ECLI:NL:OGEABES:2025:139

ECLI:NL:OGEABES:2025:139, Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 31-07-2025, BON200.00070-24

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Bonaire
Datum uitspraak 31-07-2025
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer 31-07-2025
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

In de nieuwjaarsnacht van 2023/2024 was verdachte als politieagent gestationeerd op Saba. Verdachte was samen met enkele collega's oudjaar aan het vieren in een club. Hij was in burger, en had zijn dienstwapen in zijn broeksband zitten. Op een gegeven moment trekt verdachte zijn wapen en richt het op het in de club aanwezige publiek. Veroordeling voor bedreiging en het vals opmaken van een proces-verbaal (meineed). Beroep op (putatief) noodweer verworpen. Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzetting van uit het ambt van opsporingsambtenaar.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. B. Lie Atjam, advocaat in Curaçao.

De officier van justitie, mr. D.C. Smits, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarde het verrichten van een werkstraf voor de duur van 80 uren.

Zijn vordering behelst voorts:

- de ontzetting uit het ambt van politieambtenaar voor de duur van vijf jaren.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van feit 1, omdat hij nooit het opzet heeft gehad om de gebeurtenissen anders of verkeerd te schetsen. De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken en subsidiair dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van noodweer, putatief noodweer, dan wel het ontbreken van wederrechtelijkheid.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:

Feit 1

op of omstreeks 2 januari 2024 op het eiland Saba, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten de verbaliseringsplicht voor opsporingsambtenaren van artikel 186 Wetboek van Strafvordering BES, schriftelijk en persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, door in het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2024000032_20240101_182251 opgemaakt op ambtseed d.d. 2 januari 2024, in strijd met de waarheid te vermelden dat:

- een op dat moment onbekende man [getuige] tot tweemaal toe met kracht met zijn lichaam tegen de rechterschouder van verdachte duwde / stootte en/of

- die onbekende man [getuige] de rechterschouder van verdachte vastgreep en/of aan verdachte trok als gevolg waarvan verdachte zijn evenwicht verloor en/of

- die onbekende man [getuige] een agressieve gevechtshouding naar verdachte aannam en/of

- een andere onbekende man met een doorzichtige fles in de hand op verdachte afliep en/of de intentie had om verdachte met die fles te slaan en/of

- verdachte en zijn collega [collega verdachte] in de bar werden bekogeld met allerlei voorwerpen, waaronder bierflessen en/of glazen;

Feit 2

op of omstreeks 1 januari 2024 op het eiland Saba, [zus getuige] en/of [vriendin getuige] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenwet BES, immers heeft hij, verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht op voornoemde [zus getuige] en/of [vriendin getuige], althans heeft hij een vuurwapen getoond, althans handelingen of feitelijkheden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl verdachte door het begaan van dit strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of bij het begaan van dit strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt als politieambtenaar geschonken.

Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv BES betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

In de bewijsmiddelen is geen (expliciete) landsaanduiding opgenomen, maar het is algemeen bekend dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen op Saba.

1. Het proces-verbaal van bevindingen 'bedreiging (met de dood)’, opgemaakt door de verdachte op 2 januari 2024 te Saba, opgenomen op p. 65 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende:

Op 1 januari 2024 rond 3.30 uur bevond ik me in mijn vrije tijd maar met piketdienst, samen met collega [collega verdachte], in de Club in Fort Bay om oud en nieuw te vieren. Ik bevond me bij de bar. Ik zag een voor mij onbekende man in mijn richting komen lopen, die mij recht in mijn gezicht bleef aankijken. Ik voelde dat hij, toen hij langs me moest, met zijn lichaam met kracht tegen mijn rechterschouder duwde. Ongeveer 10 minuten later kwam de man opnieuw langs. Opnieuw stootte hij met kracht tegen mijn schouder.

