GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500491
datum beslissing: 17 november 2025
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van
[eiser],
wonende te Bonaire,
eisende partij,
hierna: [eiser],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen:
FLAMINGO EXPRESS DUTCH CARIBBEAN N.V.,
gevestigd te Bonaire,
gedaagde partij,
hierna te noemen: FXDC,
gemachtigde: mr. Z.V.I. Isenia.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van 22 september 2025 met producties 1 tot en met 16;
de op 24 oktober 2025 ingekomen producties 1 tot en met 7 van [eiser].
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2025. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. Namens FXDC is mevrouw [algemeen directeur gedaagde] (algemeen directeur, hierna: [algemeen directeur gedaagde]) verschenen, bijgestaan door mr. Isenia. De spreekaantekeningen die mr. Isenia heeft voorgelezen zijn aan het procesdossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling besproken is.
Ten slotte is bepaald dat op 17 november 2025 uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
eiser] heeft als administratief medewerker gewerkt voor FXDC op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Na afloop van de termijn uit haar arbeidsovereenkomst is [eiser] voor FXDC blijven werken. [eiser] vindt dat haar arbeidsovereenkomst stilzwijgend voor een jaar is verlengd. Zij eist doorbetaling van haar loon te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. [eiser] krijgt grotendeels gelijk. Dat wordt hierna uitgelegd.
3. De beoordeling
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De rechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang bij de vorderingen aanwezig is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet.
De achtergrond van het geschil
eiser] is op 11 april 2024 als “all around balie cq administratief medewerker” in dienst getreden bij FXDC. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de periode van 11 april 2024 tot 11 april 2025 voor 40 uur per week tegen een bruto loon van USD 1.570,00 per maand en 15 vakantiedagen per jaar. Uit de loonstrook van april 2025 blijkt dat het bruto loon van [eiser] per 1 april 2025 tot USD 1.800,00 is verhoogd.
Vanaf 28 maart 2025 tot in ieder geval 12 april 2025 verbleef [eiser] in het buitenland. Vanaf 18 april 2025 tot en met 25 april 2025 verbleef [eiser] wederom in het buitenland. Tussen 12 april 2025 en 18 april 2025 heeft [eiser] voor FXDC gewerkt.
Het is tussen partijen niet in geschil dat voor vertrek van [eiser] naar het buitenland op 28 maart 2025 en op 15 april 2025 gesprekken tussen [eiser] en [algemeen directeur gedaagde] hebben plaatsgevonden over het verlengen van de arbeidsovereenkomst van [eiser]. Over de inhoud van die gesprekken verschillen partijen van mening. Volgens FXDC is tijdens die gesprekken tegen [eiser] gezegd dat gesproken moest worden over de duur van de nieuwe arbeidsovereenkomst van [eiser]. Dat wordt door [eiser] betwist.
Nadat [eiser] terug is gekomen van haar tweede buitenlandreis, is zij weer voor FXDC aan het werk gegaan. Op 6 mei 2025 heeft er een gewapende overval plaatsgevonden bij FXDC. Tijdens die overval was [eiser] aan het werk. Door de impact van de overval is [eiser] enige tijd arbeidsongeschikt geweest.
Op 19 juni 2025 heeft [algemeen directeur gedaagde] een brief gestuurd aan [eiser]. In die brief staat dat geen vertrouwen meer bestaat in het functioneren van [eiser]. Verder staat in de brief dat [eiser] een nieuw tijdelijk contract is aangeboden van 11 april 2025 tot en met 11 juli 2025 waarbij FXDC bereid is het loon tot eind juli 2025 door te betalen en dat [eiser] in die periode niet op het werk hoeft te verschijnen. [eiser] is niet akkoord gegaan met het voorstel.
eiser] heeft tot en met juni 2025 haar loon van FXDC ontvangen.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij haar verzoeken
FXDC wordt niet gevolgd in haar stelling dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoeken. [eiser] stelt dat zij afhankelijk is van het loon dat zij verdiende bij FXDC en heeft sinds 1 juli 2025 geen loon ontvangen. Daarmee is een spoedeisend belang bij haar verzoeken aanwezig en kunnen de verzoeken van [eiser] inhoudelijk beoordeeld worden.
