ECLI:NL:OGEAA:2026:93

ECLI:NL:OGEAA:2026:93

Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer AUA202501389
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Ontheffingsvergunning – ontvankelijkheid beroep

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

NATURA DEVELOPMENT N.V.,

gevestigd in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaat mr. G.F. Croes,

gericht tegen:

DE MINISTER, BELAST MET NATUURBERSCHERMING,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ),

als derde belanghebbende is aangemerkt:

de stichting ARUBA BIRDLIFE CONSERVATION, hierna: ABC,

gemachtigde: de advocaat mr. G.W. Rep.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het beroep van appellante tegen de door verweerder genomen beslissing op bezwaar van 27 maart 2025 (de bestreden beslissing), waarin verweer het bezwaar van appellante van 19 oktober 2023 ongegrond heeft verklaard.

Appellante heeft dat beroep op 9 mei 2025 ingesteld. Verweerder heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift. ABC, die zich als derde-belanghebbende in het geding heeft gesteld, heeft ook gereageerd met een verweerschrift.

Het gerecht heeft het beroep op 4 februari 2026 behandeld op zitting. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. T.J.T. Loopstok (DWJZ). ABC heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. Z.J.S. Soekandar. Tevens was aanwezig de heer [betrokkene] (voorzitter ABC).

De uitspraak is bepaald op heden.

Beoordeling door het gerecht

Wat is relevant op te weten?

Appellante exploiteert het hotel Embassy Suites.

Bij ministeriële beschikking van 16 juni 2023 heeft verweerder - onder bepaalde voorwaarden - aan appellante een aanlegvergunning verleend voor het ophogen en/of egaliseren van de (zee)bodem in verband met de realisatie van strandwinning, -aanleg, -aanvulling in domeinwater ten noordwesten van het Embassy Suites hotel en zuidwesten van het Divi Phoenix hotel.

Voor het aanleggen van het strand dient appellante tevens in het bezit te zijn van een ontheffing als bedoeld in artikel 8 van de Natuurbeschermingsverordening. Op 18 juli 2023 heeft appellante daartoe een verzoek ingediend.

Tegen de fictieve afwijzende beslissing op dat verzoek heeft appellante op 19 oktober 2023 bezwaar gemaakt. Tegen de fictieve afwijzende beslissing op dat bezwaar heeft appellante beroep ingesteld bij dit gerecht. Bij beschikking van 5 juni 2024 (AUA202400738) heeft het gerecht deze fictieve afwijzende beslissing op bezwaar vernietigd en verweerder opgedragen binnen drie maanden een reële beslissing op het bezwaar van appellante te nemen.

Bij beslissing op bezwaar van 19 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk, althans ongegrond, verklaard.

Bij uitspraak van dit gerecht van 26 februari 2025 (AUA20403382) heeft het gerecht het beroep tegen voornoemde beslissing op bezwaar gegrond verklaard en die beslissing vernietigd. Verweerder is daarbij opgedragen om binnen drie maanden een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante van 19 oktober 2023, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij de bestreden beslissing heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard.

Het onderhavige beroep richt zich hiertegen.

De ontvankelijkheid van het beroep

3. Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling over te gaan, dient het gerecht de ontvankelijkheid van het beroepschrift te beoordelen. De ontvankelijkheid is een kwestie van openbare orde en wordt ambtshalve door het gerecht getoetst. In dit verband hebben verweerder en ABC zich op het standpunt gesteld dat het beroepschrift niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het gerecht volgt dit standpunt en overweegt daartoe als volgt.

4. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de beslissing op het bezwaarschrift is gedagtekend.

5. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Lar wordt een beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard indien het is ingediend nadat deze termijn is verstreken. Op die regel is wel een uitzondering mogelijk. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt; dat staat in het derde lid van artikel 28 Lar.

6. De bestreden beslissing is gedagtekend 27 maart 2025. Appellante heeft het beroepschrift ingediend op 9 mei 2025, zijnde de dag na afloop van de beroepstermijn. Gevraagd naar de redenen voor de termijnoverschrijding, heeft appellante het volgende aangevoerd.

De beslissing is op 27 maart 2025 om 18:25 uur – en derhalve na kantoorsluitingstijd – per e-mail aan de gemachtigde van appellante toegezonden. De gemachtigde heeft eerst op 28 maart 2025 van de inhoud van de beslissing kennisgenomen. Appellante stelt zich op het standpunt dat 28 maart 2025 als datum van ontvangst en uitreiking dient te worden aangemerkt. Zij verwijst in dit verband naar een uitspraak van dit gerecht van 27 november 2024 (ECLI:NL:OGEAA:2024:241), waarin is overwogen dat artikel 28 van de Lar aldus dient te worden toegepast dat een termijnoverschrijding in ieder geval niet wordt tegengeworpen indien het beroep is ingesteld binnen zes weken na de dag volgend op de dag van uitreiking van de beslissing op bezwaar.