Toen ik geen aandacht aan hem schonk, voelde ik dat de man mijn rechterschouder vastgreep en aan me trok. Door de kracht verloor ik mijn evenwicht. De man nam een agressieve vechthouding aan.

Ik zag een onbekende man met bloot bovenlichaam met een doorzichtige fles op mij af lopen. Ik zag dat hij de intentie had om mij met de fles te slaan. Ik trok mijn dienstvuurwapen, laadde het en riep dat iedereen naar achteren moest gaan.

Daarna constateerde ik dat [collega verdachte] en ik werden bekogeld met allerlei voorwerpen, waaronder bierflessen. Ik hoorde dat sommige van deze voorwerpen bierflessen of glazen waren, omdat ik het geluid van brekend glas hoorde toen ze op de grond vielen.

2. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 19 januari 2024, opgenomen op p. 92 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende:

Op 1 januari 2024 bij Ocean Club stond ik bij de bar. Aangezien het nieuwjaar was vroeg ik [verdachte] of hij wat wilde drinken. Toen ik me weer terugdraaide om te kijken wat [verdachte] wilde drinken voelde ik dat [verdachte] mij duwde. Ik zag dat hij zijn pistool op mij richtte. Nadat ik tegengehouden werd, hoorde ik de stem van mijn zus. Ik hoorde dat ze ruzie had met iemand.

De eerste keer dat ik merkte dat [verdachte] bij de bar was, was toen ik hem vroeg of hij iets wilde drinken.

3. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [zus getuige] van 22 januari 2024, opgenomen op p. 97 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende:

De avond van het incident was ik met mijn broer [getuige] bij de bar. Ik zag dat mijn broer aan de politieman vroeg of hij iets wilde drinken. De politieman stond naast mijn broer. Ik zag dat mijn broer zijn bankpas pakte en zei dat hij een drankje kon kopen voor wie hij maar wilde. Daarna zag ik dat de politieman mijn broer duwde. Daarna vroegen wij aan de politieman waarom hij mijn broer duwde. Ik zag dat de politieman een pistool trok en op ons begon te richten. Nadat de politieman het pistool op mij richtte zag ik dat hij naast het balkon ging staan.

U zegt mij dat u informatie hebt dat er flessen naar de politieagent zijn gegooid. Over welke flessen heb je het? Ocean Club serveert geen flessen bij die evenementen.

4. Het proces-verbaal van aangifte van [zus getuige] van 6 februari 2024, opgenomen op p. 109 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende:

Het was in de bar Ocean Club tijdens nieuwjaarsnacht. [vriendin getuige] en ik zijn [getuige] gaan ophalen. Toen mijn broer zei dat hij voor iedereen drank kon kopen maakte hij een gebaar met zijn hand in de lucht. Toen werd hij geduwd door de politieman. Toen zag ik dat de politieman zijn wapen trok en dat op ons richtte. Er was op dat moment geen sprake van een dreigende houding van mij, [getuige] en anderen in de richting van de politieagent. Er was geen sprake van een situatie waarin wij de politieagent insloten. Het was geen agressieve situatie en niemand heeft de politieagent aangeraakt. Het startte met een duw van de politieagent naar [getuige]. Er waren geen flessen en glas.

5. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [vriendin getuige] van 22 januari 2024, opgenomen op p. 101 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende:

Toen ik zag hoe dronken [getuige] was, zei ik tegen zijn zus dat ze hem naar huis moest brengen. [zus getuige] en ik gingen naar de bar om [getuige] te halen. Bij de bar hoorde ik [getuige] aan de politieman vragen of hij iets wilde drinken. Ik hoorde [getuige] zeggen dat hij een drankje kan kopen voor wie hij wil. Ik zag dat de politie boos werd. Ik zag en hoorde dat [getuige] en de politieagent woorden wisselden. Ik zag dat [zus getuige] hen probeerde tegen te houden. Daarna zag ik dat de politieman [zus getuige] wegduwde. Daarna hoorde ik dat iedereen aan de politieman vroeg waarom hij [zus getuige] geduwd had. Daarna zag ik de politieman met een pistool in zijn hand. Ik zag dat hij het pistool op [getuige] richtte en daarna op [zus getuige] en daarna op mij.

6. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [bar medewerker] van 12 januari 2024, opgenomen op p. 69 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende:

V: Wie waren er met flessen aan het gooien?

A: Ik heb dat ook gehoord, maar dat kan eigenlijk niet kloppen, want wij serveren geen flessen. Wij doen alles in plastic cups.

7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 26 februari 2024, opgenomen op p. 155 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik het proces-verbaal van bevindingen heb opgemaakt. Ik heb dit op 2 januari 2024 ondertekend en ingeleverd.

Die nacht was ik in de Ocean Club. Ik was in burger gekleed. Ik had mijn vuurwapen verstopt in mijn broeksband. Ik ben samen met [collega verdachte] naar boven, naar de bar gegaan. Ik heb een man tegen de borst geduwd. Toen ik de man had geduwd kwam die vrouw naar mij toe. Ze vroeg mij waarom ik had geduwd. Ik heb deze vrouw ook een duw gegeven.

Ik heb het vuurwapen getrokken en meteen doorgeladen. Ik hield het wapen voor mijn gezicht.

8. De eigen waarneming van de rechter, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 juli 2025 bij het bekijken van de beelden, voor zover inhoudende:

Op de beelden zien we om 16:00 uur [getuige] de ruimte binnenkomen, dansend. Hij lijkt dronken. Later loopt hij weer naar buiten. Hij lijkt de verdachte helemaal niet te hebben gezien. Om 16.05:22 zie ik deze man weer binnenkomen. Ik zie niet dat hij echt tegen de verdachte aanloopt. Ik zie wel dat de verdachte reageert. De verdachte kijkt naar zijn schoenen. De man loopt door en lijkt het niet gemerkt te hebben. De man is dan een tijdje niet in beeld. Daarna komt hij wel weer in beeld, maar hij let niet op de verdachte. Ik zie om 16:09 uur dat de verdachte dichter bij de bar gaat staan. De man is dan niet in de ruimte, althans niet op beeld te zien. Pas om 16:19:46 komt de man weer de ruimte binnen. Hij lijkt daarbij niet op de verdachte te letten. Ik zie ook niet dat hij tegen de verdachte aanloopt. Dan zie ik de man bij de bar staan, een beetje naar voren en naar achteren bewegen. Hij staat dan heel dichtbij de verdachte maar kijkt niet naar de verdachte. Om 16:20:30 spreken twee dames de man aan. Om 16:20:41 lijkt de man zich de kant van de verdachte op te draaien. Om 16:20:59 zie ik de rug van de man [getuige], meteen boven zijn rechterschouder zie ik twee ogen, daarachter zie ik het hoofd van de verdachte. Ik zie dat de rechter arm van de man [getuige] omhoog is, maar ik kan niet zien waar de arm heen gaat. Vervolgens zie ik de verdachte om 16:21:29 met zijn wapen in zijn hand staan. Ik zie geen man met ontbloot bovenlichaam met een fles in zijn hand.

Bewijsoverwegingen

Feiten en omstandigheden

Op basis van de bewijsmiddelen en wat op zitting is besproken, komt het Gerecht tot de volgende vaststellingen.

In de nieuwjaarsnacht van 2023/2024 was verdachte als politieagent gestationeerd op Saba. Die nacht hadden hij en alle collega's op Saba, zowel van KPCN als van de marechaussee, piketdienst. Dat hield in dat ze geen dienst hadden, maar oproepbaar waren voor het geval er een incident zou zijn. Verdachte was samen met enkele collega's oudjaar aan het vieren. Hij was in burger, en had zijn dienstwapen in zijn broeksband zitten. In de vroege ochtend van 1 januari 2024 bevond verdachte zich samen met zijn collega [collega verdachte] in de bar van de Ocean Club. Naast de bar is een terras.

