GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire
Registratienummer: BON202500055
Datum uitspraak: 18 februari 2025
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[eiser],
wonend te Bonaire,
eiser,
hierna: [eiser],
gemachtigde mr. E.J. Winkel,
tegen
[gedaagde]
h.o.d.n. [eenmanszaak],
wonend te Bonaire,
gedaagde,
hierna: [gedaagde],
gemachtigde mr. A.F. van Toll.
1. Het procesverloop
Op 31 januari 2025 heeft [eiser] een verzoekschrift met producties in kort geding ingediend. Op 7 februari 2025 heeft [gedaagde] producties ingediend.
De behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 10 februari 2025.
Daarbij is [eiser] verschenen vergezeld van zijn gemachtigde mr. E.J. Winkel.
[gedaagde] is verschenen vergezeld van zijn gemachtigde mr. A.F. van Toll, die pleitaantekeningen heeft overgelegd.
Vonnis is bij vervroeging bepaald op vandaag.
2. De feiten
eiser] als huurder en [verhuurder] als verhuurder hebben op 10 december 2024 een huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres] in Bonaire (hierna: de bedrijfsruimte) ondertekend. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 januari 2025 en eindigend op 1 januari 2030, tegen een huurprijs van USD 1000,00 per maand.
Op 8 januari 2025 heeft er een kort geding plaats gevonden tussen [eiser] en [verhuurder] over de nakoming door [verhuurder] van de huurovereenkomst en het verschaffen van het volledige huurgenot van het gehuurde aan [eiser].
Bij (mondeling) vonnis is [verhuurder] veroordeeld om al hetgeen te doen wat nodig is, waaronder het toegang verschaffen aan [eiser] tot de meterkast, om de elektriciteit van het gehuurde weer aan te sluiten en aangesloten te houden en is het [verhuurder] verboden [eiser] de toegang tot het gehuurde op enige wijze te belemmeren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van USD 1.000,00 per dag indien zij hieraan niet voldoet met een maximum van USD 25.000,00.
gedaagde] heeft de bedrijfsruimte vanaf 1 december 2020 gehuurd. Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar, welke termijn kan worden verlengd. In de bedrijfsruimte exploiteert hij sindsdien een garage met de naam [eenmanszaak] en met de zich daarin bevindende aan hem toebehorende inventaris, gereedschappen en materialen.
Sinds 1 september 2024 heeft [eiser] een bijgebouw behorend bij de bedrijfsruimte gebruikt voor de opslag en verkoop van auto-onderdelen. Hij heeft een nieuwe stoep voor en aan de zijkant van dit bijgebouw aangelegd en heeft zijn bedrijfslogo op de voorgevel aangebracht. In het garagegedeelte van [gedaagde] heeft [eiser] een autobrug geplaatst.
In de periode van september tot medio december hebben partijen met elkaar besprekingen gevoerd over de overname door [eiser] van het huurcontract van de bedrijfsruimte tegen een huurprijs van USD 1000,00 per maand en een door hem te betalen maandelijkse vergoeding aan [gedaagde] van USD 3000,00 voor het gebruik van de inventaris, gereedschappen en materialen.
Op 30 december 2024 is [gedaagde] naar Nederland vertrokken in verband met privéomstandigheden, de retourdatum van zijn vlucht was geboekt op 29 maart 2025. De afspraak tussen partijen was dat [eiser] in deze periode de garage mocht gebruiken en/of zou beheren.
Direct na het wijzen van het kortgedingvonnis op 8 januari 2025 is [gedaagde] voetstoots teruggekeerd naar Bonaire en heeft zijn garageactiviteiten weer hervat. [eiser] heeft daardoor nog steeds niet het vrije genot van de door hem gehuurde bedrijfsruimte.
[eiser] heeft daarna zelf zijn autobrug weggehaald uit het garagegedeelte. Het bedrijfslogo van [eiser] op het bijgebouw is inmiddels overgeschilderd.
Na de terugkeer van [gedaagde] heeft [eiser] geen enkele bedrijfsruimte in het door hem gehuurde meer kunnen gebruiken.
De huurbetaling van [eiser] aan [verhuurder] van USD 1000,00 en betaling van de waarborgsom van USD 1000 zijn door [verhuurder] teruggestort op zijn rekening.
3. Het verzoek en de beoordeling
eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen om binnen 4 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis het door hem gehuurde aan de [adres] in Bonaire, te ontruimen en ontruimd te houden en [gedaagde] te verbieden enige handelingen te verrichten die het rustige huurgenot van [eiser] zal doen storen, zulks op straffe van een dwangsom van USD 1.000,00 voor ieder dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan het vorenstaande voldoet, met een maximum van USD 50.000,00, vermeerderd met een kostenveroordeling.
eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. De huurovereenkomst tussen [verhuurder] en [gedaagde] voor de huur van de gehele bedrijfsruimte is per 31 december 2024 beëindigd, omdat [gedaagde] naar Nederland zou emigreren. [eiser] heeft met [verhuurder] ingaande 1 januari 2025 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot deze bedrijfsruimte en als huurder heeft hij recht op het volledige huurgenot daarvan. Met [gedaagde] zijn besprekingen gevoerd over de overname van bedrijfsinventaris, gereedschappen en materialen maar dit heeft niet geleid tot een overnameovereenkomst omdat partijen het niet eens zijn geworden over de maandelijkse vergoeding daarvoor.