Voorts heeft appellante aangevoerd dat op 27 maart 2025 – de datum van dagtekening van de beslissing – het kabinet Wever-Croes II is ontslagen. Dit riep bij haar twijfel op over de totstandkoming en rechtsgeldigheid van de beslissing. Zij heeft daarom getracht contact op te nemen met de nieuwe minister om hierover duidelijkheid te verkrijgen, hetgeen naar haar zeggen bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk, bleek.

Appellante stelt zich op het standpunt dat zij het beroepschrift tijdig heeft ingediend, namelijk op de laatste dag van de beroepstermijn (9 mei 2025). Volgens appellante vangt de termijn aan op de dag na de uitreiking en ontvangst van de beslissing, derhalve op 29 maart 2025, en eindigt deze op 9 mei 2025.

7. Het gerecht overweegt dat uit artikel 27, eerste lid, van de Lar volgt dat de beroepstermijn is aangevangen op 28 maart 2025, zijnde de dag na de dag van dagtekening. Een termijn van zes weken omvat zes volle weken, oftewel 42 dagen. De eerste dag van de termijn, 28 maart 2025, wordt in de berekening betrokken. Na iedere periode van zeven dagen is één week verstreken, zodat de beroepstermijn als volgt verloopt:

Week:

Vanaf:

Tot en met:

1

28 maart 2025

3 april 2025

2

4 april 2025

10 april 2025

3

11 april 2025

17 april 2025

4

18 april 2025

24 april 2025

5

25 april 2025

1 mei 2025

6

2 mei 2025

8 mei 2025

De laatste dag van de beroepstermijn is derhalve 8 mei 2025. Een beroepschrift dat na die dag wordt ingediend, is in beginsel niet-ontvankelijk. Dat is slechts anders indien moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding appellante niet kan worden tegengeworpen en dus verschoonbaar moet worden geacht (artikel 28, derde lid, van de Lar).

8. Het betoog van appellante dat zij eerst op 28 maart 2025 kennis heeft genomen van de inhoud van de bestreden beslissing en dat – gelet op de uitspraak van het gerecht van 27 november 2024 – de beroepstermijn op 29 maart 2025 is aangevangen, slaagt niet. Weliswaar heeft het gerecht in die uitspraak overwogen dat artikel 28 van de Lar aldus moet worden toegepast dat een termijnoverschrijding in ieder geval niet wordt tegengeworpen indien het beroep is ingesteld binnen zes weken na de dag volgend op de dag van uitreiking van de beslissing op bezwaar. Tegen die uitspraak is echter hoger beroep ingesteld, en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LarHof) heeft in zijn uitspraak van 25 juni 2025 (ECLI:NL:OGHACMB:2025:146) deze benadering niet gevolgd.

Het LarHof heeft aansluiting gezocht bij de overwegingen van het College van Beroep voor het bedrijfsleven in zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). Daarin is overwogen dat, indien een belanghebbende eerst kennisneemt van een correct bekendgemaakt besluit op een moment waarop de bezwaar- of beroepstermijn geheel of grotendeels is verstreken, en hij ook niet eerder van dat besluit kennis kon nemen, het niet verwijtbaar is dat het beroep binnen zes weken na die kennisneming wordt ingesteld.

Van een dergelijk geval is in deze zaak geen sprake. De op 27 maart 2025 gedagtekende beslissing op het bezwaarschrift van appellante is op diezelfde datum aan haar uitgereikt, zodat zij reeds op die datum van die beslissing kennis had kunnen nemen. Van een reeds geheel of grotendeels verstreken beroepstermijn was op dat moment geen sprake. De termijnoverschrijding is in zoverre dan ook niet verschoonbaar.

9. Appellante heeft ten slotte betoogd dat zij – gelet op het ontslag van het kabinet Wever-Croes II op 27 maart 2025, waaronder de minister die de bestreden beslissing heeft genomen – eerst duidelijkheid heeft willen verkrijgen over de rechtsgeldigheid van de bestreden beslissing. Voor zover appellante hiermee heeft beoogd een beroep te doen op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, slaagt dit betoog niet. Van appellante had mogen worden verwacht dat zij binnen de beroepstermijn een pro forma beroepschrift indiende ter veiligstelling van de termijn, in afwachting van het standpunt van de nieuwe minister over de rechtsgeldigheid van de bestreden beslissing.

10. Het beroepschrift zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J. Martijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?