De arbeidsovereenkomst van [eiser] is verlengd
De wet bepaalt in artikel 7A:1615f BW BES dat als een dienstbetrekking voor bepaalde tijd na het verstrijken van die tijd zonder tegenspraak wordt voortgezet, de dienstbetrekking geacht wordt voor dezelfde tijd te zijn voortgezet en ten hoogste voor één jaar.
Uit de verklaringen van partijen blijkt dat het de bedoeling was om de arbeidsovereenkomst van [eiser] na 11 april 2025 voor te zetten. [eiser] werd verwacht om na haar buitenlandreizen voor FXDC te komen werken en dat heeft zij ook gedaan. Over de maanden april, mei en juni 2025 heeft zij ook salaris ontvangen. Dat betekent dat de dienstbetrekking van [eiser] na 11 april 2025 is voortgezet.
De vraag die partijen verdeeld houdt is voor welke termijn de dienstbetrekking van [eiser] bij FXDC na 11 april 2025 is voortgezet. Volgens FXDC heeft zij [eiser] een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden voor drie maanden. [eiser] vindt dat haar arbeidsovereenkomst stilzwijgend met een periode van één jaar is verlengd. Naar voorlopig oordeel van het gerecht krijgt [eiser] daarin gelijk.
De schriftelijke arbeidsovereenkomst van [eiser] is aangegaan voor één jaar. FXDC stelt dat zij voor de buitenlandreis van [eiser] op 28 maart 2025 en op 15 april 2025 tegen [eiser] heeft gezegd dat zij in gesprek moesten gaan over de termijn van verlenging van de arbeidsovereenkomst van [eiser], maar dat is door [eiser] betwist. Het is niet ongebruikelijk om een tijdelijke arbeidsovereenkomst te verlengen voor dezelfde periode als waarvoor de eerste arbeidsovereenkomst is aangegaan. Dat kan anders zijn als sprake is van omstandigheden op grond waarvan een werkgever de arbeidsovereenkomst voor een kortere periode wil verlengen. FXDC heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat de reden waarom zij de arbeidsovereenkomst niet voor een jaar wilde verlengen te maken heeft met het functioneren van [eiser]. Volgens FXDC is onderzoek gedaan naar het functioneren van [eiser] en is zij in afwachting van de resultaten daarvan op 10 juni 2025 naar huis gestuurd. Maar dat onderzoek heeft plaatsgevonden ná de overval van 6 mei 2025. Dat FXDC niet tevreden was over het functioneren van [eiser] op het moment dat haar tijdelijke arbeidsovereenkomst op 11 april 2025 eindigde blijkt nergens uit. Naar voorlopig oordeel van het gerecht is de arbeidsovereenkomst van [eiser] op 11 april 2025 op grond van artikel 7A:1615f BW BES dan ook zonder tegenspraak voortgezet voor dezelfde tijd als waarvoor de schriftelijke arbeidsovereenkomst is gesloten (één jaar) en is het waarschijnlijk dat de bodemrechter de vordering van [eiser] tot doorbetaling van haar loon zal toewijzen.
Het loon van [eiser] moet worden doorbetaald
De gemachtigde van FXDC heeft op de mondelinge behandeling gesteld dat [eiser] na 23 juni 2025 niet meer op het werk verschenen is. Als daarmee het standpunt wordt ingenomen dat [eiser] geen recht heeft op loondoorbetaling wordt dat verworpen. In de brief van 19 juni 2025 van FXDC staat dat het contract van [eiser] op 11 juli 2025 eindigt, FXDC bereid is tot doorbetaling van het loon tot eind juli 2025 en dat [eiser] niet meer op werk hoeft te verschijnen zodat zij zich kan richten op het vinden van nieuw werk. In de gegeven omstandigheden had van [eiser] niet verwacht kunnen worden dat zij desondanks op het werk zou verschijnen om arbeid te verrichten.