Het gerecht overweegt als volgt. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
In het onderhavige kort geding ziet de voorzieningenrechter zich geplaatst voor de vraag hoe er gehandeld moet worden indien er sprake is, of lijkt te zijn, van twee botsende aanspraken op huurgenot.
[eiser] heeft op 8 december 2024 een huurovereenkomst gesloten met [verhuurder] ingaande op 1 januari 2025. Bij kort geding vonnis van 8 januari is verhuurder [verhuurder] veroordeeld om hem het volledige huurgenot van de bedrijfsruimte te verschaffen en is het [verhuurder] verboden [eiser] de toegang tot het gehuurde op enige wijze te belemmeren. Het verweer van [verhuurder] tijdens dat kort geding dat zij in deze kwestie heeft gehandeld onder invloed van een tijdelijke geestelijke stoornis en dat de huurovereenkomst daardoor op grond van artikel 3:34 lid 1 BW BES vernietigbaar zou zijn, is daarbij verworpen omdat in het kader van een kort geding, waarin gelet op de spoedeisendheid daarvan in beginsel geen plaats is voor een bewijslevering hiervan.
[verhuurder] heeft inmiddels op grond van artikel 272 RV BES schorsing verzocht van het kortgedingvonnis van 8 januari 2025 en heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. In dit kort geding is desalniettemin nog steeds het uitgangspunt dat er nog steeds sprake is van een rechtsgeldige huurovereenkomst tussen [verhuurder] en [eiser].
Anderzijds heeft [gedaagde] voldoende aannemelijk kunnen maken dat hij zijn huurovereenkomst met [verhuurder] niet heeft opgezegd en dat hij nog steeds als huurder recht heeft op het huurgenot van de bedrijfsruimte. [eiser] is er in dit kort geding niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat [gedaagde] zijn huurovereenkomst met [verhuurder] wel per 31 december 2024 zou hebben opgezegd.
De (mondelinge) huurovereenkomst tussen partijen over het gebruik van het bijgebouw vanaf 1 september 2024 is daarvoor onvoldoende redengevend, evenals de overname besprekingen die partijen vervolgens met elkaar hebben gevoerd over de overname van de garage door [eiser] van [gedaagde]. Vaststaat dat partijen daarover nog niet tot definitieve overeenstemming zijn gekomen.
Voor [verhuurder], die in dit kort geding geen partij is, is het niet mogelijk op beide huurovereenkomsten na te komen. Weliswaar kan in geval van “dubbele verhuur” zolang nog geen van beide huurders het gehuurde feitelijk in gebruik heeft genomen aansluiting worden gezocht bij artikel 3:298 BW BES dat bepaalt dat bij botsende recht op levering het oudste recht op levering in beginsel voorgaat. In de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet worden botsende huurrechten in dit verband expliciet genoemd. Het artikel kan alleen dan naar analogie worden toegepast indien nog geen van beide huurders de zaak in gebruik heeft en er dus sprake is van botsende rechten op nakoming. Zodra een van de twee huurders het gehuurde in gebruik heeft, is de regel van artikel 3:398 BW BES niet meer van toepassing en ligt het voor de hand deze huurder te beschermen. De andere huurder heeft dan geen mogelijkheden meer om zijnerzijds nakoming van de huurovereenkomst af te dwingen. De verhuurder heeft zich immers in de onmogelijkheid gebracht om de zaak aan de andere huurder ter beschikking te stellen.
In de onderhavige zaak is de bedrijfsruimte immers nog steeds in gebruik bij [gedaagde] die er nog steeds zijn garage exploiteert. Wie thans de sterkste huurrechten heeft kan niet met een beroep op artikel 3:298 BW BES worden beslist. Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] te kwader trouw heeft gehandeld is in het bestek van dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden. Omgekeerd is in deze kort geding procedure ook onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door “achter de rug om” van [gedaagde] [verhuurder] te bewegen een nieuwe huurovereenkomst met hem af te sluiten.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat alle vorderingen van [eiser] afgewezen dienen te worden.
eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Deze bedragen:
Salaris gemachtigde USD 559,00
4. De beslissing
Het gerecht, recht doende in kort geding,
wijst de vorderingen af.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, tot op heden begroot op USD 559,00
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Keltjens, rechter en uitgesproken op 18 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.