GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire
Registratienummer: BON202400302
Datum beslissing: 16 april 2025
vonnis
in de zaak van
[eiseres],
eiseres,
gemachtigde: mr. D.M. Wildeman (CuraƧao),
tegen
1. [gedaagde 1],
wonende te Bonaire,
procederend in persoon,
2. [gedaagde 2],
wonende te Bonaire,
niet verschenen,
3. de besloten vennootschap MAS REAL ESTATE B.V.,
gevestigd te Bonaire,
gedaagden,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift.
De in de procedure verschenen gedaagden sub 1 en 3 hebben, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet op het verzoek geantwoord. Gedaagde sub 1 is niet verschenen in de procedure, ook niet na daarvoor ex artikel 82 Rv BES nogmaals te zijn opgeroepen. Daarna is vonnis (nader) bepaald op heden.
2. Het verzoek en de beoordeling daarvan
De vordering is, nu deze niet is weersproken en het gerecht deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, toewijsbaar, behoudens of met aanvulling van het navolgende. Aan de gevorderde verklaring voor recht van aansprakelijkheid zal worden toegevoegd het onderwerp waarop de aansprakelijkheid betrekking heeft. Het griffierecht en de deurwaarderskosten in verband met het beslag komen volledig voor vergoeding in aanmerking. Voor de advocaatkosten geldt daarentegen dat ze in beginsel forfaitair worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De beslagkosten worden begroot op USD 251,00 aan griffierecht, USD 698,00 (1 punt x tarief 5) aan salaris gemachtigde en USD 1.855,00 aan explootkosten.
Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd. Deze kosten worden aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op
USD 568,74 aan explootkosten, USD 198,00 aan griffierechten en
USD 840,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x tarief 6). Ook zal gedaagde in de gevorderde nakosten worden veroordeeld.
3. De beslissing
Het gerecht:
verklaart voor recht dat de tussen eiseres en gedaagde sub I op 5 en 12 september 2020 gesloten overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd,
veroordeelt gedaagde sub I, gedaagde sub II en gedaagde sub III hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan eiseres van een bedrag van USD 40.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2024 tot aan de dag van algehele voldoening,
verklaart voor recht dat gedaagde sub I, gedaagde sub II en gedaagde sub III in verband met de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de vernietiging aansprakelijk zijn voor de door eiseres te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
veroordeelt gedaagde sub I, gedaagde sub II en gedaagde sub III hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd in de beslagkosten die worden begroot op USD 2.804,00,
veroordeelt gedaagde sub I, gedaagde sub II en gedaagde sub III hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd in de proceskosten die worden begroot op USD 1.606,74,
verklaart de veroordelingen onder 3.2., 3.4. en 3.5 uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.