ECLI:NL:OGEABES:2025:125

ECLI:NL:OGEABES:2025:125, Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 01-08-2025, BON202400633

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Bonaire
Datum uitspraak 01-08-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer 01-08-2025
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Beroep op gezag van gewijsde faalt.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire

Zaaknummer: BON202400633

Datum uitspraak: 1 augustus 2025

Vonnis in de zaak met betrekking tot het perceel:

BARA DI KARTA (19.600 m2)

te Bonaire

kadastraal bekend afdeling 5, sectie C, nummer 59, groot 19.600 m2 (kunuku),

welk perceel volgens de schriftelijke inzage van het Kadaster ten name staat van

Eigenaar Onbekend’, met als opmerking ‘Volgens domein in kaart gebrachte gronden staat de naam van [Naam 1], overleden, per adres [adres 1]’,

hierna: het perceel,

van:

1. [Persoon 1], wonend te Bonaire, 2. [Persoon 2], wonend te Nederland, 3. [Persoon 3], wonend te Nederland, 4. [Persoon 4], wonend te Nederland, 5. [Persoon 5], wonend te Bonaire, 6. [Persoon 6], wonend te Aruba, 7. [Persoon 7], wonend te Bonaire, 8. [Persoon 8], wonend te Curacao, 9. [Persoon 9], wonend te Nederland,

hierna gezamenlijk te noemen: [Naam c.s.],

gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,

met als in het geding opgeroepen partijen:

HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE,

zetelend te Bonaire,

hierna te noemen: OLB,

gemachtigde: mr. ir. T.L.H. Peeters,

en

de stichting FUNDASHON CAS BONAIRIANO,

gevestigd te Bonaire,

hierna te noemen: FCB,

niet verschenen.

1. Het verdere procesverloop

Voor het verloop tot dan toe verwijst het Gerecht naar zijn tussenvonnis van 3 juni 2023.

Op 3 juli 2025 heeft het OLB producties ingezonden.

Naar aanleiding van de openbare oproep is niemand verschenen en is geen stuk ingediend.

Op 4 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor [Naam c.s.] is verschenen mr. Nicolaas en voor het OLB zijn verschenen mr. Peeters en mr. S.L. Navia Rodriguez. Mr. Peeters heeft gepleit aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.

Vervolgens is uitspraak nader bepaald op vandaag.

2. De verdere beoordeling

Zoals in het tussenvonnis van 3 juni 2025 is vermeld (rov. 2.3), heeft [Persoon 5] (eiser onder 5 in de onderhavige zaak) betreffende de onderhavige onroerende zaak Bara di Karta eerder geprocedeerd, leidende tot een eindbeschikking van dit Gerecht van 28 september 2022 (ECLI:NL:OGEABES:2022:20) (productie 2 OLB van 3 juli 2025) en een beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 1 augustus 2023 (ECLI:NL:OGHACMB:2023:159) (productie 1 OLB).

Het Hof oordeelde onder meer (rov. 4.9) ‘dat niet is komen vast te staan dat [Naam 1] de eigendom van het terrein heeft verworven op grond van de Verordening’.

De door het Hof genoemde Verordening is de Verordening van 10 december 1924 tot regeling van de rechten met betrekking tot onroerende goederen, die bij wijze van concessie of vergunning op Aruba of Bonaire zijn uitgegeven, PB 1924, 69.

Het OLB heeft ter zitting van 4 juli 2025 beroep gedaan op het gezag van gewijsde. Afgesproken is dat het Gerecht daarover eerst een tussenvonnis zal wijzen.

Artikel 70a Rv BES luidt:

1. Beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil, vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.

2. Onder partijen wordt in het eerste lid mede verstaan de rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel, tenzij uit de wet het tegendeel volgt.

3. Het gezag van gewijsde wordt niet ambtshalve toegepast.

Op zichzelf is, als ten aanzien van de eigendom van een zaak een verklaring voor recht is gevorderd, een beroep op het gezag van gewijsde mogelijk. Zie ten aanzien van de eigendomsuitwijzing van artikel 3:27 BW: Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, red. C.J. van Zeben, J.W. du Pon, M.M. Olthof, 1981, p. 143:

Het verkregen vonnis heeft tussen de eiser en hen, die in persoon gedagvaard zijn, alsmede de verschenen belanghebbenden op dezelfde wijze gezag van gewijsde als ieder ander vonnis. Ten aanzien van niet-verschenen belanghebbenden, die bij openbare oproeping gedagvaard zijn, regelt het tweede lid het gezag van het vonnis. Ten opzichte van deze personen heeft een krachtens het vonnis genomen inschrijving dezelfde kracht als de § § 891 en 892 van het Duitse Burgerlijk Wetboek aan een inschrijving geven. In de eerste plaats wordt het ingeschreven recht vermoed te bestaan, zolang het tegendeel niet bewezen is. In de tweede plaats kunnen zij die daarna onder bijzondere titel een recht op het goed verwerven, de inschrijving als absoluut juist beschouwen; tegenbewijs is in dat geval dus uitgesloten; de inschrijving legitimeert de ingeschreven voldoende tegen derden.

