ECLI:NL:OGEABES:2025:140

ECLI:NL:OGEABES:2025:140, Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 17-07-2025, 400.00282-24

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Bonaire
Datum uitspraak 17-07-2025
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer 17-07-2025
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Schietpartij op 10 november 2024 in het centrum van Bonaire. Vrijspraak van moord omdat voorbedachte rade niet bewezen kan worden. Bewezenverklaring doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het Gerecht legt een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren op. De immateriële schade (shockschade) die door de benadeelde partij is gevorderd is niet-ontvankelijk verklaard. Geen mogelijkheid voor affectieschade op de BES-eilanden. Vordering benadeelde partij is ten aanzien van de materiele schade wel toegewezen.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.M.A. van Lieshout, advocaat op Bonaire.

De benadeelde partij [moeder slachtoffer] heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.

De officier van justitie, mr. L.E. Stroink, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde moord en het onder feit 2 ten laste gelegde, bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest.

Haar vordering behelst voorts:

- de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van $ 11.379,40, de niet-ontvankelijkverklaring van die benadeelde partij in hetgeen zij overigens heeft gevorderd en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde, te weten moord. Daarnaast heeft de raadsvrouw verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij, op of omstreeks 10 november 2024 op het eiland Bonaire, [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] meermalen met een (hand)vuurwapen door het hoofd en/of torso en/of rug te schieten;

Feit 2:

hij, op of omstreeks 10 november 2024 op het eiland Bonaire, voorhanden heeft gehad een pistool (te weten een Glock, kaliber 9 mm), althans een (hand)vuurwapen, zijnde een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenwet BES.

Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak van moord

Inleiding

In deze zaak staat niet ter discussie dat verdachte degene is geweest die meermalen op het slachtoffer heeft geschoten, waardoor het slachtoffer is overleden. Verdachte bekent dit ook. Verdachte zegt dat hij bang was dat het slachtoffer een wapen had en daarom op hem heeft geschoten. Omdat hij niet wist of hij het slachtoffer had geraakt is hij doorgegaan met schieten, en heeft hij vanaf verschillende plekken en uiteindelijk ook van dichtbij op het slachtoffer geschoten.

Volgens de officier van justitie was er voldoende tijd voor verdachte om na te denken en zijn er verschillende beslismomenten geweest. Verdachte is de confrontatie aangegaan met het slachtoffer terwijl hij ook weg had kunnen rijden op het moment dat hij het slachtoffer zag. Daarnaast heeft hij voordat hij een wapen bij het slachtoffer had gezien, zijn doorgeladen wapen al klaar gelegd op het tapijt. Voordat hij begon met schieten, en ook tijdens het schieten, waren er verschillende momenten waarop verdachte een besluit moet hebben genomen. Er zijn namelijk drie momenten waarop verdachte besluit om te schieten en van positie te veranderen. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld. Integendeel: verdachte lijkt heel zeker en doeltreffend te werk te zijn gegaan. Hij verklaart dat hij zekerheid wilde. Verdachte wilde het slachtoffer dood hebben. Dat duidt allemaal op voorbedachte raad.

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte juist wel in een opwelling heeft gehandeld. Verdachte was in paniek en heeft niet nagedacht. Er is geen sprake geweest van welbewust en doordacht handelen en daarom is geen sprake van moord, maar van doodslag.

Feiten en omstandigheden

Op basis van het dossier en wat op de zitting is besproken gaat het Gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte en het slachtoffer kwamen elkaar op de avond van 10 november 2024 toevallig tegen. Het slachtoffer had met een groepje mensen gegeten en ging nog sigaretten halen bij Spanhoek. Vervolgens belandde hij in de auto, met een andere jongeman, op de parkeerplaats tegenover Spanhoek. Zij stonden stil midden op de in- en uitrit van de parkeerplaats. Verdachte was met zijn vader en een vriend bij Spanhoek, en was op weg naar huis. Om die reden was verdachte op hetzelfde moment als het slachtoffer op de parkeerplaats tegenover Spanhoek. Hij haalde zijn auto op om naar huis te rijden, maar werd daar met het slachtoffer geconfronteerd, die min of meer voor de uitgang stond.

