Parketnummer: 400.00262/24
Uitspraak: 17 juni 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 te Curaçao,
wonende op Bonaire, [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.S.M. Blonk, advocaat in Curaçao.
De officier van justitie, mr. D.C. Smits, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Zijn vordering behelst voorts de ontzetting uit het recht om het ambt van politieambtenaar te bekleden voor de duur van 5 jaren.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
Feit 1:
dat hij, op of omstreeks 2 maart 2024 op het eiland Bonaire, [slachtoffer] heeft mishandeld door hem te slaan/stompen op de neus, althans in het gezicht,
zulks al dan niet terwijl voornoemde [slachtoffer] geboeid was en/of terwijl verdachte door het begaan van dit strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of bij het begaan van dit strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt als politieambtenaar geschonken;
(artikel 313 jo. 46 Wetboek van Strafrecht BES)
Feit 2:
dat hij op of omstreeks 4 maart 2024 op het eiland Bonaire, tezamen en in
vereniging, althans alleen, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een
verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, te
weten de verbaliseringsplicht voor opsporingsambtenaren van artikel 186
Wetboek van Strafvordering BES, schriftelijk en persoonlijk, opzettelijk een
valse verklaring onder ede heeft afgelegd, door in het proces-verbaal van
bevindingen aangaande de aanhouding van [arrestant] met nummer 2024002476_20240304_183310.doc opgemaakt op
ambtseed/-belofte d.d. 4 maart 2024, in strijd met de waarheid te vermelden
dat zij, verbalisanten, een fatale aanrijding alleen konden voorkomen door
snel uit te wijken met hun dienstvoertuig en/of weg te laten dat het witte
voertuig op het laatste moment naar links was uitgeweken (om een botsing
en/of aanrijding te voorkomen);
(artikel 213 jo. 49 Wetboek van Strafrecht BES)
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van meineed
Inleiding
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan meineed, door in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in strijd met de waarheid:
De verdachte en de medeverdachte zijn beiden politieambtenaar. Het gaat in deze zaak om een incident dat op 2 maart 2024 tijdens hun werk heeft plaatsgevonden, bij de achtervolging van een witte auto met daarin vier verdachten. De witte auto werd in eerste instantie achtervolgd door een politieauto met twee andere politieambtenaren. De verdachte en de medeverdachte zaten samen in een andere politieauto en zijn hun collega’s gaan helpen. Zij hebben hun politieauto, van de andere kant komend, dwars op de weg gezet om de witte auto tot stoppen te dwingen. De witte auto is niet gestopt, maar is vlak achter hen langs gereden waarna de achtervolgende politieauto eveneens langs hen reed. Enige tijd later is de witte auto alsnog tot stilstand gekomen en zijn de inzittenden van de witte auto aangehouden.
Het eerste proces-verbaal dat door de verdachte en de medeverdachte is opgemaakt over dit incident is het proces-verbaal van aanhouding van [arrestant], opgemaakt en ondertekend op 3 maart 2024. Hierin staat het verloop van de gebeurtenissen van die avond beschreven. Over het vlak langsrijden vermeldt het proces-verbaal het volgende:
Vervolgens zagen wij dat de koplampen van het witte voertuig in de richting van ons dienstvoertuig kwam rijden. We zagen dat het witte voertuig op het allerlaatste moment ons ontweek door naar links te ontwijken. Doordat het voertuig ons op het allerlaatste moment pas ontweek kregen wij verbalisanten de indruk dat het voertuig ons met opzet had willen aanrijden.
Het proces-verbaal dat meinedig zou zijn opgemaakt is het proces-verbaal van bevindingen met als onderwerp ‘aanhouding’, ondertekend door de verdachte en de medeverdachte op 4 maart 2024. Opvallend is dat dit proces-verbaal grotendeels overeenkomt met het proces-verbaal van aanhouding van [arrestant] van 3 maart 2024, maar ten aanzien van het bijna aangereden worden door de witte auto enigszins afwijkt. In het proces-verbaal van 4 maart 2024 staat het volgende:
Toen de witte voertuig in de richting van ons dienstvoertuig kwam, zagen we dat de bestuurder zijn snelheid niet verminderde en zelfs versnelde. Hij had geen intentie om te stoppen, ondanks onze signalen. We konden een fatale aanrijding alleen voorkomen door snel uit te wijken. Nadat we ons voertuig aan de kant hadden gezet, raasde het witte voertuig langs ons, waardoor we geen duidelijk beeld van het voertuig konden krijgen.