Uit deze passage blijkt dat het gewone gezag van gewijsde alleen geldt voor verschenen belanghebbenden. Niet-verschenen belanghebbenden vallen onder het huidige lid 3 (lid 2 van het in de passage toegelichte ontwerp) van art. 3:27 BW. Ten aanzien van deze niet-verschenen belanghebbenden geldt in het systeem van artikel 3:27 BW BES, indien het tot een inschrijving komt (quod non in de eerdere zaak), slechts een vermoeden dat kan worden weerlegd.

Voor gezag van gewijsde is wel nodig dat het gaat om ‘dezelfde partijen’ (artikel 70a Rv BES). In de eerdere zaak was [Persoon 5] partij. In de onderhavige zaak zijn er negen eisers partij, waaronder (onder 5) [Persoon 5].

Volgens het OLB heeft in de eerdere zaak [Persoon 5] geprocedeerd ‘ten behoeve van de gemeenschap’ als bedoeld in artikel 3:171 BW BES, dus ten behoeve van de overige acht eisers in de onderhavige zaak.

Artikel 3:171 BW BES luidt:

Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Een regeling die het beheer toekent aan een of meer der deelgenoten, sluit, tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor de anderen uit.

Voor het gevolg van de toepassing van artikel 3:171 BW BES wijst het OLB op HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:810, waarin is overwogen:

2.7.3

Ingeval van een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 BW is iedere deelgenoot in beginsel bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap (art. 3:171 BW). In deze regel ligt besloten dat een deelgenoot in zijn vordering of verzoek kan worden ontvangen, ook indien de andere deelgenoten niet als formele procespartijen aan het geding deelnemen. Indien een of meer deelgenoten van deze bevoegdheid gebruik maken, heeft de daarop gewezen en in kracht van gewijsde gegane uitspraak bindende kracht voor alle deelgenoten, dus ook voor diegenen die niet als formele procespartijen aan het geding hebben deelgenomen. Zij moeten dan immers allen als partij in de zin van art. 236 Rv worden beschouwd.[noot 9: Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1283 e.v. en HR 24 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0586, rov. 3.2.].

Echter, naar het oordeel van het Gerecht heeft [Persoon 5] in de vorige procedure niet kenbaar geprocedeerd ‘ten behoeve van de gemeenschap’.

Zie in dit verband: C.J. van Zeben, W.H.M. Reehuis & E.E. Slob (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering boeken 3, 5 en 6. Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, 1990, p. 1283 bij artikel 3:171 BW:

Voorop moet worden gesteld dat de deelgenoot die gebruik maakt van zijn bevoegdheid uit dit artikel of uit een regeling als bedoeld in artikel 3.7.1.2 om een procedure te beginnen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap als formele procespartij optreedt voor de gezamenlijke deelgenoten als materiële procespartij. Dat hij slechts bevoegd is een uitspraak „ten behoeve van de gemeenschap" uit te lokken, sluit in dat hij in de dagvaarding of het verzoekschrift kenbaar moet maken dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zoveel mogelijk met name genoemde deelgenoten optreedt.

Zie ook HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043, rov. 3.3:

(…) Daarnaast biedt art. 3:171 de mogelijkheid dat een deelgenoot op eigen naam een rechtsvordering instelt ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Ingevolge deze bepaling, die onder meer hierop berust dat een deelgenoot bij het instellen van een zodanige rechtsvordering niet van de andere deelgenoten afhankelijk dient te zijn (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, blz. 590), zal de deelgenoot kenbaar moeten maken dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zo veel mogelijk met name genoemde deelgenoten optreedt. (…).

In het inleidend verzoekschrift in de eerdere procedure is er geen enkele indicatie (kenbaarheid) dat [Persoon 5] ten behoeve van de overige deelgenoten procedeert. Ook het Gerecht heeft dat niet aldus begrepen. De drie vonnissen van het Gerecht in de eerdere procedure (productie 2, tweede productie 2 en productie 3 OLB) vermelden alleen [Persoon 5] in de kop. Ook in het Hofvonnis gebeurt dat, daargelaten dat het niet mogelijk is pas in hoger beroep alsnog ‘ten behoeve van de gemeenschap’ te gaan procederen (HR 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498, rov. 3.3.2).

