Parketnummer: 400.00016/23
Uitspraak: 19 december 2024 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1968 te Bonaire,
wonende op Bonaire, [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2024. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. R.B.K. Polsbroek, advocaat in Curaçao.
De officier van justitie, mr. A. Rienhart-Martis heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geldboete van $ 40.000.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2022 op het eiland Bonaire en/of de Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging met anderen, met zetel op Bonaire, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van kredietinstelling, elektronisch geldinstelling en/of geldtransactiekantoor heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 van de Wet financiële markten BES, immers heeft hij, verdachte en zijn mededaders, geldtransacties als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 van de Wet financiële markten BES uitgevoerd door:
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft
begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen
zijn vervat.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen op Bonaire.
1. Een schriftelijk bescheid, te weten de rapportage van bevindingen van Financial Intelligence Unit – Nederland, opgemaakt d.d. 5 februari 2021, ondertekend door [FIU medewerker 1] en [FIU medewerker 2], voor zover inhoudende:
“Uit de aan de FIU-Nederland gemelde ongebruikelijke transacties blijkt dat de rekeningen van [ECHTGENOOT VERDACHTE], [VERDACHTE] en [DOCHTER VERDACHTE], voornamelijk contant worden gevoed. De gelden worden kort daarna voornamelijk overgeboekt naar het rekeningnummer van [ECHTGENOOT VERDACHTE] in de Dominicaanse Republiek.
Uit verkregen intelligence blijkt tevens dat [VERDACHTE] veelvuldig contant geld stort of wenst te storten op bankrekening [bankrekeningnummer] ten name van haar echtgenoot [ECHTGENOOT VERDACHTE]. Rekeningnummer [bankrekeningnummer] wordt aangehouden bij Maduro & Curiel's Bank. Tijdens de transactie(s) wordt aangegeven dat het geld afkomstig is uit de huuropbrengsten van verschillende woningen/ vastgoed.
Uit analyse van de bank blijkt dat 78% van deze contante stortingen zijn verricht door [ECHTGENOOT VERDACHTE] en/of zijn vrouw [VERDACHTE]. De overige stortingen warden verricht door [DOCHTER VERDACHTE] of andere personen met een Dominicaanse achtergrond en/of buurtgenoten van [ECHTGENOOT VERDACHTE]. De gelden worden kort na deze transacties overgeboekt naar rekeningnummer [ECHTGENOOT VERDACHTE] In de Dominicaanse Republiek en een vastgoed bedrijf eveneens in de Dominicaanse Republiek.
De transacties hebben plaatsgevonden in de periode van 01-09-2016 tot en met 14-12-2020.”
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 januari 2023, opgenomen op pagina 270 e.v. van het dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]
“[verdachte] kwam mij vragen of ik geld voor haar wilde storten op de bank. Wij zijn toen naar de MCB in Hato gegaan. Andrea heeft mij daar heengebracht. Andrea heeft op mij gewacht terwijl ik geld ging storten. Ik krijg van [verdachte] een papiertje met een naam en een nummer erop. Ze heeft mij dat 3 a 4 keergevraagd om te doen. Zij bracht mij elke keer.”
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 januari 2023, opgenomen op pagina 274 e.v. van het dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:
“Ik heb in het verleden geld gestort op de rekening van [dochter verdachte]. Mijn tante [verdachte] belde mij. Zij vertelde mij toen om geld voor haar te gaan storten. Zij gaf mij 20 USD dollar hiervoor. Het was bij de MCB bank bij Playa en Hato. Mijn tante [verdachte] gaf mij de opdracht tot het storten van dit geld. Het ging bij alle 4 de stortingen op dezelfde manier.”
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 7 juni 2023, opgenomen op pagina 316 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [echtgenoot verdachte]:
“Ik maak geld over voor mensen. Ik doe dat dan via mijn vrouw [verdachte], zij krijgt een bedrag contant van degene die het geld moet overmaken en dit geld stort ze op mijn MCB rekening en dat geld wordt doorgestuurd naar de bank in Santo Domingo, vanaf de bank in Santo Domingo wordt het vervolgens verstuurd naar degene die het in ontvangst moet nemen.
Ik bankier bij de MCB en mijn vrouw bij de RBC.
Ik doe dit sinds 2016 ongeveer.
Boven de 500 US dollar is het rentepercentage 5% en minder dan 500 US dollar is het 10%.
Mijn vrouw houdt een administratie bij van wat we voor wie overmaken.
Als mijn vrouw niet naar de bank kan gaan omdat ze op haar werk is dan gaat haar dochter [dochter verdachte] om het geld te storten.”
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 25 januari 2023, opgenomen op pagina 293 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:
“Ik ben secretarieel administratief medewerker. Het klopt dat mijn man geld krijgt van mensen en dat hij ervoor zorgt dat dit in de Dominicaanse Republiek terecht komt, via zijn bankrekening. Ik stortte het geld op mijn bankrekening en dan maak ik het over op de bankrekening van [echtgenoot verdachte] in Santo Domingo. Ik moet het afhalen bij de mensen. Ik bel ze en vraag waar ze zijn en dan haal ik het op.
Mijn dochter [dochter verdachte] doet het storten en versturen als ik niet kan.
RBC had mij ook al gevraagd waar al dat geld vandaan komt. Ik heb daar toen de huurovereenkomsten gebracht. Na die vragen heb ik geen enkele keer geld meer gestort.
