GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202400599
datum beslissing: 8 augustus 2025
BESCHIKKING
in de zaak van:
[verzoekster]
wonende te Bonaire,
verzoekster,
hierna: de vrouw,
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
en
[verweerder],
wonende te Bonaire,
verweerder,
hierna: de man,
gemachtigde mr. M.M.A. van Lieshout.
1. De (verdere) verloop van de procedure
Bij beschikking van dit gerecht van 23 december 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de Voogdijraad verzocht om onderzoek te doen naar de omgangsregeling met de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 en daarover een rapport uit te brengen.
Het rapport van de Voogdijraad, met als bijlage de volledige casus rapportage van Akseso, is op 27 mei 2025 ter griffie ingediend.
Op 9 juli 2025 heeft de voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn de vrouw en de man, bijgestaan door hun gemachtigden verschenen. Namens de Voogdijraad was de heer [medewerker voogdijraad] aanwezig. Met instemming van partijen waren namens Akseso aanwezig [medewerker 1 Akseso] en [medewerker 2 Akseso].
De (tussen-)beschikking is bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
Aan de orde is het verzoek van de moeder om te bepalen dat de vader geen co-ouderschapregeling meer met haar zal hebben, maar te bepalen dat de omgang er als volgt uit komt te zien:- de minderjarige zal de hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;- de minderjarige verblijft elke woensdag van 9.00 uur tot en met 19.00 uur bij de man.
De Voogdijraad adviseert in zijn rapport de huidige co-ouderschapregeling, zoals deze sinds oktober 2024 tussen de ouders geldt, voort te zetten. De minderjarige is de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader. De uitvoering van deze regeling is door beide ouders in deze periode naar behoren uitgevoerd. Voor de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen adviseert de Voogdijraad deze gelijk tussen de ouders te verdelen. De Voogdijraad onderkent dat er bij ouders sprake is van een problematische relatie en een belast gezamenlijk verleden, waar sprake is geweest van verbaal en emotioneel geweld. Volgens de moeder vooral richting haar, volgens de vader over en weer. Bij moeder is PTSS vastgesteld waarvoor zij behandeling krijgt door MHC, vader heeft begeleiding van POH GGZ en een coach. De Voogdijraad adviseert ouders dat het van belang is om de huidige hulpverlening in een vrijwillig kader te continueren. Dat geldt ook voor de inzet van de kindercoach voor de minderjarige. De weerstand en/of uitingen van de minderjarige, die de moeder waarneemt in het contact met vader, leidt de Voogdijraad niet tot de conclusie dat de omgang tussen vader en de minderjarige niet veilig zou zijn voor de minderjarige. Deze signalen zouden ook een reactie van de minderjarige kunnen zijn op de problematische relatie en het belast gezamenlijk gezamenlijke verleden van de ouders. Dit was ook voor de minderjarige een moeilijke periode in haar leven en zou wellicht ook te maken kunnen hebben met loyaliteit van de minderjarige jegens haar moeder, aldus de Voogdijraad. De Voogdijraad heeft niet geconcludeerd dat omgang tussen de vader en de minderjarige het belang van de minderjarige schaadt.
De moeder is het niet eens met het advies van de Voogdijraad en zij beroept zich daarbij mede op de bevindingen van de psycholoog van Akseso, die haar heeft begeleid bij ondermeer het opstellen van een ouderschapsplan tussen de ouders, maar dat (nog) niet tot stand is gekomen. Volgens de moeder is er, ook volgens de rapportage van Akseso, sprake (geweest) van intieme terreur van de vader jegens haar en gezien de risicofactoren (niet-fatale wurging, controlerend gedrag, bedreiging, mishandeling tijdens de zwangerschap, jaloezie en alcoholgebruik) wordt de kans op psychisch en/of fysiek geweld door de moeder nog zeer aanwezig geacht. De moeder voert aan dat de Voogdijraad geen zelfstandig onderzoek heeft uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen sprake meer is van intieme terreur door de vader. De Voogdijraad heeft zelf ook geen informanten benaderd, die veel contact hebben met de minderjarige zoals haar kindercoach of school. Relevant volgens moeder is verder dat vader de begeleiding door Akseso niet zal voortzetten. Onder deze omstandigheden is een co-ouderschap niet in het belang van de minderjarige, aldus de moeder.
De vader is het eens met het voorstel van de Voogdijraad, maar hij heeft grote moeite met de inhoud en toonzetting van de rapportage van Akseso. Hij ervaart dat hij daarin wordt weggezet als agressor en waarin moeder kennelijk automatisch als slachtoffer wordt gepositioneerd. Hij is diep geraakt door de ongefundeerde aanname van Akseso, al dan niet aangestuurd door moeder, waarin wordt gesuggereerd dat er mogelijk sprake zou zijn van seksueel of psychisch misbruik van de minderjarige door de vader. Hij kan zich tegen deze beschuldiging onmogelijk verweren, omdat deze volledig ongefundeerd is en niet overeenstemt met de werkelijkheid. Dit raakt hem diep. Een dergelijk vergaande suggestie hoort volgens hem niet thuis in een professionele rapportage zonder dat deze zorgvuldig is onderzocht en aan hoor en wederhoor is onderworpen. Vader (h)erkent de angstgevoelens bij moeder, maar stelt dat daarvan zeker geen sprake is bij de minderjarige in zijn omgang met de minderjarige. De vader zal zijn eigen hulpverlening voor zijn eigen problematiek continueren en hij zal ook meewerken aan hulpverlening door ZJCN in een vrijwillig kader in de plaats van Akseso, zoals onlangs door ouders is afgesproken.