In de Ocean Club zijn ook een man met een zwart shirt, diens zus en een vriendin oudjaar aan het vieren. De man heeft erg veel gedronken. Op enig moment loopt de man vanaf het terras de barruimte in. Hij loopt daarbij (te) dicht langs verdachte en raakt verdachte aan. De man zelf merkt dit niet (of reageert in elk geval niet) en loopt door, maar verdachte merkt het wel. De man loopt hierna een aantal keren de bar in en uit. Er zijn geen andere momenten waarop hij de verdachte aanstoot en de man lijkt geen aandacht aan de verdachte te besteden. Op enig moment komen de zus en de vriendin de man halen bij de bar omdat ze vinden dat hij naar huis moet gaan. De man wil eerst nog drinken kopen, en biedt ook de verdachte, die vlak bij hem staat, iets te drinken aan. De man maakt daarbij een gebaar met zijn handen. Hierop duwt de verdachte de man. Diens zus gaat zich ermee bemoeien, en krijgt vervolgens eveneens een duw van verdachte. Er ontstaat gedoe rondom verdachte, waarbij de zus aan verdachte vraagt waarom hij duwde. Op de beelden is te zien dat verdachte op dat moment met zijn rug naar de bar staat, met aan zijn rechterkant ook een gedeelte van de bar en voor hem een groep mensen. De uitgang naar het terras is aan de linkerkant van verdachte, waar weinig mensen staan. Verdachte trekt zijn dienstwapen, laadt het door en houdt het vervolgens op ooghoogte, gericht op de mensen die voor hem staan - waaronder de zus en de vriendin. Met het dienstwapen gericht op de mensen voor hem loopt de verdachte achteruit en naar links de barruimte uit, het terras op.

Diezelfde dag maakt verdachte een proces-verbaal op van de gebeurtenissen, getiteld ‘proces-verbaal van bevindingen, onderwerp bedreiging (met de dood)’. Hij laat het proces-verbaal checken door een collega en ondertekent het proces-verbaal op ambtseed de volgende dag, op 2 januari 2024.

De verklaring van verdachte zelf

De verdachte heeft steeds gezegd dat hij zich ernstig bedreigd voelde, en dat hij geen andere keus had dan zijn dienstwapen te trekken. Zoals hij het heeft beschreven in zijn proces-verbaal van 2 januari 2024, zo is het echt gegaan. Van meineed of een strafbare bedreiging is geen sprake, aldus de verdachte.

Meineed - feit 1

In artikel 186 Wetboek van Strafvordering BES is opgenomen dat opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal moeten opmaken van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Alle opsporingshandelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de zaak moeten worden vermeld in het proces-verbaal. Het proces-verbaal moet – uiteraard - waarheidsgetrouw zijn. Opsporingsambtenaren maken hun proces-verbaal op ambtseed op, dus onder ede. Meineed is het onder ede afleggen van een valse verklaring. Meineed is strafbaar gesteld in artikel 213 Sr BES.

Het Gerecht is van oordeel dat de verdachte in het proces-verbaal van 2 januari 2024 een onjuiste beschrijving heeft gegeven van de gebeurtenissen die die nacht hebben plaatsgevonden. Het Gerecht is ook van oordeel dat hij dit opzettelijk heeft gedaan.

