Vonnis van 25 maart 2026
Behorend bij AUA202404117 BB
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiseres] h.o.d.n. ZOHA MANAGEMENT,
te Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: Zoha,
procederend in persoon,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. E.E. Rosenstand.
1. DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 20 november 2024;
- de conclusie van antwoord, ingediend op 15 januari 2025;
- de conclusie van repliek, ingediend op 12 februari 2025;
- de conclusie van dupliek, ingediend op 29 april 2025;
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026;
Tijdens de mondelinge behandeling van 17 februari 2026 is mevrouw [eiseres] (hierna: [eiseres]) in persoon verschenen. [Gedaagde] noch haar advocaat is, hoewel behoorlijk opgeroepen, ter zitting verschenen. Zoha heeft tijdens de zitting het woord gevoerd en vragen van de rechter beantwoord.
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.
2. DE BEOORDELING
Tussen Zoha en [gedaagde] is een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan [gedaagde] schoonmaakwerkzaamheden verrichtte bij woonhuizen van derden. De overeenkomst tussen partijen is inmiddels beëindigd.
Zoha vordert dat het Gerecht [gedaagde] veroordeelt tot (terug)betaling van een bedrag van Afl. 5.614,50, te vermeerderen met nevenvorderingen. Aan deze vordering legt Zoha – naar het Gerecht begrijpt – ten grondslag dat dit bedrag onverschuldigd aan [gedaagde] is betaald en daarom dient te worden terugbetaald. Volgens Zoha is tussen partijen mondeling overeengekomen dat [gedaagde] werkzaamheden zou verrichten tegen een vergoeding van Afl. 12,50 per uur, met een maximum van vier uur per woning. Het maximaal te betalen bedrag per woning zou daarmee Afl. 50,- bedragen.
Gedaagde] betwist dat de door Zoha gestelde afspraken zijn gemaakt. Volgens [gedaagde] is sprake van een samenwerkingsovereenkomst op grond waarvan [eiseres] klanten zou aanbrengen, betalingen in ontvangst zou nemen en vervolgens 50% van de opbrengst aan [gedaagde] zou afdragen. Daarnaast stelt [gedaagde] dat zij niet voor alle door haar verrichte werkzaamheden door Zoha is betaald, zodat zij ter zake van die onbetaald gebleven werkzaamheden een vordering op [eiseres] heeft. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat door Zoha data worden genoemd waarop zij niet heeft gewerkt, zodat zij voor die dagen ook geen betaling heeft ontvangen en derhalve niets hoeft te restitueren.
In deze zaak staat aldus de vraag centraal of Zoha een bedrag van Afl. 5.614,50 onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald.
Zoha heeft haar vorderingen tijdens de mondelinge behandeling van 17 februari 2026 nader toegelicht en daarbij de tussen partijen gemaakte afspraken verder geconcretiseerd. [gedaagde] heeft weliswaar een conclusie van antwoord en een conclusie van dupliek ingediend, maar is, ondanks behoorlijke oproeping, niet ter zitting verschenen. Daarmee heeft zij aan het Gerecht de mogelijkheid ontnomen om vragen aan haar te stellen. Evenmin is het Gerecht in de gelegenheid gesteld om de reactie van [gedaagde] op de stellingen van Zoha te vernemen. Het Gerecht kan aan dit niet-verschijnen ingevolge artikel 177 Rv de gevolgtrekking verbinden die het geraden acht. Het Gerecht verbindt hieraan de gevolgtrekking dat de stellingen van Zoha, zoals deze ter zitting nader zijn toegelicht en onderbouwd, als onvoldoende weersproken worden aangemerkt zodat het Gerecht niet toekomt aan nader onderzoek in de vorm van een bewijsopdracht of anderszins. Het Gerecht zal daarom de vorderingen van Zoha toewijzen.
Nu de vordering van Zoha zal worden toegewezen, komen ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van Afl. 375,- voor toewijzing in aanmerking. Uit het dossier blijkt namelijk van voldoende incassowerkzaamheden die deze vergoeding rechtvaardigen.
Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten aan de zijde van Zoha bedragen Afl. 50,- aan griffierecht en Afl. 150,- aan nakosten, in geval van betekening van dit vonnis.
3. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van Afl. 5.614,50 aan Zoha, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2024 tot de dag der algehele betaling;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten aan Zoha ten bedrage van Afl. 375,-;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Zoha, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,- aan griffierechten en met Afl. 150,- in geval van betekening van dit vonnis aan [gedaagde], indien en voor zover zij na aanschrijving veertien kalenderdagen de tijd heeft gehad om vrijwillig aan dit vonnis te voldoen;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.