Het is duidelijk dat de tenlastegelegde passage ‘dat zij een fatale aanrijding alleen konden voorkomen door snel uit te wijken met hun dienstvoertuig’ wel staat vermeld in het proces-verbaal van 4 maart 2024, maar ontbreekt in het proces-verbaal van 3 maart 2024. Omgekeerd vermeldt het proces-verbaal van 3 maart 2024 dat ‘het witte voertuig op het laatste moment naar links was uitgeweken’, terwijl dit juist weer ontbreekt in het proces-verbaal van 4 maart 2024.
De medeverdachte heeft verklaard dat zij het proces-verbaal van 3 maart 2024 heeft opgesteld, en dat zij en de verdachte dit vervolgens hebben ondertekend. Zij heeft in dit proces-verbaal weergegeven hoe het in haar beleving is gegaan: de dienstauto stond stil op het moment dat de witte auto op hen afkwam, de witte auto week iets uit en raasde net langs hen.
De verdachte heeft verklaard dat hij het proces-verbaal van 4 maart 2024 heeft opgesteld. Hij heeft dit gedaan op verzoek van de recherche, om nader aan te geven hoe het precies was gegaan, en om (nader) aan te geven waarom het in zijn ogen een poging doodslag was. Het proces-verbaal van 4 maart 2024 is niet vals: hij weet zeker dat hij de dienstauto een stukje naar voren heeft gereden op het moment dat de witte auto vlak bij hen was. Dat dit niet in het proces-verbaal van 3 maart 2024 vermeld staat is een foutje geweest, maar heeft niets met meineed te maken.
De medeverdachte heeft later verklaard dat zij het proces-verbaal van 4 maart 2024 ook heeft ondertekend, hoewel daarin een passage stond waar zij het niet mee eens was. Volgens de medeverdachte is in het proces-verbaal van 4 maart 2024 opzettelijk en onwaar opgeschreven dat zij de dienstauto hadden verplaatst. Dit was zo afgesproken, om het gebeurde ernstiger te laten lijken en meer als een poging doodslag te laten klinken, om zo het schieten door de agenten [agent 1] en [agent 2]te rechtvaardigen.
Wanneer is een proces-verbaal meinedig?
Het verwijt een proces-verbaal in strijd met de waarheid op te maken is een ernstig verwijt. Het is van cruciaal belang dat de samenleving, maar zeer zeker ook rechters, officieren van justitie en advocaten, kunnen vertrouwen op de integriteit van politieambtenaren en de juistheid van hun verslaglegging. Bewezenverklaring kan grote consequenties hebben: dit Gerecht heeft al meermalen politieagenten uit het ambt gezet wegens het vals opmaken van een geschrift of proces-verbaal.
Aan de andere kant is het Gerecht zich ook bewust van het vaak lastige werk van de politie en het feit dat het opstellen van een proces-verbaal mensenwerk is. Door de hectiek van het werk, door vermoeidheid of door taalproblemen kunnen fouten in een proces-verbaal terecht komen die daar achteraf misschien niet in horen, maar die niet meteen meinedig zijn. Niet elke onjuistheid of onvolledigheid in een proces-verbaal is meinedig.
Een proces-verbaal is meinedig als het proces-verbaal opzettelijk in strijd met de waarheid is opgesteld. Dat kan het geval zijn als er een passage in staat die evident niet waar is. Een proces-verbaal kan ook meinedig zijn als iets er juist niet in is opgenomen, terwijl dat wel had gemoeten. Bijvoorbeeld het gebruik van geweld door de politie. Als het proces-verbaal een zo vertekend beeld van de werkelijkheid geeft dat het daardoor het karakter van onwaarheid verkrijgt, dan is het meinedig.
De vraag die het Gerecht moet beantwoorden, is dus of de verdachte en de medeverdachte opzettelijk, in strijd met de waarheid, in het proces-verbaal van 4 maart 2024 hebben opgeschreven dat zij de dienstauto een stukje vooruit moesten zetten om een aanrijding te voorkomen, en/of dat zij opzettelijk en in strijd met de waarheid hebben weggelaten dat de witte auto naar links uitweek.
Het dossier
Uit het dossier volgt allereerst dat het moment dat de witte auto langs de schuin op de weg staande dienstauto reed, een kort en enerverend moment was. In het filmpje dat vanaf de achterbank van de witte auto is opgenomen, is te horen dat de jongens in de witte auto direct na het langsrijden met opgewonden stem de bestuurder commentaar leveren (“[naam], yu!”). De medeverdachte geeft in haar aangifte aan dat het een angstig moment was. Haar hartslag ging sneller dan normaal en zij ging uit een reflex bijna bij de verdachte op schoot zitten.
Op de vraag of de politieauto nu wel of niet een stukje naar voren reed op dat moment, geeft het dossier geen eenduidig antwoord. De jongens in de witte auto verklaren dat de dienstauto stil stond op het moment dat ze langs reden. Een van hen verklaart ook dat de witte auto niet zozeer uitweek, maar al erg links op de weg reed en daarom gemakkelijk achter de schuin geparkeerde politieauto langs kon rijden.