Ook uit de rechtsoverwegingen van de drie vonnissen van het Gerecht blijkt geenszins dat het Gerecht ervan uitgaat dat [Persoon 5] ten behoeve van de gemeenschap procedeert; hetzelfde geldt voor het vonnis van het Hof.

Het OLB verwijst naar een akte van uitlating van [Persoon 5] van 19 juni 2021 in de eerdere procedure (productie 4 OLB). Hierin vermeldt [Persoon 5] als derdenbelanghebbenden zeven personen die in de onderhavige procedure mede-eisers zijn. Maar [Persoon 5] verbindt aan deze vermelding geen consequenties. Hij besluit met ‘Derhalve concludeert verzoeker dat …’. Het Gerecht verbindt aan de vermelding evenmin consequenties en zeker niet een wijziging van eis.

De conclusie is dus dat het gezag van gewijsde hoogstens aan [Persoon 5] kan worden tegengeworpen, maar niet aan de overige acht eisers, die gelden als niet-verschenen belanghebbenden (zie hierboven rov. 2.7 voor het systeem van artikel 3:27 BW BES).

Het gaat hier echter naar het oordeel van het Gerecht om een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding).

Vergelijk HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411:

3.4

Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. Een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap betreft in beginsel een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding). Dat betekent dat de rechter de beslissing over die boedelbeschrijving en verdeling slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties (vgl. o.m. HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0405, NJ 1992/34).

En HR 20 april 2028, ECLI:NL:HR:2018:649:

3.3

De door [verweerster 1] ingestelde vordering tot verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder betreft rechtsverhoudingen waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhoudingen betrokkenen, in dit geval [verweerster 1] , [eiser] , [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] . Indien sprake is van een dergelijke processueel ondeelbare rechtsverhouding kan de rechter de beslissing over die verdeling slechts geven in een geding waarbij allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden opgeroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties. (Vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, rov. 3.4.).

Ook in de onderhavige zaak is het rechtens noodzakelijk dat een beslissing in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij de rechtsverhoudingen betrokkenen (alle deelgenoten). Hieruit moet in dit geval worden afgeleid dat ook tegen [Persoon 5] het gezag van gewijsde niet kan worden ingeroepen.

In de tweede plaats faalt het beroep op het gezag van gewijsde omdat in de twee procedures een andere grondslag aan de orde was en is. In de eerdere zaak ging het om de eigendomsverkrijging van rechtswege met ingang van 1 januari 1925 door een concessie- of vergunninghouder ingevolge de Verordening PB 1924, no. 96 (zie hierboven rov. 2.1-2.3). Het Hof beslist ‘dat niet is komen vast te dat [Naam 1] de eigendom van het terrein heeft verworven op grond van de Verordening’. Verkrijging van de eigendom op de grondslag van de Verordening is dus afgewezen door het Hof.

In de onderhavige zaak gaat het niet om eigendomsverkrijging van rechtswege op de grondslag van de Verordening. Thans wordt beroep gedaan op een eigendomsoverdracht op 20 april 1896 door de voorganger van OLB aan [Naam 1] als huurder (dus kennelijk niet als concessie- of vergunninghouder) (zie tussenvonnis van 3 juni 2025, rov. 2.6-2.8).

In dit verband zij verwezen naar HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667:

3.2.1

Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (gezag van gewijsde, art. 236 Rv). Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust. [noot 4: HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, rov. 3.1.3.]

3.2.2

Indien in een eerdere procedure een vordering met kracht van gewijsde is afgewezen en de afwijzing erop is gebaseerd dat de voor de vordering aangevoerde grondslag niet is komen vast te staan of dat deze grondslag de vordering niet kan dragen, kan tot uitgangspunt dienen dat de beslissingen aangaande het ontbreken of niet toereikend zijn van deze grondslag, in een ander geding tussen dezelfde partijen gezag van gewijsde hebben. Bij een beroep op gezag van gewijsde kunnen in zo’n geval feiten en bewijsmiddelen die in de eerdere procedure niet ter staving van de gestelde grondslag zijn aangevoerd, in een ander geding niet alsnog in het kader van dezelfde grondslag aan de vordering ten grondslag worden gelegd. [noot 5: HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, rov. 3.1.4.]

