GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
ZITTINGSPLAATS SINT EUSTATIUS
Zaaknummer: EUX202500039
Datum beschikking: 9 december 2025
op het verzoek tot vaststelling van het vaderschap van
[verzoeker] en
[verzoekster],
wonend op Sint Eustatius,
verzoekers,
gemachtigde: mr. J.J. Rogers.
Informanten:
[informant 1],
[informant 2] en
[informant 3],
gemachtigde: mr. B. Brooks.
De zaak in het kort
Verzoekers verzoeken het Gerecht vast te stellen dat [X] hun biologische vader is. Sint Eustatius kent geen wettelijke regeling, waarbij dat mogelijk is. Op grond van jurisprudentie van het EHRM heeft het Gerecht in een tussenbeschikking dit rechtstekort aangevuld en is tot de conclusie gekomen dat verzoekers in hun verzoek kunnen worden ontvangen. Verzoekers hebben hun verzoek nader onderbouwd en het Gerecht wijst het verzoek toe op grond van de wettelijke bepalingen, zoals die in Sint Maarten gelden. De vaststelling van het vaderschap heeft geen juridische gevolgen voor de verdeling van de nalatenschap, omdat het verzoek meer dan vijf jaar na het overlijden is ingediend.
The case in brief
The applicants request the Court to establish that [X] is their biological father. Sint Eustatius has no legal provisions that would make this possible. On the basis of case law of the European Court of Human Rights, the Court has remedied this legal deficiency in an interim decision and has concluded that the applicants' request can be granted. The applicants have further substantiated their request and the Court grants the request on the basis of the legal provisions applicable in Sint Maarten. The determination of paternity has no legal consequences for the distribution of the estate, as the request was submitted more than five years after the death.
1. Het verloop van de rechtszaak
Verzoekers hebben op 12 mei 2025 een verzoekschrift bij de griffie ingediend. Het verzoek is behandeld op de zitting van 9 september 2025, zonder publiek. Op de zitting heeft de rechter gesproken met: - verzoekers, bijgestaan door de gemachtigde;
- de gemachtigde van informanten.
Vervolgens heeft het Gerecht een tussenbeschikking gegeven, waarin verzoekers ontvankelijk werden verklaard, maar zij nog aanvullende gegevens dienden te verstrekken, voordat verder zou worden beslist.
Bij akte van 10 november 2025 hebben verzoekers nadere inlichtingen verstrekt en ter zitting hun verzoek nogmaals toegelicht.
De uitspraak is daarna bepaald op vandaag.
2. De feiten
naam X] (hierna: [X]) is geboren op [datum] 1929 op Saba en overleden op [datum] 1997 op Sint Eustatius.
Volgens de akte van scheiding en deling van de nalatenschap van 25 november 2019 zijn de erfgenamen van [X]: [informant 3], [informant 2] en [informant 1].
verzoekster] is geboren op [datum] 1953 op Sint Eustatius.[verzoeker] is geboren op [datum] 1956 op Sint Eustatius. Hun moeder is [Y], geboren [datum] 1924. Zij was gehuwd met [X].
In de basisadministratie persoonsgegevens van Sint Eustatius staat geen vader van verzoekers vermeld.
3. Het verzoek en de verdere beoordeling ervan
In de tussenbeschikking van 14 oktober 2025 heeft het Gerecht het volgende overwogen:
Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden bepaalt in artikel 39 (concordantiebeginsel): Het burgerlijk en handelsrecht, de burgerlijke rechtsvordering, (…) worden in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze geregeld. Het bijzondere van dit geval wil, dat alle vier landen de mogelijkheid tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap op overeenkomstige wijze hebben geregeld. Alleen voor de BES-eilanden bestaat de mogelijkheid niet. Tot bijzondere terughoudendheid geeft dit dus geen aanleiding. 4.8. Ook het feit dat de BES-eilanden in het Caribisch deel van Nederland liggen noodzaakt niet tot verdere terughoudendheid. De CAS-eilanden zijn immers ook Caribische eilanden. Conclusie 4.9. Op grond van deze overwegingen komt het Gerecht tot de conclusie dat verzoekers het Gerecht kunnen verzoeken het vaderschap vast te stellen.
