, na ommekomst van welke periode de notaris de tot zekerheid gehouden geldsom zoveel mogelijk zal verdelen overeenkomstig ieders gerechtigdheid zoveel mogelijk naar de regels van erfrecht;
benoemt, voor zover nodig, deurwaarder [deurwaarder] te Aruba als onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BWA die de onbekende deelgenoten vertegenwoordigt, alsmede de personen wier medewerking aan de verdeling en levering vereist is maar die medewerking weigeren;
bepaalt dat de aanspraken van de mogelijke niet in dit geding verschenen deelgenoten, bekend of onbekend, opeisbaar worden op het tijdstip dat deze beschikking in kracht van gewijsde gaat en vervallen nadat vijf jaren nadien zijn verstreken;
bepaalt dat de griffier deze uitspraak binnen twee weken openbaar bekend zal maken door publicatie in de Landscourant en de Diaro en op de facebookpagina van het Gerecht;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026, in aanwezigheid van de griffier.