GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
VONNIS
GEBOUW D,
registratienummer: BON202200265 datum uitspraak: 26 juni 2024
in de zaak van:
de vereniging VERENIGING VAN EIGENAREN CARIBBEAN COURT
gevestigd te Bonaire,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en M.G. van Dijk,
tegen
de naamloze vennootschap HEZEMANS DEVELOPEMENT N.V.,
gevestigd te Bonaire,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie
gemachtigde: mr. A.C.A. Gonzales.
Partijen zullen hierna de VvE en Hezemans genoemd worden.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 maart 2024
de akte eiswijziging van de VvE
- de antwoordakte van Hezemans.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
Naar aanleiding van wat daarover in het tussenvonnis is overwogen heeft de VvE haar eis gewijzigd, waarna deze nu luidt als volgt:
(…)
voor recht te verklaren dat Hezemans aan de VVE-D (de VvE, toevoeging gerecht) een gebruiksrecht heeft verleend voor het exclusief gebruik door de eigenaren van de appartementsrechten die behoren tot gebouw D van het Caribbean Court Yard project, verenigd in de VvE-D, plaatselijk bekend als ligplaatsen 1 tot en met 9, bedoeld voor het aanmeren van schepen, aan de aan het water gelegen zijde van gebouw D van het Caribbean Court Yard project, door het kadaster uitgemeten en beschreven in meetbrief met nummer 4-F-1506, en dat Hezemans zich dient te onthouden van enig handelen dat aan de uitoefening van dat gebruiksrecht door de VvE-D leden in de weg staat, welk laatste mede omvat dat een overdracht door Hezemans van het opstalrecht van Hezemans ter zake de meerpalen die Hezemans in de bodem van het water naast gebouw D heeft aangebracht aan een derde zonder daarbij een derdenbeding met kettingbeding overeen te komen om daarmee het voortdurend en exclusief gebruik voor de VVE-D leden te garanderen onrechtmatig is, althans die verklaring voor recht uit te spreken tussen partijen die uw Gerecht in goede justitie geboden acht, onder veroordeling van Hezemans in de proceskosten.
Hezemans voert verweer tegen de gewijzigde eis. Zij betwist dat zij de VvE een gebruiksrecht heeft gegeven voor de negen ligplaatsen. De VvE heeft volgens haar niet duidelijk gemaakt per wanneer en door middel van welke rechtshandeling dat gebruiksrecht zou zijn verleend. Aan de in haar ogen cryptische woorden “dit alles heeft geen betrekking op Gebouw D” in de overeenkomst van 12 december 2007 kan volgens haar geen gebruiksrecht worden ontleend omdat zij op dat moment nog niet beschikte over een opstalrecht. Dat opstalrecht verkreeg zij pas bij notariële akte van 9 januari 2012. Voor het opstalrecht betaalt zij een jaarlijkse vergoeding van USD 179,28. Als zij de VvE een gebruiksrecht had willen geven dan zou zij deze vergoeding wel aan de VvE hebben doorberekend, zo is haar stelling, en dat is niet gebeurd. In de praktijk maakt de VvE ook nauwelijks gebruik van de ligplaatsen. Verder stelt zij dat de pier die bovenop het waterkavel 4-F-1505 is gebouwd geen eigendom is van de VvE en dat het hekwerk dat daar zonder haar toestemming is geplaatst, moet worden verwijderd. Verder wijst zij op de vaststellingsovereenkomst die op 28 januari 2020 door de VvE is ondertekend, waarin onder meer staat “Only kadastral # 4-F-1434 will be subject to Hezemans obtained “waterrights”. Omdat perceel 4-F-1434 ook de negen ligplaatsen omvat waarvan de VvE een gebruiksrecht claimt, is het volgens haar volledig duidelijk dat zij ook op deze negen ligplaatsen een recht van opstal heeft, zonder een gebruiksrecht van de VvE.
De verdere beoordeling is nu als volgt. In het tussenvonnis is overwogen dat ondanks de onnauwkeurige, onduidelijke, en deels onjuiste formulering in de overeenkomst van 9 januari 2012 en de vaststellingsovereenkomst van 12 december 2019, de strekking daarvan duidelijk is, namelijk dat Hezemans geen enkele aanspraak pretendeerde met betrekking tot de (negen) ligplaatsen voor gebouw D en dat, niettegenstaande haar opstalrecht met betrekking tot (ook) die ligplaatsen, het gebruik van die ligplaatsen door de VvE haar instemming had. Het gerecht blijft bij die overweging.
