GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500576
datum beslissing: 8 december 2025
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[eiser],
wonende te Verenigde Staten van Amerika,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.G. van Dijk,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1. De procedure
Het verzoekschrift met bijlagen is op 11 november 2025 op de griffie van dit gerecht ingediend. Op 28 november 2025 zijn namens [eiser] nog twee aanvullende producties ingekomen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 december 2025. [eiser] is vertegenwoordigd door mr. Van Dijk. [gedaagde] is niet verschenen.
Hoewel [gedaagde] deugdelijk is opgeroepen, is zij niet op de mondelinge behandeling verschenen. Tegen [gedaagde] is op de mondelinge behandeling verstek verleend.
Ten slotte is bepaald dat uiterlijk op 15 december 2025 vonnis zal worden gewezen en indien mogelijk eerder. Het vonnis is eerder gereed, daarom wordt het vandaag uitgesproken.
2. De beoordeling
gedaagde] huurt sinds 15 december 2023 een woning aan de [adres] te Bonaire (hierna: het gehuurde) voor een huurprijs van USD 700,00 per maand. Op 21 oktober 2025 is de huurovereenkomst door [eiser] per 15 december 2025 opgezegd.
eiser] stelt dat vanaf december 2024 een huurachterstand is ontstaan en [gedaagde] de huurtermijnen onregelmatig en gedeeltelijk betaalt. Op het moment van het aanbrengen van het verzoekschrift bedraagt de huurachterstand USD 3.000,00. Bovendien is volgens [eiser] sprake van een achterstand ontstaan van de elektriciteitsrekening voor een bedrag van USD 813,11.
In een kortgedingprocedure moet het gerecht ambtshalve (dus ook als daartegen geen verweer is gevoerd) beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang. Naar het oordeel van het gerecht ligt in de aard van de vordering een spoedeisend belang besloten.
gedaagde], die niet in deze procedure is verschenen, heeft de vorderingen van [eiser] niet weersproken. De onweersproken huurachterstand en achterstand in de betaling van de elektriciteitsrekening(en) rechtvaardigt de gevorderde ontruiming. De buitengerechtelijke incassokosten zullen, gelet op de enkele sommatiebrief die door de gemachtigde van [eiser] is gestuurd, worden gematigd tot één punt van het toepasselijke liquidatietarief voor bodemzaken in eerste aanleg (tarief 2).
gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van [eiser] worden begroot op USD 159,00 voor betekeningskosten van het verzoekschrift, USD 251,00 aan griffierecht, USD 559,00 aan salaris gemachtigde (tarief eenvoudig kort geding) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Van kenbare bezwaren van [gedaagde] tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is het gerecht niet gebleken. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als [gedaagde] in verzet gaat (een ‘verzetprocedure’). De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot in de verzetprocedure een andere beslissing genomen wordt.
3. De beslissing
Het gerecht:
beveelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de studio aan de [adres] met alle personen en zaken die zich van de kant van [gedaagde] in en om de woning bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en, onder afgifte van de sleutels, ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen;
verstaat dat, indien [gedaagde] niet aan de veroordeling onder 3.1. voldoet, de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv BES) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent reeds thans toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 jo. 444 lid 2 Rv BES;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van USD 3.813,11 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van USD 140,00 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag te betalen van USD 700,00 per maand of gedeelte daarvan vanaf 1 december 2025 tot het tijdstip van de feitelijke en algehele ontruiming;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van USD 1.109,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.