We hebben er niet zo over nagedacht daarom heb ik met de belastingdienst gebeld. Ik heb ook gevraagd of er een speciale vergunning voor moet zijn. Omdat voor alles een vergunning is en zo.”
6. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd op de terechtzitting van 19 december 2024, voor zover inhoudende:
“In het jaar 2016 ben ik naar de belastingdienst gegaan. Als ik geld kreeg van mijn man [echtgenoot verdachte] dan zette ik het op mijn rekening of liet ik [dochter verdachte] het geld storten. Het geld moest dan van de bank naar de rekening van [echtgenoot verdachte] in Santo Domingo en dan maakte [echtgenoot verdachte] de transactie in Santo Domingo af. Het begon altijd met cash geld op Bonaire. Mensen kwamen het brengen naar [echtgenoot verdachte] en als hij er niet was dan gaven ze het geld aan mij. Soms was de commissie 10%, soms 8% en soms 6%.”
Bewijsoverwegingen
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat er geen vergunning nodig was en dat daarom vrijspraak moet volgen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat verdachte niet bewust zonder vergunning heeft gewerkt. Zij heeft contact opgenomen met de belastingdienst en hebben aangegeven waar ze mee bezig waren. Op grond hiervan heeft de belastingdienst tegen hun gezegd dat er geen vergunning nodig is, maar dat zij wel de nodige belastingen moeten betalen. Verdachte heeft op grond van het vertrouwensbeginsel en de informatieplicht erop mogen vertrouwen dat zij correct heeft gehandeld.
Oordeel van het Gerecht
Het Gerecht vindt bewezen dat de verdachte opzet had op het bankieren zonder vergunning, in de zin van voorwaardelijk opzet. Door enkel bij de belastingdienst te informeren en zich verder niet (goed) te laten voorlichten, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij iets deed wat in strijd is met de wet. Dat de verdachte zich hiervan bewust was, volgt allereerst uit haar eigen verklaring dat zij de belastingdienst gevraagd heeft of een vergunning nodig was voor wat zij en haar man deden, omdat “voor alles een vergunning is”. Het volgt daarnaast uit het feit dat zij andere mensen geld voor haar liet storten, ook op momenten dat zij dit prima zelf had kunnen doen omdat ze daarbij aanwezig was maar in de auto bleef wachten. En het volgt tenslotte uit het feit dat de verdachte op vragen van de RCB bank naar de herkomst van de gestorte bedragen geen openheid van zaken gaf over het optreden als geldtransactiekantoor, maar huurovereenkomsten heeft gebracht en vervolgens gestopt is met het overmaken van gelden via die bank.
Het beroep van de raadsman op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen, omdat uit het bovenstaande volgt dat de verdachte er feitelijk helemaal niet op vertrouwde dat het mocht wat zij deed.
Daarnaast overweegt het Gerecht dat informatie van de belastingdienst mogelijk een gerechtvaardigd vertrouwen kan opwekken ten aanzien van de verplichting om belasting te betalen, maar dat dit geen gerechtvaardigd vertrouwen kan opwekken ten aanzien van de verplichting om een bankvergunning te hebben.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2022 op het eiland Bonaire en de Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging met anderen, met zetel op Bonaire, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van geldtransactiekantoor heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 van de Wet financiële markten BES, immers heeft zij, verdachte en haar mededaders, geldtransacties als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 van de Wet financiële markten BES uitgevoerd door:
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2:1 lid 1 sub a onder 1 Wet financiële markten BES en strafbaar gesteld in artikel 9:1 lid 1 Wet financiële markten BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Opzettelijke overtreding van artikel 2:1 eerste lid van de Wet financiële markten BES.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich, samen met haar man en dochter, gedurende een periode van zes jaren schuldig gemaakt aan kort gezegd, ondergronds bankieren. Verdachte heeft daarbij financiële regelgeving overtreden, die bedoeld is om de integriteit van het betalingsverkeer in de maatschappij te waarborgen.
De officier van justitie heeft, uitgaande van dezelfde bewezenverklaring, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van $ 40.000,-.
Het Gerecht houdt er bij de strafoplegging echter rekening mee dat het motief van verdachte bij het ondergronds bankieren was om andere mensen te helpen. Verdachte heeft samen met familie mensen uit de kennissenkring willen helpen om geld te versturen naar de Dominicaanse Republiek, omdat Bonaire geen Western Union of soortgelijke instelling kent. Het Gerecht ziet geen enkel verband met bijvoorbeeld een criminele organisatie, of überhaupt andere strafbare feiten. Bovendien ging het telkens om relatief kleine bedragen.
Het Gerecht houdt er verder rekening mee dat de echtgenoot van de verdachte de hoofdverdachte in deze zaak is, maar dat hij niet verder wordt vervolgd (om overigens zeer begrijpelijke redenen).
Het Gerecht houdt tenslotte rekening met het feit dat de verdachte een blanco strafblad heeft en zeer geschrokken lijkt van deze vervolging. Het Gerecht gaat er vanuit dat zij haar lesje inmiddels heeft geleerd en dat de kans op recidive zeer klein is. Een onvoorwaardelijke geldboete levert alleen maar extra problemen op naast alle gevolgen die deze strafzaak al voor de verdachte en haar familie heeft gehad.
Gelet op het voorgaande komt het Gerecht tot de slotsom dat een voorwaardelijke geldboete in de zaak passend is. De verdachte wordt daarom veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van $ 10.000,-.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 27 en 28 Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
-verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan;
-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
-kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
-verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een geldboete van $ 10.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis;
-bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en op 19 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.