3.2.3

Van het hiervoor genoemde geval moet worden onderscheiden het geval waarin voor de rechtsbetrekking relevante omstandigheden zijn gewijzigd nadat de uitspraak in het eerste geding in kracht van gewijsde is gegaan. In een dergelijk geval staat het gezag van gewijsde niet eraan in de weg dat in een nieuw geding een beroep wordt gedaan op deze omstandigheden. [noot 6: HR 6 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9374; HR 28 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3785.]

De in rov. 3.2.3 van dit HR-arrest bedoelde gewijzigde relevante omstandigheden doen zich hier niet voor. Het gaat hier om feiten en bewijsmiddelen die pas later boven water zijn gekomen (zie rov. 3.2.2 laatste zin van het HR-arrest).

Zie ook HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, rov. 3.1.4, laatste zin:

Het gezag van gewijsde kan evenwel niet eraan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden.

Deze andere grondslag doet zich wel voor (zie hierboven rov. 3.24).

De conclusie is dat het beroep op het gezag van gewijsde faalt.

Het OLB heeft op de zitting van 4 juli 2025 (bij voorbaat) verzocht tussentijds in hoger beroep te mogen gaan van een voor het OLB ongunstige eindbeslissing. Anders dan in Nederland, geeft niet de rechter in eerste aanleg, maar geeft het Hof eventueel vergunning daartoe, op verzoek binnen twee weken (artikel 263a Rv BES). Indiening van het verzoekschrift heeft schorsing van het in eerste aanleg hangende geding, voor zover de voorziening daartegen is gericht, ten gevolge (artikel 263a lid 4 Rv BES).

Partijen krijgen de gelegenheid een akte te nemen.

Het Gerecht is voorlopig van oordeel dat de Verordening en de vraag of [Naam 1] concessie- of vergunninghouder was, kunnen blijven rusten. [Naam 1] lijkt huurder te zijn geweest aan wie de eigendom is overgedragen door de voorganger van het OLB.

Het Hof wijst op de samenvatting van hetgeen (op verzoek van de Gouverneur) J.H.W. Gravenhorst, Oud-Gezaghebber van Bonaire in 1893 publiceerde onder de titel: Geschiedenis Overzicht der uitgifte van gronden in de Kolonie Curaçao samengesteld naar aanleiding van het Gouvernementsbesluit d.d.15 juli 1891 nr. 431 (uit: P.P.C.H. van der Voort, Recht op gebruik van domeingrond in de Nederlandse Antillen, in: Honderd jaar codificatie in de Nederlandse Antillen, 1969, 294-296). Daarin komen de volgende passages voor:

Het GB (d.i. kennelijk Gouvernementsbesluit; Gerecht) d.d.30 Januari 1886, nr. 68 vulde die verordening aan door voor Bonaire mogelijk te maken eigendomsverkrijging na een 5-jarige huurproef.

(…)

1e. de periode met concessiën (1867-1877), en

2e. de periode van het huurstelsel (i877-a.c.),

't welk sinds 1886 voor Bonaire aan eigendomsverkrijging dienstbaar gemaakt werd.

(…)

Dat concessie-recht geraakte in 1877 uit de practijk, geheel plaats makend voor een huurstelsel. (…)

In agrarisch-oeconomischen zin behoort aan eigendom de voorkeur boven huur gegeven te worden.

De concessie diene te verdwijnen en de gronden behooren bij de uitgifte behoorlijk kadastraal vastgelegd te worden. Aan den Gouverneur verblijve echter het prerogatief van den afstand van grond.

Het Gerecht wijst erop dat hetgeen in de pleitnota van mr. Peeters van 4 juli 2025 onder 3.1 is gesteld, berust op een vergissing. De ‘3’ in de kolom naast die waarin de oppervlakte van 1 ha is vermeld, is het nummer van het district.

Het Gerecht wil dat [Naam c.s.] een kopie van het voorblad van het register van huurders, dat zich in het Nationaal Archief Curaçao bevindt (productie 7 bij inleidend verzoekschrift) overleggen. Ter zitting van 4 juli 2025 werd dit voorblad door mr. Nicolaas aan de aanwezigen getoond.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. Beslissing

Het Gerecht:

geeft partijen de gelegenheid een akte te nemen,

verwijst de zaak daartoe naar de oude boedelrolzitting van 14 oktober 2025 om 14.00 uur,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Boer, rechter, en op 1 augustus 2025 door de rolrechter getekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting in Bonaire in aanwezigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. de Boer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?