Verzoekers verzoeken het Gerecht om over te gaan tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [X] als vader van verzoekers. Het Gerecht vindt het verzoek toewijsbaar, op grond van de volgende overwegingen.
De eigen verklaringen van verzoekers, zoals gedaan tijdens de zittingen van 9 september 2025 en 14 oktober 2025 onderbouwen hun verzoek.
Daarnaast zijn de volgende gegevens van belang:
Uittreksels uit de basisadministratie, waaruit volgt dat er geen vader van verzoekers is geregistreerd;
De DNA-uitslag van 12 september 2021, waaruit volgt dat beide verzoekers met een waarschijnlijkheid van 99,995% familie zijn van de volle zus van [X], [naam 1]
Een verklaring van [naam 2]
Een verklaring van [naam 3]
Een verklaring van [naam 4]
Een fotoreportage, waaruit volgt dat verzoekers van kind af aan bij [X] hebben gewoond.
De onder c., d. en e. vermelde verklaringen ondersteunen gedetailleerd de verklaring van verzoekers dat zij zijn opgegroeid bij en opgevoed door [X] en dat er gedurende de periode dat zij bij [X] leefden ook een nauw en goed contact met de kinderen uit zijn eerder huwelijk, de hiervoor vermelde informanten.Verzoekers hebben naar het oordeel van het Gerecht voldoende aangetoond dat [X] hun biologische vader is.
Zoals hiervoor overwogen, dient de aanvulling van het rechtstekort zoveel mogelijk aan te sluiten bij wat in de landen van het Koninkrijk wettelijk is bepaald. De regeling in Aruba, Curaçao en Sint Maarten is gelijkluidend. Daarom wordt in deze beslissing aangesloten bij het wettelijk systeem zoals dat in álle Caribische landen van het Koninkrijk geldt. Deze regeling luidt als volgt:
Artikel 207
1. Het vaderschap van een man kan, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat de man als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechter in eerste aanleg worden vastgesteld op verzoek van:
a. de moeder, tenzij het kind de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt;
b. het kind;
c. de voogdijraad, tenzij het kind de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt of de moeder blijk geeft van verzet tegen het verzoek.
2. 2. Vaststelling van het vaderschap kan niet geschieden, indien:
3. Overlijdt het kind voordat vaststelling van het vaderschap heeft kunnen plaatsvinden, dan kan een afstammeling van het kind in de eerste graad de vaststelling van het vaderschap aan het gerecht in eerste aanleg verzoeken, mits de man bedoeld in het eerste lid, nog in leven is. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden van het kind of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.
4 . De vaststelling van het vaderschap, mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.
Artikel 207a
Artikel 207b
Het vaderschap dat is vastgesteld op grond van deze afdeling kan door het kind worden ontkend op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is. Afdeling 2 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 208
Bij de uitspraak waarbij het vaderschap wordt vastgesteld, kan de rechter op een daartoe strekkend verzoek ten behoeve van het kind een bijdrage toekennen in de kosten van verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 404 of in de kosten van levensonderhoud en studie als bedoeld in artikel 395a.
Het verzoek is ingediend door twee kinderen, waarvan inmiddels is vastgesteld dat zij geen juridische vader hebben. Voormelde artikelen 207b en 208 zijn in dit geval niet van toepassing. Uit de inlichtingen die tijdens de mondelinge behandeling van de informanten (erkende kinderen van [X]) zijn verkregen, is niet gebleken van een bijzondere hardheid, als bedoeld in voormeld artikel 207a, eerste lid.
In deze zaak speelt met name de vraag of verzoekende partijen nog recht hebben op enig deel van de nalatenschap van [X]. Daarop ziet de bepaling van artikel 207a, tweede lid. Bij de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in de jaren na 2001 is ervoor gekozen de kwestie van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap voorlopig nog terzijde te laten. Door de toenmalige Minister van Justitie werd opgemerkt (Nota van wijziging, Staten van de Nederlandse Antillen, zitting 1999/2000-1937, no. 4, Toelichting onder Algemeen, p. 15-16):
“5. In afwijking van Nederland wordt echter niet een regeling van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap voorgesteld. Hiervoor geldt in volle sterkte (...): het gaat om een maatschappelijk zeer gevoelig en controversieel onderwerp, waarbij diepgewortelde morele en godsdienstige overtuigingen betrokken zijn en waarbij de belangen van de personen om wie het gaat, niet zonder meer parallel lopen. (…) Ik meen dat over deze kwestie de maatschappelijke discussie nog onvoldoende is uitgekristalliseerd. Bovendien is er nog geen rechtspraak waaruit blijkt dat de hiervóór geschetste consequenties uit oogpunt van gelijke behandeling moeten worden aanvaard.”