Allereerst doet de verdachte het in zijn proces-verbaal voorkomen alsof de man in het zwarte shirt gedurende een hele tijd telkens de confrontatie zocht met de verdachte. Het proces-verbaal spreekt over het meerdere keren ‘met kracht’ tegen de verdachte duwen, het recht in het gezicht aankijken, het zoeken van problemen, een agressieve houding en het intimiderend aankijken. De rest van het dossier geeft een totaal ander beeld. Uit de camerabeelden, en ook uit de verklaringen, volgt dat de man dronken was en onvast ter been. Hij is één keer tegen de verdachte aangelopen, hoogstwaarschijnlijk per ongeluk want de man zelf lijkt het niet te hebben gemerkt en besteedt geen aandacht aan de verdachte. Anders dan de verdachte in zijn proces-verbaal omschrijft, heeft de man in het zwarte shirt helemaal geen oog voor de verdachte in de bar. Hij ziet de verdachte pas voor het eerst als ze dicht bij elkaar bij de bar staan, waarna de man de verdachte iets te drinken aanbiedt.

Ook de beschrijving van de gebeurtenissen hierna klopt niet met hoe het werkelijk is gegaan. De man greep de verdachte niet bij de schouder en trok ook niet aan hem, en de verdachte verloor niet zijn evenwicht. Het was de verdachte zelf die een duw gaf. Op de beelden is ook niet te zien dat er een man was, die met een fles in de hand op de verdachte afkwam en de verdachte en diens collega werden niet met flessen of glazen bekogeld. Dit kan ook niet omdat er die avond geen flessen of glazen geserveerd werden, alleen plastic cups.

Het kan niet anders dan dat de verdachte de gebeurtenissen opzettelijk onjuist, aangedikt en verdraaid heeft weergegeven, om zo zijn eigen handelen te rechtvaardigen.

Het door de verdachte opgestelde proces-verbaal van bevindingen van 2 januari 2024 is een vals proces-verbaal in de zin van 213 Wetboek van Strafrecht BES.

Bedreiging - feit 2

Zoals de officier van justitie in zijn requisitoir terecht stelt is het van dichtbij doorladen en richten van een vuurwapen in zijn algemeenheid een bedreigende handeling. Een dergelijke handeling kan bij iemand de redelijke vrees oproepen dat hij/zij beschoten kan worden met het wapen en kan komen te overlijden. Dat levert een strafbare bedreiging in de zin van artikel 298 Sr BES op. Aangezien de verdachte de bedreiging heeft gepleegd met zijn dienstwapen, waarover hij vanwege zijn functie als politieagent de beschikking had, heeft hij bij de bedreiging gebruik gemaakt van een middel hem door zijn ambt als politieambtenaar geschonken.

Anders dan de officier van justitie, vindt het Gerecht de bedreiging niet alleen ten aanzien van [zus getuige] maar ook ten aanzien van [vriendin getuige] bewezen. Die laatste heeft zelf weliswaar geen aangifte gedaan van bedreiging, maar dat staat een bewezenverklaring niet in de weg. Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zijn wapen op beiden heeft gericht. De bedreiging was van dien aard en onder zodanige omstandigheden dat bij beiden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.

Strafuitsluitingsgrond c.q. het ontbreken van wederrechtelijkheid

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer, putatief noodweer, dan wel het ontbreken van wederrechtelijkheid aan de bedreiging, omdat de verdachte geen andere keus had dan zijn wapen te richten op de mensen voor hem. Dit was ter verdediging van zijn eigen veiligheid. Het Gerecht overweegt als volgt.

Zoals hiervoor al is aangegeven, gaat het Gerecht uit van andere feiten en omstandigheden dan die door de verdachte zijn geschetst. Daarin ligt al het oordeel besloten dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het beroep op noodweer ten grondslag legt niet aannemelijk zijn geworden. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Dit geldt ook voor het beroep op putatief noodweer. Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer is vereist dat de verdachte verontschuldigbaar in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen hij zich mocht verdedigen. Ook dat is niet aannemelijk geworden. De verklaring van de verdachte ter zitting, dat hij in ‘mess you up’ het woord ‘mes’ hoorde en daarom dacht dat de mensen hem met een mes zouden aanvallen, vindt het Gerecht niet geloofwaardig.

