GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500624
datum beslissing: 16 december 2025
Vonnis in kort geding
op het verzoek van
[eiser],
wonende te Bonaire,
eisende partij,
hierna: de vader,
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: de moeder,
procederend in persoon,
betreffende de minderjarige kinderen:
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is gekend: de Voogdijraad Caribisch Nederland (hierna: de Voogdijraad).
1. De procedure
Het verzoekschrift met bijlagen is op 9 december 2025 op de griffie van het gerecht ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. De vader is verschenen, bijgestaan – via videoverbinding – door mr. D.G. Kock (kantoorgenoot van mr. Winkel). Namens de Voogdijraad was mevrouw [medewerker Voogdijraad] aanwezig.
Ten slotte is bepaald dat vandaag schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2. De feiten
De moeder is belast met het (eenhoofdig) gezag over de minderjarigen.
De minderjarigen wonen zeven dagen per week bij de vader.
3. Het verzoek
De vader wil op 20 december 2025 tot en met 9 januari 2026 met de minderjarigen voor vakantie naar Colombia reizen en daar verblijven. De moeder verleent daarvoor geen toestemming. De vader verzoekt het gerecht daarom om vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Colombia te reizen.
4. De beoordeling
Het spoedeisend belang
In een kortgedingprocedure moet het gerecht ambtshalve (dus ook als daartegen geen verweer is gevoerd) beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang.
Omdat de vader met de minderjarigen op 20 december 2025 wil reizen en hij daarvoor niet de benodigde toestemming van de moeder heeft verkregen, is het spoedeisend belang van de vader bij het verzoek aanwezig.
Vervangende toestemming wordt niet gegeven
De vader heeft zijn verzoek gegrond op artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek BES (hierna: BW BES). Op grond daarvan kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
In het onderhavige geval is sprake van eenhoofdig gezag van de moeder over de minderjarigen. Daarom heeft de vader in het kader van artikel 1:253a BW BES geen recht op de door hem gevraagde vervangende toestemming die ziet op de reis met de minderjarigen naar Colombia. Een vereiste voor toepassing van deze bepaling is namelijk dat partijen gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uitoefenen. Het verzoek van de vader is alleen daarom al niet toewijsbaar.
Daar komt bij dat de vader niets heeft gesteld over het belang van de minderjarigen bij de voorgenomen reis. Op de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat hij graag Colombia wil bezoeken om het land te leren kennen. Hij heeft geen familie in Colombia wonen en zijn huidige partner is ook niet in Colombia geboren. Het is het gerecht niet gebleken dat de reis naar Colombia in het belang van de minderjarigen, jonge kinderen van twee en drie jaar oud, is.
De vader heeft in zijn verzoekschrift nog gesteld dat de moeder tijdens een gesprek tussen de ouders en de Voogdijraad heeft toegezegd akkoord te zijn met de voorgenomen reis naar Colombia, maar tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat die toestemming voor deze specifieke reis niet door de moeder gegeven is.
De proceskosten zullen, vanwege het familierechtelijke karakter van de procedure, worden gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten zal dragen.
5. De beslissing
Het gerecht:
wijst de verzoeken van de vader af,
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.