Op 13 januari 2013 heeft de Minister van Algemene Zaken van Sint Maarten een wetsvoorstel ingediend. In het algemeen deel van de Memorie van Toelichting is te lezen:
“5. In het onderhavige ontwerp (…) wordt alsnog een regeling voorgesteld. Hierin is rekening gehouden met de destijds door de regering genoemde situatie dat de erfrechtelijke aanspraken die het kind krijgt als gevolg van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap een bijzondere hardheid zouden betekenen voor de weduwe van de verwekker of diens andere kinderen (met wie hij onder een dak heeft geleefd).“
In de artikelsgewijze toelichting wordt het volgende opgemerkt:
“5. Wat betreft het tweede lid van het onderhavige artikel 207a zij het volgende opgemerkt. Indien de nalatenschap reeds verdeeld is, geeft afdeling 3 van titel 7 van Boek 3 BW algemene, beperkingen. Heeft de verdeling plaatsgevonden bij notariële akte, dan is een verdeling waaraan niet alle deelgenoten hebben deelgenomen vernietigbaar (artikel 195, eerste lid, van Boek 3 BW). In de literatuur bestaat er meningsverschil of dan naast de verjaringstermijn van artikel 195, eerste lid, slot, van Boek 3 BW (een jaar na het ter kennis komen van de verdeling) ook de vervaltermijn van artikel 200 van Boek 3 BW (drie jaren na de verdeling) toepasselijk is (zie Asser-De Boer 1, Personen- en familierecht, 2006, nr. 748 en Asser-Perrick 3-IV, nr. 154). 6. Wat daarvan zij, in het tweede lid wordt voorgesteld de erfopvolging bij versterf door het kind uit te sluiten als het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap meer dan vijf jaren na het overlijden wordt ingediend, mits de man een weduwe of andere kinderen heeft achtergelaten. Deze termijn geldt ook als de boedel (voorlopig) onverdeeld is gebleven of er slechts één erfgenaam was (de weduwe of één kind) zodat verdeling niet in aanmerking komt. Als een broer, zuster of ander familielid van de verwekker versterferfgenaam is, is er geen beperking van de erfrechtelijke gevolgen van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Wel geldt dan artikel 207, vierde lid, wat erop neerkomt dat niet behoeft te worden teruggegeven wat ten tijde van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap verteerd is.”
Gezien deze uitleg van de wettelijke bepaling, is het de uitdrukkelijke bedoeling geweest van de Sint Maartense wetgever dat een verzoek tot vaststelling van het vaderschap dat is ingediend na vijf jaar na het overlijden van de vader, geen gevolgen kan hebben voor de nalatenschap van de vader, zelfs als die nalatenschap nog niet verdeeld is. Het Gerecht neemt aan dat dezelfde bedoeling geldt voor Aruba en Curaçao. Het verzoek is in dit geval meer dan 25 jaar na het overlijden ingediend. De conclusie moet dan ook zijn dat verzoekers wettelijk gezien geen recht hebben op het meedelen in de nalatenschap van hun vader.
Voor de mondelinge behandeling op 16 september 2025 zijn ook de drie erkende kinderen van [X] opgeroepen. Eén daarvan woont nog op Sint Eustatius, maar hij heeft zich ter zitting door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. De rechter heeft hem dus niet kunnen vragen of hij erkende dat verzoekers kinderen van [X] zijn, bij hem zijn opgegroeid en door hem zijn opgevoed. Ter zitting heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat haar cliënt die vraag zelf moest beantwoorden. De rechter heeft de suggestie gedaan om [informant 2] als getuige op te roepen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, bestaat daar geen noodzaak meer voor, omdat de andere gegevens al voldoende zijn om het vaderschap van [X] vast te stellen.Het standpunt van [informant 2] en zijn broer en zus is mogelijk van belang. Voor de kinderen van [X] bestaat na deze beslissing geen juridische verplichting om verzoekers op enige wijze te laten meedelen in de nalatenschap, maar het zou goed kunnen zijn dat zij daartoe op grond van hun geweten wel een morele verplichting voelen.