Het Gerecht kan zich best voorstellen dat de verdachte zich enigszins ongemakkelijk gevoeld heeft op het moment dat de zus van de man, en anderen, hem aanspraken. De verdachte stond in de vroege ochtenduren in een bar, kennelijk wist men dat hij politieagent was, en hij werd aangesproken in mogelijk stevig en voor de verdachte moeilijk verstaanbaar Engels. Dat de verdachte weg wilde op dat moment, is niet onbegrijpelijk. Maar je ongemakkelijk voelen is iets (heel) anders dan in de veronderstelling verkeren dat je een wapen mag trekken. Bovendien kon de verdachte weg; hij was niet ingesloten. Dat is wat hij had moeten doen. Het trekken en doorladen en vervolgens ook nog op de mensen richten van zijn wapen was een volstrekt disproportionele en onnodige reactie.

Het beroep op noodweer, putatief noodweer, dan wel het ontbreken van wederrechtelijkheid aan de bedreiging wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

Feit 1

omstreeks 2 januari 2024 op het eiland Saba, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, te wetende verbaliseringsplicht voor opsporingsambtenaren van artikel 186 Wetboek van Strafvordering BES, schriftelijk en persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, door in het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2024000032_20240101_182251 opgemaakt op ambtseed d.d. 2 januari 2024, in strijd met de waarheid te vermelden dat:

- een op dat moment onbekende man [getuige] tot tweemaal toe met kracht met zijn lichaam tegen de rechterschouder van verdachte duwde / stootte en

- die onbekende man [getuige] de rechterschouder van verdachte vastgreep en aan verdachte trok als gevolg waarvan verdachte zijn evenwicht verloor en

- die onbekende man [getuige] een agressieve gevechtshouding naar verdachte aannam en

- een andere onbekende man met een doorzichtige fles in de hand op verdachte afliep en de intentie had om verdachte met die fles te slaan en

- verdachte en zijn collega [collega verdachte] in de bar werden bekogeld met allerlei voorwerpen, waaronder bierflessen en/of glazen

Feit 2

op 1 januari 2024 op het eiland Saba, [zus getuige] en [vriendin getuige] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht op [zus getuige] en [vriendin getuige] terwijl verdachte bij het begaan van dit strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van een middel hem door zijn ambt als politieambtenaar geschonken.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder feit 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld artikel 213 van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

In de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, schriftelijk, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.

Het onder feit 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 46 juncto artikel 298 Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl hij gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

De straf die aan verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het Gerecht in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen

Ernst van de feiten

Het Gerecht stelt voorop dat het vervolgen van een politieagent een gevoelige zaak is. Agenten moeten onder moeilijke en soms gevaarlijke omstandigheden hun werk doen om de samenleving te beschermen. Waar een ander bij dergelijke situaties kan terugtreden, wordt van een agent juist verwacht - door de samenleving én door zijn collega’s - dat hij actie onderneemt. Soms ook in zijn vrije tijd. Daartegenover staat dat van agenten gevergd mag worden dat zij hun geweldsmonopolie met de grootst mogelijke zorgvuldigheid toepassen.

De keerzijde van het recht (en soms de plicht) van agenten om bij het uitoefenen van hun taken geweld uit te oefenen, is dat burgers tegen een onrechtmatige toepassing ervan moeten worden beschermd.

Het Gerecht is zich ook bewust van het feit dat het op de BES-eilanden tot begin 2024 niet ongebruikelijk was dat politieagenten in hun vrije tijd hun dienstwapen droegen, zoals de verdachte dat deed. Het Gerecht heeft begrepen dat in februari 2024, mede naar aanleiding van deze zaak, een dienstorder is uitgegaan met de mededeling dat agenten van KPCN hun wapen niet meer mogen dragen in hun vrije tijd.

In dit geval heeft de verdachte midden in een uitgaansgelegenheid zijn wapen getrokken, doorgeladen en vervolgens op de mensen gericht. Een volstrekt misplaatste reactie, die tot veel onrust heeft geleid, en niet alleen op Saba.

