Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. E.J. Winkel, advocaat op Bonaire.
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. Hij wordt vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, [gemachtigde], bijgestaan door mevrouw [medewerker slachtofferhulp] van de Stichting Slachtofferhulp.
De officier van justitie, mr. L.E. Stroink, heeft gevorderd dat het Gerecht het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Haar vordering behelst voorts de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van USD 3.000,-, met oplegging van een daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte. Zij vordert dat de benadeelde partij voor het meerdere niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte primair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweer. Subsidiair verzoekt hij de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens noodweer exces. Meer subsidiair verzoekt hij de verdachte vrij te spreken van poging tot doodslag dan wel toebrengen zwaar lichamelijk letsel, omdat het vereiste opzet ontbreekt.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
primair:
dat hij, op of omstreeks 2 augustus 2025, op het eiland Bonaire, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, deze [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, krachtig met een ijzeren pijp/staaf, althans met een hard/ stevig voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(Artikel 300 jo. 47 Wetboek van Strafrecht BES)
subsidiair:
dat hij, op of omstreeks 2 augustus 2025, op het eiland Bonaire, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond op het hoofd/gezicht, een schedelbreuk, subarachnoïdale bloeding en insulten heeft toegebracht door deze [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, krachtig met een ijzeren pijp/staaf, althans met een hard/stevig voorwerp, op/tegen het hoofd/gezicht te slaan;
(Artikel 315 Wetboek van Strafrecht BES)
meer-subsidiair:
dat hij, op of omstreeks 2 augustus 2025, op het eiland Bonaire, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze [slachtoffer] met een ijzeren pijp/staaf, althans een hard/stevig voorwerp, op tegen/tegen het hoofd/gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(Artikel 315 jo. 47 Wetboek van Strafrecht BES)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht vindt - op grond van de bewijsmiddelen en de nadere bewijs-overwegingen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
op 2 augustus 2025, op het eiland Bonaire, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, deze [slachtoffer] krachtig met een ijzeren pijp tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bewijsoverwegingen
Het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt is dat hij geprobeerd heeft het slachtoffer van het leven te beroven door hem met een ijzeren pijp op het hoofd te slaan. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij het slachtoffer niet met de ijzeren pijp heeft geslagen, maar dat de pijp onbedoeld tegen diens hoofd kwam tijdens een worsteling, waarbij hij, de verdachte, het slachtoffer met de pijp probeerde weg te duwen. Het Gerecht vindt deze lezing van de gebeurtenissen niet aannemelijk. Enerzijds niet, omdat de verdachte eerder - zowel tegenover de politie als tegenover de rechter-commissaris - heeft verklaard dat hij de ijzeren pijp van het slachtoffer had afgepakt en het slachtoffer daarna (één keer) met de pijp op het hoofd heeft geslagen. En anderzijds niet, omdat twee getuigen hebben verklaard dat de verdachte het slachtoffer met de pijp op het hoofd sloeg. Het Gerecht gaat er - evenals de officier van justitie - vanuit dat de verdachte het slachtoffer met opzet (één keer) met een ijzeren pijp op het hoofd heeft geslagen.
Gelet op de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, gaat het Gerecht er niet van uit dat de verdachte vol opzet had om het slachtoffer van het leven te beroven. Het is echter ook mogelijk om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag te komen via de weg van het voorwaardelijk opzet. Hiervan is sprake wanneer het handelen van de verdachte een aanmerkelijke kans oplevert dat het slachtoffer zal overlijden, en bovendien blijkt dat de verdachte die aanmerkelijke kans heeft aanvaard.
Het Gerecht stelt vast dat het hoofd een uiterst kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is, waarin zich vitale organen, zoals de hersenen, bevinden. Het slaan met een ijzeren staaf op het hoofd brengt een aanmerkelijke kans met zich dat de persoon die geslagen wordt daardoor komt te overlijden.
Het Gerecht overweegt verder dat het slaan met een metalen voorwerp op het hoofd van een ander een gedraging is die naar haar aard zozeer is gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer ook bewust heeft aanvaard. In dit geval volgt uit het feit dat het schedelbot van het slachtoffer was gebroken bovendien dat met kracht moet zijn geslagen. Het Gerecht vindt de ten laste gelegde poging tot doodslag dan ook bewezen.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.