Het Gerecht overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat beide ouders in beginsel recht hebben op omgang met de minderjarige en de minderjarige met hen, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. De relatie tussen de ouders heeft voor hen beide emotionele en psychische sporen achtergelaten en beide ouders bevinden zich nog midden het proces van herstel, waar zij allebei met hulpverlening ten behoeve van zichzelf aan werken.Voor de beslissing over de omgang tussen de vader en de minderjarige, is thans onvoldoende gebleken dat een zwaarwegend belang van de minderjarige zich verzet tegen voortzetting van de huidige co-ouderschapsregeling. Het gerecht overweegt dat voor de door de moeder verzochte omgangsregeling, waarbij de vader een dag per week omgang kan hebben met de minderjarige, hetzelfde criterium geldt als hiervoor is overwogen. Ook voor een omgang van een dag tussen vader en de minderjarige geldt dat er geen zwaarwegende belangen aan de zijde van het kind moeten zijn die zich daartegen verzetten. Belangen zoals de veiligheid van de minderjarige, de ongestoorde ontwikkeling en het niet voortdurend geconfronteerd worden met de eigen problemen van de ouders, hoe zeer die ook met de andere ouder zijn verweven. Hieruit leidt het gerecht af dat ook de moeder geen zwaarwegende belangen aanwezig acht bij omgang tussen de vader en de minderjarige. Met de Voogdijraad is het gerecht van oordeel dat niet gebleken is dat er in de omgang van de minderjarige met beide ouders, en in het bijzonder met de vader, sprake is van zwaarwegende belangen van de minderjarige die zich verzetten tegen de voortzetting van de sinds oktober 2024 lopende co-ouderschapsregeling. Een contra-indicatie tegen de duur van de omgang tussen de vader en de minderjarige is gesteld noch gebleken. Deze zal daarom dienen te worden gecontinueerd. Het gerecht wijst het omgangsverzoek van de moeder af.
Ten aanzien van de overige bij het verzoekschrift van de vrouw verzochte nevenvoorzieningen is door het gerecht nog geen beslissing genomen. Dit betreft de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, de verzochte bijdrage van USD 350,00 in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en de scheiding en verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een notaris. Evenmin is er een beslissing door (een van) de ouders verzocht, respectievelijk gegeven door het gerecht, over de uitoefening van het gezag door beide ouders, waarvoor de regeling geldt van artikel 1: 251 BW BES.
Tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders in een vrijwillige kader de hulpverlening voorzetten met hulp van ZJCN, in de plaats van Akseso. In dit hulpverleningstraject kan de komende periode opnieuw worden geprobeerd om tot gezamenlijke afspraken over de minderjarige te komen door het opstellen van een ouderschapsplan. Daarin kunnen dan de volgende mogelijke onderwerpen aan bod komen: de uitoefening van het gezamenlijke gezag,
de hoofdverblijfplaats en/of de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Partijen dienen zich over deze onderwerpen uit te laten op de rol van 26 november 2025.
De Voogdijraad heeft zich bereid verklaard een brief-rapport op te stellen over de voortzetting van de co-ouderschapsregeling tussen partijen en hun vorderingen in het hulpverleningstraject. De Voogdijraad dient dat brief-rapport in te dienen op de rol van 26 november 2025.
Ten aanzien van de gevorderde scheiding en verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een notaris, staat niet nog niet vast dat partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, omdat zij zijn gehuwd in de Verenigde Staten van Amerika. Tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling hebben partijen hebben partijen het gerecht laten weten, dat de verdeling van het gezamenlijke bedrijf en van de echtelijke woning nog niet is afgewikkeld. Partijen dienen zich over deze twee punten ook uit te laten bij rol van 26 november 2025.
Het gerecht wijst het verzoek van de vrouw met betrekking tot de door haar voorgestelde omgangsregeling tussen de man en de minderjarige af en houdt alle overige beslissingen aan.
4. De beslissing
Het gerecht:
Wijst af de door de vrouw voorgestelde omgangsregeling tussen de man en de minderjarige;
Houdt de overige beslissingen aan tot de rol van 26 november 2025 voor:
- uitlating van beide partijen over de totstandkoming van het ouderschapsplan en bij gebreke daarvan over de uitoefening van het gezamenlijk gezag, de hoofdverblijfplaats en de verzochte bijdrage van USD 350,00 in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige;
- uitlating van beide partijen over het toepasselijke huwelijksgoederen regiem en de eventuele afwikkeling daarvan;
- indiening van een briefrapport door de Voogdijraad als overwogen in rechtsoverweging 3.7.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Keltjens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.