Verbalisanten [agent 1] en [agent 2], die in de politieauto erachter reden, herinneren het zich elk verschillend: [agent 1] zegt dat de auto stil stond, [agent 2]zegt dat de auto een stukje naar voren bewoog.
Op de verschillende filmpjes is niet te zien hoe de situatie precies was.
Overige relevante feiten en omstandigheden
Voor het oordeel van het Gerecht is verder het volgende van belang.
De passage waar het om gaat is in principe niet relevant voor de beoordeling van het optreden van de politie zelf. De passage is relevant voor het beoordelen van het optreden van de verdachten in de witte auto, specifiek de bestuurder, en voor de vraag of sprake was van een poging tot doodslag. Hoewel de medeverdachte dit anders heeft ervaren (zij ging er vanuit dat de passage belangrijk was voor de beoordeling van het latere optreden van [agent 1] en [agent 2], die bij de aanhouding hun dienstwapen hadden gebruikt) hadden de verbalisanten dus in principe geen belang bij de manier waarop precies werd beschreven of de dienstauto naar voren bewoog of hoe de witte auto langs de dienstauto reed.
Daarnaast valt op dat ook in het eerste proces-verbaal van 3 maart 2024 al staat vermeld dat de bestuurder van de witte auto verdacht werd van (onder andere) poging tot doodslag. Terwijl daarin niet staat dat de politieauto naar voren moest rijden, en wel dat de witte auto was uitgeweken. Kennelijk was het al dan niet een stukje naar voren rijden door de dienstauto, of het uitwijken van de witte auto, voor het oordeel van de verdachte en de medeverdachte over de poging doodslag niet doorslaggevend.
Verder is van belang dat de verdachte en de medeverdachte wel het proces-verbaal van 4 maart 2024 hebben opgemaakt, maar voor zover het Gerecht kan vaststellen geen moeite hebben gedaan om het proces-verbaal van 3 maart 2024 te vernietigen of weg te maken. Beide processen-verbaal bleven naast elkaar bestaan. Dat duidt erop dat het proces-verbaal van 4 maart 2024 meer bedoeld was als een aanvulling op het proces-verbaal van 3 maart 2024, en niet zozeer daarvoor in de plaats moest komen.
Oordeel van het Gerecht
Het Gerecht komt tot de slotsom dat achteraf moeilijk is vast te stellen hoe het nu precies is gegaan op het moment van langsrijden, en wat dus ‘waar’ is. Misschien ligt de waarheid hier in het midden. Het is mogelijk dat de witte auto is uitgeweken maar dat tegelijkertijd de dienstauto (een stukje) naar voren is gereden. Het was donker en hectisch en het ging allemaal heel snel. Het kan zijn dat de verdachte de auto een stukje naar voren heeft gereden zonder dat de medeverdachte of de jongens in de witte auto dit hebben gemerkt. Het kan ook zijn dat hij dit niet heeft gedaan, maar het zich achteraf wel zo herinnert. Hoe dan ook kan het Gerecht niet met voldoende zekerheid vaststellen dat de passage over het naar voren bewegen van de dienstauto onwaar is. Zeker niet nu ook [agent 2] zegt dat de dienstauto wel degelijk naar voren bewoog.
Ditzelfde geldt voor het weglaten van de passage ‘dat het witte voertuig op het laatste moment naar links was uitgeweken’. Deze passage is niet teruggekomen in het proces-verbaal van 4 maart 2024, maar is wel nog steeds te lezen in het proces-verbaal van 3 maart 2024. Het Gerecht is van oordeel dat het al dan niet uitwijken van de witte auto niet van zodanig groot belang is dat dit absoluut in beide processen-verbaal had moeten worden opgenomen. Het weglaten van deze zin in het proces-verbaal van 4 maart 2024 is niet ‘vals’.
Conclusie
Bij de beoordeling van de valsheid van een proces-verbaal gaat het uiteindelijk om de vraag of het proces-verbaal een juist en min of meer volledig beeld geeft van wat heeft plaatsgevonden. Alles overziend kan het Gerecht niet vaststellen dat het proces-verbaal van 4 maart 2024 een onjuist of echt onvolledig beeld geeft van de gebeurtenissen. Dit betekent dat meineed niet is bewezen.
De verdachte wordt daarom vrijgesproken van feit 2.
Bewezenverklaring feit 1
Het Gerecht vindt - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd – wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1:
hij op 2 maart 2024 op het eiland Bonaire [slachtoffer] heeft mishandeld door hem te slaan op de neus, terwijl [slachtoffer] geboeid was en terwijl verdachte bij het begaan van dit strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van macht en gelegenheid hem door zijn ambt als politieambtenaar geschonken;
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat.