In het tussenvonnis heeft het gerecht de VvE gesuggereerd om haar eis naar aanleiding van het bovenstaande aan te passen, wat de VvE vervolgens heeft gedaan. Thans vordert zij – kort gezegd – een verklaring voor recht dat Hezemans aan haar een gebruikrecht op de betreffende ligplaatsen heeft verleend.
Deze gewijzigde vordering is, zoals hierna bepaald, toewijsbaar. Daaraan doen de hiervoor onder 2.2. vermelde stellingen van Hezemans niet af. Dat aan Hezemans ten tijde van de overeenkomst van 12 december 2007 nog geen opstalrecht was verleend betekent niet dat zij zich niet tot het verlenen van een gebruiksrecht kon verbinden. Ook uit de omstandigheid dat voor het gebruik van de ligplaatsen geen vergoeding is overeengekomen of door Hezemans bij de VvE in rekening is gebracht kan niet worden afgeleid dat zij geen gebruiksrecht heeft verleend. Ook uit het feit dat de ligplaatsen niet of nauwelijks zouden worden gebruikt volgt niet dat er geen gebruiksrecht is verleend. Dat de pier is gebouwd op een perceel dat niet aan de VvE in eigendom toebehoort doet ook niet af aan het gebruiksrecht op de negen ligplaatsen waar het hier om gaat. Het gaat immers niet om de pier maar om de ligplaatsen. Ook de vaststellingsovereenkomst van 28 januari 2020 – dezelfde overeenkomst als de in het tussenvonnis genoemde overeenkomst van 12 december 2019 – doet niet aan de toewijsbaarheid van de vordering af. Dat, zoals daarin bepaald, aan Hezemans ‘waterrechten’ zijn verleend met betrekking tot perceel 4-F-1434, waarmee kennelijk het door het OLB verleende opstalrecht wordt bedoeld, betekent niet dat Hezemans op haar beurt voor de negen ligplaatsen geen gebruiksrecht kon verlenen. Deze ligplaatsen maken bovendien geen deel meer uit van perceel 4-F-1434 maar op het daarvan afgescheiden perceel 4-F-1506. De vordering van de VvE betreft alleen dat perceel.
De slotsom is dat de vordering in conventie zal worden toegewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Hezemans in de kosten daarvan worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van de VvE begroot op USD 251,00 voor het griffierecht, USD 159,00 voor het deurwaardersexploot en USD 2.792,50
(2,5 x tarief 5).
De vordering in reconventie zal worden afgewezen, zoals reeds in het tussenvonnis aangekondigd. Hezemans zal als de in het ongelijk gestelde partij ook in de kosten van die procedure worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van de VvE begroot op USD 2.234,00 (2 punten x tarief 5). In verband met deze kosten wordt nog overwogen dat de vordering in reconventie een ander perceel betreft dan het perceel dat in conventie aan de orde is. Het verweer in reconventie vloeit daarom niet uit de eis in conventie voort. Er is daarom geen aanleiding voor een halvering in reconventie van het aantal te liquideren punten. Verder wordt in verband met deze kostenveroordeling overwogen dat hoewel het gevorderde in beginsel in geld waardeerbaar zou kunnen zijn, Hezemans daaraan geen concreet bedrag heeft verbonden. Om die reden is van het tarief voor een vordering van onbepaalde waarde uitgegaan, zijnde tarief 5.
3. De beslissing
Het gerecht,
in conventie
verklaart voor recht dat Hezemans aan de VvE een gebruiksrecht heeft verleend op de negen ligplaatsen aan de aan het water gelegen zijde van gebouw D van het Caribbean Court Yard project, door het kadaster uitgemeten en beschreven in de meetbrief met nummer 4-F-1506, waaruit volgt dat Hezemans zich dient te onthouden van enig handelen dat aan de uitoefening van dat gebruiksrecht door de VvE in de weg staat, welk laatste mede betekent dat een overdracht door Hezemans van het opstalrecht van Hezemans ter zake de meerpalen die Hezemans in de bodem van het water naast gebouw D heeft aangebracht aan een derde zonder daarbij een derdenbeding met kettingbeding overeen te komen om daarmee het voortdurend en exclusief gebruik door de VvE te garanderen, onrechtmatig is,
veroordeelt Hezemans in de kosten van de procedure, aan de zijde van de VvE begroot op USD 3.202,50,
in reconventie
wijst de vorderingen af,
veroordeelt Hezemans in de kosten van de procedure, aan de zijde van de VvE begroot op USD 2.234,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en uitgesproken op
26 juni 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.