Verdachte voelde zich al langere tijd bedreigd en gevolgd door verschillende mensen. Dit betrof niet specifiek het slachtoffer, maar wel mensen uit de omgeving van het slachtoffer. Verdachte had om die reden een vuurwapen geleend of aangeschaft, dat hij, doorgeladen, in de auto had liggen. Zowel de vriendin van verdachte als een vriend bevestigen dat verdachte zich al geruime tijd bedreigd voelde. Hij was op zijn hoede, sliep slecht en keek veel achterom.

De confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte begint die avond met het verzoek van verdachte aan het slachtoffer om opzij te gaan, zodat hij de parkeerplaats af kan rijden. Hierna volgt een woordenwisseling tussen verdachte en het slachtoffer. Tijdens de woordenwisseling staat de auto van verdachte (vlak) achter de auto van het slachtoffer, en staan zowel het slachtoffer als verdachte bij de bestuurderszijde van hun eigen auto. Op enig moment tijdens de woordenwisseling pakt verdachte zijn wapen van onder de bestuurderstoel en legt het wapen klaar op de mat, onder het stuur. Op het moment dat het slachtoffer zijn eigen auto inbuigt pakt verdachte dit wapen en begint te schieten.

Verdachte schiet eerst vanaf de plek waar hij staat van achteren op het slachtoffer en diens auto. Vervolgens rent verdachte naar de passagierszijde van de auto van het slachtoffer. Door het geopende raam schiet verdachte opnieuw, gericht, op het slachtoffer. Het slachtoffer is op dat moment half buiten de auto, achter / naast de bestuurdersstoel. Vanuit deze positie schiet verdachte elf keer op het slachtoffer. Zijn hand is bij een deel van deze schoten in de auto; op de man op de passagiersstoel vallen hulzen.

Hierna loopt verdachte om de voorkant van de auto van het slachtoffer heen naar de bestuurderszijde, waar het slachtoffer inmiddels plat op zijn buik op de grond ligt. Het slachtoffer beweegt niet, zegt niets, en verdachte weet niet of hij nog leeft. Verdachte schiet van dichtbij nog minimaal drie keer op het slachtoffer, naar eigen zeggen om ‘zeker te weten dat hij niet zou opstaan’.

Uit de camerabeelden volgt dat het moment dat het slachtoffer zijn auto in buigt om 21:41:25 plaatsvindt. Twee seconden later, om 21:41:27, begint verdachte te schieten. Om 21:41:31 rent verdachte naar de bijrijderszijde van de auto van het slachtoffer. Hier staat hij 15 seconden, waarna hij om 21:41:47 via de voorzijde van de auto naar de bestuurderszijde gaat, waar het slachtoffer op de grond ligt. Om 21:41:53 loopt verdachte terug naar zijn auto.

Beoordelingskader voorbedachte raad

Voor bewezenverklaring van het in dit verband onderscheidende bestanddeel ‘met voorbedachten rade’, zoals bedoeld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht BES, moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij moet de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben gegeven. Het gaat hierbij om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

In de rechtspraak van de Hoge Raad is uiteengezet dat de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing vormt dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar dat dit de rechter niet ervan behoeft te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvonden, dat slechts sprake was van een korte tijd tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342).

Oordeel van het Gerecht

Het is opvallend dat verdachte niet alleen vanaf zijn eerst positie, staand bij zijn eigen auto, op het slachtoffer heeft geschoten, maar vervolgens naar voren is gerend naar de auto van het slachtoffer en daar nog (veel) meer schoten heeft gelost. En het is zeker opvallend dat verdachte vervolgens ook nog om de motorkap heenloopt naar waar het slachtoffer op de grond ligt, en dan nog eens meermalen op hem schiet. Het Gerecht vindt het niet geheel onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie hier voorbedachte raad in ziet.

Maar het Gerecht ziet het toch anders.

