GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Sint Eustatius
Zaaknummer: EUX202500044
Datum uitspraak: 9 december 2025
in de zaak van:
de naamloze vennootschap GTI STATIA TERMINALS N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in Sint Eustatius,
eiseres,
gemachtigde: de advocaat mr. A.E. Barrios,
tegen
[gedaagde],
wonend op Sint Eustatius,
gedaagde.
Partijen zullen verder worden genoemd GTI en [gedaagde].
De zaak in het kort
Door belastingverdragen tussen Sint Eustatius en de Verenigde Staten dient een werkgever voor haar Amerikaanse werknemers belasting af te dragen aan de belastingdienst IRS in de Verenigde Staten. Abusievelijk heeft GTI teveel afgedragen. Het teveel betaalde bedrag heeft de IRS aan de werknemer terugbetaald. GTI vordert dat van haar werknemer terug als onverschuldigd betaald of ongerechtvaardigde verrijking. Het Gerecht wijst de vordering toe.
The case in brief
Due to tax treaties between Sint Eustatius and the United States, an employer must pay tax to the IRS in the United States for its American employees. GTI mistakenly paid too much. The IRS refunded the overpaid amount to the employee. GTI is claiming this back from its employee as an undue payment or unjust enrichment. The court has granted the claim.
1. Het verloop van de rechtszaak
Het procesverloop blijkt uit:
het inleidend verzoekschrift met producties, op 27 mei 2025 ter griffie ingediend;
de mondelinge reactie van gedaagde op 9 september 2025;
de schriftelijke reactie (conclusie van antwoord) van 14 oktober 2025;
de door GTI op 6 november 2025 toegezonden nadere producties.
Vervolgens heeft op 10 november 2025 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het Gerecht beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
gedaagde] is vanaf 20 december 1996 in dienst van GTI, op dit moment als
Senior Operations Manager. [gedaagde] heeft de Amerikaanse nationaliteit. Amerika past als land voor de belastingheffing het nationaliteitsbeginsel toe. Dat houdt in dat een Amerikaanse werknemer, ongeacht zijn woonplaats, in de Verenigde Staten
onderworpen is aan belasting over zijn inkomen, elders verdiend.
Op basis van verdragen tussen Nederland en de Verenigde Staten ter vermijding
van dubbele belasting kunnen Amerikaanse burgers in aanmerking komen voor
belastingteruggaaf voor belastingen die al in een ander land zijn betaald.
[gedaagde] betaalt belasting in de Verenigde Staten en GTI betaalt de belastingen die
[gedaagde] in St. Eustatius (Nederlandse belasting) verplicht is te betalen.
In 2021 werden de huisvesting- en andere belastingvoordelen die [gedaagde] in Sint Eustatius genoot ten onrechte als salarisverhoging opgevoerd. Daardoor werd in Sint Eustatius ten onrechte belasting over deze vermeende salarisverhoging berekend en door GTI voor [gedaagde] betaald. Dit gebeurde ook op deze wijze in het jaar 2022.
In juli 2023 werd een en ander ontdekt door het belastingadvieskantoor van GTI. In de definitieve W-2C aangifteformulieren van [gedaagde] werd de teveel betaalde belasting in Sint Eustatius aangegeven en kwam dit in mindering op de al door [gedaagde] in de Verenigde
Staten betaalde belastingen. Dit leidde uiteindelijk tot een belastingteruggaaf van
de belastingdienst in de Verenigde Staten, "IRS" aan [gedaagde].
3. Het geschil
GTI vordert om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan GTI te betalen een bedrag van USD 66.770,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2024 tot en met de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van de proceskosten vanaf 14 dagen na de dag van het vonnis.
GTI heeft van [gedaagde] opeisbaar een bedrag van USD 66.770,- te vorderen. Het
door [gedaagde] aan GTI verschuldigde bedrag van USD 66.770,- betreft te veel door
GTI betaalde belasting aan de Amerikaanse belastingdienst voor [gedaagde]
over de jaren 2021 en 2022, welk bedrag door de IR.S aan [gedaagde] is gerestitueerd.
[gedaagde] is gehouden c.q. aansprakelijk voor de terugbetaling van het bedrag dat GTI
teveel aan belasting ten behoeve van [gedaagde] heeft betaald en dat [gedaagde] gerestitueerd heeft gekregen. [gedaagde] is aansprakelijk voor de terugbetaling aan GTI van de door hem wegens onverschuldigde betaling c.q. ongerechtvaardigde verrijking ontvangen gelden.
GTI heeft geprobeerd een betalingsregeling met [gedaagde] te treffen, maar hij heeft slechts aangeboden om 10% van zijn salaris af te dragen tot zijn pensioen. Dat zou betekenen dat de vordering nog niet voor de helft zal zijn afgelost als hij uit dienst gaat.
Om de nakoming door [gedaagde] van zijn terugbetalingsverplichting jegens haar te verzekeren heeft GTI conservatoir eigenbeslag onder zichzelf gelegd in de zin van artikel 724 Rv BES.
gedaagde] heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vordering.
Op de stellingen en het verweer van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover dat van belang is voor de beslissing.
4. De beoordeling
In zijn schriftelijke reactie heeft [gedaagde] uitvoerig onderbouwd welke regelingen er voor hem gelden en wat zijn belastinggeschiedenis is. Ter zitting heeft hij echter bevestigd dat hij het door GTI vermelde bedrag van de IRS heeft ontvangen. Het gaat er niet om dat hij zelf een fout heeft gemaakt; de fout ligt bij GTI. Maar het gaat er om dat die fout wordt hersteld. [gedaagde] heeft het bedrag niet aan IRS terugbetaald, maar het ook niet aan GTI betaald.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] het bedrag ten onrechte onder zich houdt of heeft gehouden. Hij had het aan GTI moeten betalen. [gedaagde] is ongerechtvaardigd verrijkt met het bedrag en GTI verarmd. De vordering zal daarom worden toegewezen.
gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van GTI begroot als volgt:
explootkosten USD 138,60
griffierecht USD 417,00
beslagkosten USD 320,92
salaris gemachtigde USD 2.234,00 + (2,0 punten x USD 1.117,-)
totaal: USD 3.110,52
5. De beslissing
Het Gerecht:
veroordeelt [gedaagde] om aan GTI te betalen een bedrag van USD 66.770,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 mei 2024, tot de algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van GTI tot op heden begroot op USD 3.110,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
wijst alles wat meer of anders is gevorderd af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter in voormeld Gerecht, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025