1. Op 29 maart 2024 heeft de getuige/slachtoffer [slachtoffer] een verklaring bij de rijksrecherche afgelegd. Zakelijk weergegeven verklaarde hij als volgt:
“Op 2 maart 2024 ben ik op Bonaire meegenomen naar het politiebureau nadat ik door de politieman was geboeid. Ik was onder andere samen met [arrestant]. Op weg naar het politiebureau waren we in de politieauto met elkaar aan het praten. (…) De politieman die aan het rijden was trapte toen op de rem en draaide zich om. Hij sloeg toen met zijn hand naar achteren en raakte mij tegen mijn neusbot. Ik voelde heel veel pijn door die klap.”
2. Op 28 maart 2024 heeft de getuige [arrestant] een verklaring bij de politie afgelegd. Zakelijk weergegeven verklaarde hij als volgt:
“Ik zat samen met [slachtoffer] geboeid in een politieauto. (…) Zonder enige aanleiding gaf de bestuurder een klap naar achteren en raakte [slachtoffer] op zijn neus.”
3. De collega van de verdachte, [collega verdachte], die samen met hem in het politievoertuig was op 2 maart 2024, heeft bij de rijksrecherche op 15 april 2024 een verklaring afgelegd over dit incident. Zakelijk weergegeven heeft zij het volgende verklaard:
“Toen ze weer met elkaar gingen praten heeft [arrestant] naar achteren uitgehaald. (…) Je hoorde ook een klets en de verdachte die werd geraakt kreunde iets van au of ahh.”
4. Op 11 juli 2024 heeft de verdachte in zijn verhoor bij de rijksrecherche het volgende verklaard:
“ Toen we de verdachten naar het politiebureau brachten reed ik, en [collega verdachte] zat naast mij. Onderweg waren de verdachten met elkaar aan het praten.”
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 313 juncto artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Mishandeling, terwijl hij gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem
door zijn ambt geschonken.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
De straf die aan verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het Gerecht in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Het Gerecht benadrukt dat het strafrechtelijk vervolgen van een politieagent voor het toepassen van geweld tijdens de uitoefening van diens functie een gevoelige kwestie is. Politieagenten werken vaak onder moeilijke en soms gevaarlijke omstandigheden om de veiligheid van de samenleving te waarborgen. Van agenten wordt verwacht dat zij onder alle omstandigheden integer en correct optreden. Tegelijkertijd mag van hen worden geëist dat zij uiterst zorgvuldig omgaan met het geweldsmonopolie dat hen is toegekend. Met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde wordt in aanmerking genomen dat de verdachte een reeds aangehouden persoon, die al in de boeien was, een klap heeft gegeven onderweg naar het politiebureau. Het Gerecht heeft begrip voor de soms moeilijke situatie waarin de politie op Bonaire moet werken, maar op geen enkel moment was het nodig om de reeds aangehouden persoon te mishandelen zoals verdachte heeft gedaan.
Indien een burger geweld gebruikt tegen een hulpverlener worden hogere straffen geëist en doorgaans ook opgelegd, dan wanneer het gaat om geweld tussen burgers. Naar het oordeel van het Gerecht moet dit ook zo zijn in dit geval, waarin sprake is van mishandeling van een burger door een politieagent. Dit vanwege de ernst van het feit, en ook om aan de gemeenschap op Bonaire te laten zien dat de politie geweld mag toepassen, maar ook gestraft wordt wanneer zij daarbij de grens van gepast geweld overschrijdt. De politie staat niet boven de wet.
Ten nadele van de verdachte houdt het Gerecht rekening met het feit dat de verdachte al eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Dat heeft verdachte er niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Anders dan de officier van justitie ziet het Gerecht geen meerwaarde in het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deels omdat het Gerecht niet tot bewezenverklaring komt van meineed, en deels omdat de verdachte inmiddels is ontslagen en genoeg consequenties van deze zaak heeft ervaren.
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Het Gerecht vindt het passend om verdachte daarnaast te ontzetten uit zijn recht om het ambt van opsporingsambtenaar te bekleden, voor een periode van twee jaren. Deze bijkomende straf dient niet alleen om verdachte te treffen voor zijn handelwijze, maar heeft ook als doel opsporingsambtenaren in het algemeen ervan te doordringen zorgvuldig om te gaan met het toepassen van geweld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c en 33 van Wetboek van Strafrecht BES, zoals deze luidde(n) ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 4 (vier) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
legt aan verdachte op de ontzetting uit het recht om een ambt te bekleden bij de KPCN dan wel in enige andere functie als opsporingsambtenaar, voor de duur van 2 (twee) jaren;
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. N.R.H. Marsera, (zittingsgriffier), en op 17 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
De griffier is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.