4. De beslissing
Het Gerecht:
bepaalt dat de wettelijke bepalingen van de procedure tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van Aruba, Curaçao en Sint Maarten gelding hebben op Sint Eustatius;
stelt vast dat:
- [verzoeker], geboren [datum] 1956 op Sint Eustatius, wonende op Sint Eustatius en
- [verzoekster], geboren [datum] 1953 op Sint Eustatius, wonende op Sint Eustatius,
kinderen zijn van [X], geboren op [datum] 1929 op Saba en overleden op [datum] 1997 op Sint Eustatius;
bepaalt dat de griffier, wanneer deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van de beschikking doet toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Sint Eustatius, om deze toe te voegen aan de desbetreffende onder hem berustende akten en opdat deze een latere vermelding toevoegt aan de betrokken aktes van de burgerlijke stand.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, rechter bij dit Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de in de procedure verschenen belanghebbenden, binnen zes weken, te rekenen van de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen zes weken na de betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.
Summary of the Judgment
This summary is intended only as a service from the Court to inform the parties and is not intended to replace the judgment. No rights can be derived from it. In case of differences between the judgment and this summary, the judgment in Dutch is always decisive. The Court shall not be liable for any damage arising from any use of this summary.
Important considerations of the Court in this case:
The applicants' own statements, as made during the hearings on September 9, 2025, and October 14, 2025, support their request.
In addition, the following information is relevant:
a. Excerpts from the municipal personal records database, which show that no father of the applicants is registered;
b. The DNA results of September 12, 2021, which show that both applicants are 99.995% likely to be related to [X]'s full sister, [naam 1]
c. A statement from [naam 2]
d. A statement from [naam 3]
e. A statement from [naam 4]
f. A photo report, which shows that the applicants have lived with [X] since childhood.
The statements referred to under c., d., and e. provide detailed support for the applicants' statement that they grew up with and were raised by [X] and that, during the period they lived with [X], they also had close and good contact with the children from his previous marriage, the informants referred to above.
In the opinion of the Court, the applicants have sufficiently demonstrated that [X] is their biological father.
In view of this interpretation of the legal provision, it was the express intention of the Sint Maarten legislature that a request to establish paternity submitted more than five years after the father's death cannot have any consequences for the father's estate, even if that estate has not yet been distributed. In this case, the request was submitted more than 25 years after the death. The conclusion must therefore be that, from a legal point of view, the applicants are not entitled to a share in their father's estate.
X]'s three recognized children were also summoned to the oral hearing on September 16, 2025. One of them still lives on Sint Eustatius, but he was represented by an attorney at the hearing. The judge was therefore unable to ask him whether he recognized that the applicants were [X]'s children, had grown up with him, and had been raised by him. At the hearing, when asked, the representative stated that her client had to answer that question himself. The judge suggested calling [informant 2] as a witness. In view of the above considerations, this is no longer necessary, as the other information is already sufficient to establish [X]'s paternity.
The Judgment:
The Court
determines that the legal provisions of the procedure for judicial determination of paternity of Sint Maarten apply to Sint Eustatius;
finds that:
- [ verzoeker], born on February 6, 1956, on Sint Eustatius,
residing on Sint Eustatius, and
- [ verzoekster], born on February 15, 1953, on Sint Eustatius,
residing on Sint Eustatius,
are children of Leonidas Otto van ZANTEN, born on July 21, 1929, on Saba and deceased on January 5, 1997, on Sint Eustatius;
determines that, once this decision has become final, the registrar shall send a copy of the decision to the civil registrar in Sint Eustatius, to be added to the relevant records in his possession and so that he may add a subsequent entry to the relevant civil registry records.
Appeal against this judgment can be initiated within six weeks of the date of the judgment or after notification thereof or after the decision has become known to the interested party.