Omdat de arbeidsovereenkomst van [eiser] op 11 april 2025 is voortgezet voor één jaar, heeft zij recht op doorbetaling van haar loon. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat zij per 21 oktober 2025 begonnen is aan een nieuwe baan. Dat betekent dat [eiser] recht heeft op doorbetaling van het loon inclusief alle emolumenten vanaf 1 juli 2025 tot 21 oktober 2025. De gevorderde wettelijke verhoging (als bedoeld in artikel 7A:1614q BW BES) en de wettelijke rente over het achterstallig loon zullen ook worden toegewezen.
De gemachtigde van [eiser] heeft nog aangevoerd dat [eiser] ook twee banen kan hebben en dat haar nieuwe baan niet hoeft te betekenen dat de doorbetaling van het loon door FXDC per die datum hoeft te stoppen. Maar niet valt in te zien hoe de dienstbetrekking van 40 uur per week bij FXDC valt te combineren met de nieuwe baan van [eiser]. Die mogelijkheid heeft [eiser] niet met feiten onderbouwd. [eiser] heeft er zelf – ook ter zitting – geen blijk van gegeven dat zij daadwerkelijk terug wil keren bij FXDC, laat staan dat zij daartoe twee banen zou willen combineren. De gevorderde doorbetaling van het loon ná 20 oktober 2025 zal daarom worden afgewezen.
FXDC moet proceskosten betalen
FXDC wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten worden begroot op USD 251,00 aan in debet gesteld griffierecht, USD 159,00 aan betekeningskosten van het verzoekschrift en USD 559,00 aan salaris gemachtigde (tarief eenvoudig kort geding). De door [eiser] gevorderde nakosten zullen worden toegewezen tot een bedrag van USD 140,00 zonder betekening, verhoogd met USD 84,00 ingeval van betekening.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
De beslissingen in deze uitspraak worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dit verzoekt en FXDC daartegen geen verweer heeft gevoerd. Uitgangspunt van een kort geding is dat een voorziening bij voorraad wordt gegeven. Het is het gerecht ook niet gebleken van omstandigheden aan de zijde van FXDC die zich tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring verzetten. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als hoger beroep wordt ingesteld tegen deze uitspraak. De beslissingen in deze uitspraak gelden dan tot de hogere rechter een andere beslissing heeft genomen.
[eiser] wordt toegestaan kosteloos te procederen
eiser] zal worden toegestaan kosteloos te procederen gelet op het door haar overgelegde ‘Formulier recht gevende op kosteloze rechtskundige bijstand’.
4. De beslissing
Het gerecht:
staat [eiser] toe kosteloos te procederen;
veroordeelt FXDC tot betaling aan [eiser] van haar loon inclusief emolumenten over de periode van 1 juli 2025 tot en met 20 oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging uit art. 7A:1614q BW BES over het achterstallige loon en de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid van de salarisbetalingen tot aan de dag van volledige betaling daarvan;
veroordeelt FXDC in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op USD 251,00 aan in debet gesteld griffierecht, te betalen aan de griffier van dit gerecht, USD 559,00 aan salaris gemachtigde en USD 159,00 aan betekeningskosten te betalen aan [eiser];
veroordeelt FXDC in de nakosten die aan de zijde van [eiser] worden begroot op USD 140,00 zonder betekening en verhoogd met USD 84,00 in geval van betekening, indien nakoming door FXDC uitblijft binnen 14 dagen nadat FXDC schriftelijk is verzocht door [eiser] om aan het vonnis te voldoen;
veroordeelt FXDC tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW BES over de proceskosten en nakosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.