Verdachte heeft met zijn optreden het imago van KPCN geschaad. Het vertrouwen in de politie is niet alleen aangetast bij de direct betrokkenen; het handelen van verdachte heeft op de hele BES-eilanden ook in breed maatschappelijk verband het vertrouwen in de politie aangetast.

Daarnaast heeft de verdachte in strijd met de waarheid een proces-verbaal opgemaakt waarin een onjuiste weergave van de gebeurtenissen staat beschreven. Dit is een zeer ernstig feit. Het is van cruciaal belang dat de samenleving, maar zeer zeker ook rechters, officieren van justitie en advocaten, kunnen vertrouwen op de integriteit van politieambtenaren en de juistheid van hun verslaglegging. Dit geldt te meer bij de beoordeling van mogelijk onjuist politieoptreden.

Het Gerecht rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Persoonlijke omstandigheden

Verdachte is nog niet eerder in aanraking met politie en justitie geweest. Verdachte is naar aanleiding van deze zaak ontslagen en werkt niet meer voor KPCN.

Op te leggen straf

Het Gerecht legt, alles afwegende, aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden op. Dit vanwege de ernst van de feiten, en ook om aan de gemeenschap op de BES-eilanden te laten zien dat de politie vuurwapens mag dragen en geweld mag toepassen, maar ook gestraft wordt wanneer zij daarbij de grens van gepast geweld overschrijdt. De politie staat niet boven de wet.

Het Gerecht ziet geen meerwaarde in het opleggen van een werkstraf als bijzondere voorwaarde, mede omdat inmiddels ruim anderhalf jaar is verstreken na het plegen van de feiten en de verdachte ook is ontslagen bij KPCN. Om die reden zal het Gerecht ook volstaan met een proeftijd van twee jaar in plaats van de gevorderde drie jaar.

Ontzetting uit het ambt

Daarnaast zal het Gerecht aan verdachte de bijkomende straf van ontzetting uit het ambt van opsporingsambtenaar voor de duur van vijf jaren opleggen, zoals gevorderd. Het Gerecht vindt het plegen van meineed een zeer ernstig feit, en al helemaal als dat wordt gepleegd door een politieagent in de uitoefening van zijn functie. Juist omdat in strafzaken extra bewijskracht toekomt aan een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van politie, moeten procesdeelnemers erop kunnen vertrouwen dat een dergelijk proces-verbaal juist en volledig is. Er mag geen enkele twijfel bestaan over de waarheidsgetrouwheid daarvan want dan is de integriteit van de hele opsporing in het geding.

Het baart het Gerecht zorgen dat verdachte ter zitting geen inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn handelen, maar bleef volhouden dat hij niet anders had kunnen handelen, en dat zijn proces-verbaal de waarheid bevatte. Van een (ex)politieagent mag worden verwacht dat hij is doordrongen van de strenge integriteiteisen die aan hem en aan zijn collega’s worden gesteld. Ook waar het betreft het opstellen van een proces-verbaal. Het Gerecht vindt het gelet op de ernst van dit feit passend om verdachte te ontzetten uit zijn recht om het ambt van opsporingsambtenaar te bekleden, voor een periode van vijf jaren. Deze bijkomende straf dient niet alleen om verdachte te treffen voor zijn handelwijze, maar heeft ook als doel opsporingsambtenaren in het algemeen ervan te doordringen dat door het opnemen van onwaarheden in ambtsedige processen-verbaal voor hen geen plaats meer dient te zijn om een ambt als dat van opsporingsambtenaar te bekleden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 32 en 59 van het Wetboek van Strafrecht BES zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan;

- kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

-verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- legt aan verdachte op de ontzetting uit het recht om een ambt te bekleden bij KPCN dan wel in enige andere functie als opsporingsambtenaar voor de duur van 5 (vijf) jaren;

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier en op 31 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.D. Rodenboog

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?