Gelet op de tijdstippen die op de camerabeelden te zien zijn, zaten er maar 28 seconden tussen het moment dat het slachtoffer zijn auto in buigt, waarna het schieten begint en het moment waarop verdachte naar zijn eigen auto terugloopt. Het tijdsverloop tussen het eerste en het laatste schot is zelfs nog iets korter: 25 of 26 seconden. Die tijdspanne vindt het Gerecht te kort om met voldoende mate van zekerheid te kunnen vaststellen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Bovendien duidt de nogal bizarre actie van de verdachte in de ogen van het Gerecht juist wel op een hevige gemoedsopwelling, die verdachte er kennelijk toe bracht om maar door en door te gaan, totdat hij zeker wist dat het slachtoffer niet meer op zou staan. Met andere woorden: als verdachte weloverwogen het plan had opgevat om het slachtoffer te doden, en even had stilgestaan en nagedacht bij wat hij aan het doen was, dan had hij mogelijk anders gehandeld. Verdachte had dan al na de eerste reeks schoten, en zeker na de tweede reeks, kunnen stoppen. Het lijkt er eerder op dat de verdachte in een soort trance heeft gehandeld, onder invloed van een hevige gemoedsbeweging. Dit volgt bijvoorbeeld uit de verklaring van getuige [getuige], die heeft verklaard:

[verdachte] was helemaal gefocust op [slachtoffer] en hij reageerde niet op mij (…)

Het Gerecht ziet wel vol opzet om het slachtoffer te doden. Verdachte wilde dat het slachtoffer niet meer zou opstaan. Maar opzet op de dood is iets anders dan stilstaan bij de gevolgen en reikwijdte van je handelen. Dat gaat nog een stap verder. Het Gerecht ziet geen moment van bezinning bij verdachte, geen moment waarop hij heeft nagedacht of zich rekenschap heeft gegeven van wat hij aan het doen was. In feite lijkt het hele handelen van verdachte een (heel hevige) reactie op het feit dat het slachtoffer zijn auto in boog, en volgens verdachte een wapen ging pakken. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde moord.

Het Gerecht vindt de onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag, wel wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Daarbij wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen op Bonaire.

1. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd op de terechtzitting van 25 juni 2025, voor zover inhoudende:

“Ik stond bij mijn auto. Ik heb mijn wapen uit mijn auto gepakt en ik heb geschoten. Ik richtte op [slachtoffer]. Hij stond bij zijn auto, aan de bestuurderskant. Toen ben ik naar voren gerend, naar de deur van de passagier van zijn auto. Ik zag dat [slachtoffer] aan het schuilen was. Hij was half buiten, een beetje achter de bestuurdersstoel. Toen heb ik weer geschoten. Daarna ben ik om de auto heen gegaan en zag ik hem op de grond liggen, op zijn buik. Daar heb ik weer geschoten.”

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], op 14 november 2024, opgenomen op pagina 74 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende:

“Op 10 november 2024 ontving ik een melding van een schietincident bij Spanhoek. Ik begaf mij naar de plaats delict. Ik zag een voertuig geparkeerd bij de ingang van de parkeerplaats. De bestuurders- en bijrijdersportieren stonden open. Aan de bestuurderszijde zag ik een manspersoon liggen, naast het voertuig, tussen de deuropening. Hij lag op zijn buik. Ik constateerde dat het slachtoffer geen polsslag vertoonde. Ik herkende het slachtoffer als [slachtoffer]”.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten het ‘Forensisch Autopsierapport’, opgemaakt op 14 november 2024, opgemaakt door [naam], forensisch patholoog, opgenomen op pagina 225 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

“[slachtoffer] was een 20-jarige man die neergeschoten werd gevonden te Kaya L.D. Gerharts op 10-11-2024, ca. 22.00 uur.

Verse uitwendige verwondingen: 20 schotwonden, veroorzaakt door 2 penetrerende (kogel in het lichaam) en 9 perforerende (in-uit) schotbanen, zijn te vinden op het lichaam.

Doodsoorzaak: ernstig hersentrauma en doodbloeden door meerdere geweerschoten.”

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 november 2024, opgenomen op pagina 455 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

“Op 10 november 2024 had ik een vuurwapen in de auto, ik heb ermee geschoten. Dit was een Glock 17 met een verlengde patroonhouder. Er passen 32 patronen in. Het was een standaard Glock, hij vuurt niet automatisch.”

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 november 2024, opgenomen op pagina 463 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

“Ik liep naar de bijrijderskant en ik schoot. Ik richtte op het hoofd van [slachtoffer]. Ik liep om de auto heen en kwam bij [slachtoffer]. Ik heb toen nog drie keer op zijn rug geschoten. Ik wilde zeker weten dat hij was geraakt en niet meer op zou staan.”

Bewezenverklaring

Het Gerecht vindt - op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde en onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op 10 november 2024 op het eiland Bonaire, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door [slachtoffer] met een vuurwapen door het hoofd en torso en rug te schieten;

Feit 2:

hij op 10 november 2024 op het eiland Bonaire, voorhanden heeft gehad een pistool, een Glock, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenwet BES.

Het Gerecht vindt niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Doodslag.

Het onder feit 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3 Vuurwapenwet BES en strafbaar gesteld in artikel 11 Vuurwapenwet BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3 van de Vuurwapenwet BES.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

In de late avond van 10 november 2024 werd Bonaire opgeschrikt door een schietincident, middenin het centrum. Verschillende mensen zijn getuige geweest van de woordenwisseling tussen verdachte en het slachtoffer. Een woordenwisseling die erop uit draaide dat verdachte een salvo aan kogels afvuurde op het slachtoffer en diens auto, waarna het slachtoffer, een jonge man, dood achterbleef op de parkeerplaats en verdachte naar huis vertrok. Deze zaak heeft diepe indruk gemaakt op de gemeenschap op Bonaire en veel gevoelens van angst, onrust en onveiligheid veroorzaakt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een één van de ernstigste misdrijven die ons Wetboek van Strafrecht kent. Door zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een totaal gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Hij heeft door zijn daad onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. De nabestaanden zullen de gevolgen van dit onverwachte verlies altijd met zich mee moeten dragen en een manier zien te vinden om verder te leven zonder hun dierbare.

De persoon van de verdachte

Volgens de strafkaart van verdachte is hij is niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest voor soortgelijke feiten.

De reclassering heeft een rapport over verdachte opgemaakt. De reclassering schat het risico op recidive en letsel niet hoog in. De reclassering adviseert om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Eventuele begeleiding of behandeling kan in het kader van detentiefasering aan verdachte worden aangeboden.

Door de psycholoog is een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 januari 2025. Uit het rapport volgt dat verdachte een kalme, rustig functionerende man was, die een agressief delict heeft gepleegd maar vervolgens ook weer kalm en gelaten de consequenties daarvan over zich heen laat komen. De psycholoog ziet wel emotionele instabiliteit bij de verdachte, en gevoelens van angst, spanning en sociale inadequatie. Ook ziet de psycholoog een zekere mate van emotionele afstandelijkheid.

Door de psychiater is ook een rapport over verdachte opgemaakt, gedateerd 30 december 2024. De psychiater constateert geen stoornis, geen waanbeelden en een gemiddelde intelligentie.

Zowel de psycholoog als de psychiater adviseren om verdachte de feiten volledig toe te rekenen.

De op te leggen straf

Gezien de hiervoor beschreven aard en ernst van de bewezen feiten, is helder dat slechts een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van langere duur met zich brengt, als passende straf in aanmerking komt.

Voor de oplegging van de straf is aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor doodslag als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 – 12 jaren gegeven.

In strafverzwarende zin houdt het Gerecht rekening met de omstandigheid dat het schieten op een publieke plek heeft plaatsgevonden, en ook met de zeer agressieve wijze waarop verdachte vele malen kogels op het slachtoffer heeft afgevuurd, ook van dichtbij.

Daar staat tegenover dat verdachte een nog jonge man is, die mogelijk uit paniek heeft gehandeld. Het is voor het Gerecht moeilijk te begrijpen hoe de verdachte, met zijn kalme persoonlijkheid en zijn op zich positieve omstandigheden (een baan, een vriendin, een huis), tot deze daad is gekomen. Om recidive te voorkomen is het een goed idee dat verdachte in het kader van detentiefasering begeleiding of behandelding krijgt.

Alles afwegend komt het Gerecht tot het oordeel dat in het geval van de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

De officier van justitie heeft meegedeeld dat deze voorwerpen terug kunnen naar de verdachte. Het Gerecht is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen goederen. Daarom zal daarvan de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [moeder slachtoffer] (moeder van het slachtoffer) heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal $ 21.379,40. Dit bedrag bestaat uit $ 1.379,40 aan materiële schade, en $ 20.000,00 aan immateriële schade.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiele schade gerefereerd aan het oordeel van de rechter, en de vordering tot immateriële schadevergoeding betwist.

De officier van justitie heeft voorgesteld de materiële schade geheel toe te wijzen, en van de gevorderde immateriële schadevergoeding de helft ($ 10.000,00) als shockschade aan te merken en toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Materiele schade: de kosten verband houdend met de begrafenis

Dit deel van de vordering is niet door de verdediging betwist en komt het Gerecht ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dat betekent dat dit deel van de vordering ter hoogte van in totaal $ 1.379,40 wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Immateriële schadevergoeding, shockschade

De benadeelde partij vordert $ 20.000,00 aan immateriële schade voor het leed dat haar is aangedaan. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden is of het leed van de moeder van het slachtoffer in deze zaak in juridische zin vertaald kan worden in een schadevergoeding op basis van ‘shockschade’.

Gelet op HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 kan vergoeding van immateriële schade op basis van shockschade plaatsvinden als het waarnemen van het tenlastegelegde of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij heeft teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201), dan wel indien sprake is van voldoende ernstig en objectiveerbaar geestelijk letsel dat het gevolg is van de emotionele schok (HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646).

In casu ligt de vraag voor of aan het confrontatievereiste, dat door de benadeelde partij aan de vordering ten grondslag is gelegd, is voldaan. Uit de jurisprudentie kan als maatstaf worden afgeleid de vraag of de (ongewilde en onvoorbereide) waarneming van het lichaam en/of de verwondingen meteen na het misdrijf een hevige schok hebben veroorzaakt. In de vordering staat omschreven dat de moeder van het slachtoffer erg ontdaan was bij het horen van het nieuws dat haar zoon was doodgeschoten, en dat de lijkherkenning in het lijkenhuis ook erg schokkend was. Uit de bijgevoegde brief van de psycholoog volgt dat de moeder onder behandeling is in verband met een acute en diep ingrijpende traumatische rouwreactie.

Voor het Gerecht staat wel vast dat aan de benadeelde partij onbeschrijfelijk leed is toegebracht door de gewelddadige dood van haar zoon. Het is duidelijk dat sprake is van trauma en van een heftige rouwreactie. Het Gerecht kan zich ook voorstellen dat het zien van haar kort daarvoor overleden zoon voor de benadeelde bijzonder pijnlijk moet zijn geweest. Maar dat is niet wat het Gerecht moet beoordelen. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden, is of voldoende is komen vast te staan dat sprake is van geestelijk letsel dat door de confrontatie is ontstaan. Het Gerecht kan dat op basis van de huidige informatie niet vaststellen.

Anders dan de officier van justitie ziet het Gerecht ook niet de mogelijkheid een gedeelte van de gevorderde immateriële schade als shockschade aan te merken, omdat het Gerecht ook niet kan vaststellen dat een gedeelte van de bij de moeder ontstane schade het gevolg is van de confrontatie.

Aanhouding van de strafzaak tegen verdachte voor nadere onderbouwing van de vordering, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. Het Gerecht zal daarom de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan wel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het Gerecht overweegt verder nog het volgende. Juist in verband met situaties als deze is in Europees Nederland de mogelijkheid ingevoerd om affectieschade te vorderen. Affectieschade is kortgezegd immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor iemand anders aansprakelijk is. Onder het huidige Bonairiaanse recht is echter geen vergoeding mogelijk op grond van affectieschade. Hoewel het Gerecht bekend is met de omstandigheid dat de wetgever overweegt ook op de BES toekenning van affectieschade mogelijk te maken, gaat het de rechtsvormende taak van het Gerecht te buiten om nu al, zonder wettelijke basis, affectieschade toe te kennen. Hoe zuur dit voor de benadeelde ook is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 31, 38f en 59 Wetboek van Strafrecht BES zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 13 (dertien) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

- gelast de teruggave van de hierboven genoemde inbeslaggenomen goederen aan de verdachte;

- wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [moeder slachtoffer] geleden schade toe tot een bedrag van $ 1.379,40 (zegge: duizend driehonderdnegenenzeventig Amerikaanse dollar en veertig cent), en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

- verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

- legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van $ 1.379,40 (zegge: duizend driehonderdnegenenzeventig Amerikaanse dollar en veertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en op 17 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.D. Rodenboog

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2026-0052
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?