Daarbij wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaats is gelegen op Bonaire.
1. Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte], gesloten en ondertekend te Bonaire op 14 augustus 2025 door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van politie bij het Korps Caribisch Nederland voor zover inhoudende zijn verklaring:
Ik pakte de staaf van [slachtoffer] over. En sloeg één keer met de staaf op zijn hoofd.
2. Proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende de verklaring van de verbalisanten alsmede van de getuige [getuige 1], gesloten en ondertekend te Bonaire op 2 augustus 2025 door de verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], beiden brigadier van politie, [verbalisant 5], inspecteur van politie en [verbalisant 6], hoofdagent van politie, allen werkzaam bij het Korps Caribisch Nederland:
Op 2 augustus 2025 werden wij, verbalisanten, via de centrale meldkamer naar [adres] gedirigeerd in verband met een vechtpartij. Het slachtoffer bleek te zijn genaamd[slachtoffer]. Wij hadden de melder genaamd [getuige 1] te woord gestaan. Hij verklaarde dat er twee mannen begonnen te bekvechten. Deze mannen zijn nader [verdachte] en [slachtoffer].
Vervolgens sloeg [verdachte] [slachtoffer] met de ijzeren pijp op het hoofd.
3. Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2], gesloten en ondertekend te Bonaire op 20 augustus 25 door de verbalisant [verbalisant 1], brigadier van politie bij het Korps Caribisch Nederland voor zover inhoudende zijn verklaring:
lk was die avond samen met [verdachte]. lk zag dat er een bekgevecht ontstond tussen [verdachte] en [slachtoffer]. [verachte] duwde mij van hem weg, pakte de pijp af van [slachtoffer] en sloeg [slachtoffer] eenmaal op zijn hoofd.
4. Een geschrift, te weten de brief van Fundashon Mariadal van 6 augustus 2025, betreffende de patiënt [slachtoffer], voor zover inhoudende:
Diagnose: comminutieve fractuur van het os frontale links
Kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder feit 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 300 jo. 47 Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot doodslag.
Beroep op noodweer(exces)
De verdachte heeft vanaf het eerste moment verklaard dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging omdat hij door het slachtoffer werd aangevallen. De raadsman heeft namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer(exces).
Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is vereist dat sprake is van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed.
Feiten en omstandigheden
De vraag die het Gerecht eerst moet beantwoorden is wat er die avond precies gebeurd is. De verklaringen daarover lopen op enkele punten uiteen, maar het Gerecht gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:
- De verdachte is hierna weggerend weg en heeft vanuit zijn huis de politie gebeld met het verzoek een ambulance naar het slachtoffer te sturen.
Was sprake van een noodweersituatie?
Zoals hierboven omschreven, volgt uit het dossier dat het slachtoffer als eerste de ijzeren pijp van de grond pakte, en de verdachte hiermee op zijn hoofd sloeg. Naar het oordeel van het Gerecht levert dit overduidelijk een noodweersituatie op, in die zin dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte door het slachtoffer.
Mocht de verdachte zich verdedigen?
De officier van justitie heeft gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie, althans dat de verdachte weg had kunnen en moeten gaan. Het Gerecht ziet dat anders. Hoewel het dossier weinig informatie bevat over de situatie ter plekke, kan het Gerecht uit het dossier wel een paar dingen afleiden. Allereerst dat het incident plaats vond in een woning waar kennelijk drugs werd verkocht. De woning c.q. het erf, had een muren omheining. Naast de verdachte en het slachtoffer waren in elk geval de melder (bewoner van de woning) en de getuige aanwezig. Het incident vond plaats op een ‘voorbalkon’; het Gerecht neemt aan dat hiermee een porch wordt bedoeld. Op de porch stond een zwarte bak, en de omheining van de woning is hier vlak naast.
Alles bij elkaar gaat het Gerecht er van uit dat het incident plaats vond in een beperkte, omheinde ruimte, waarop of waarnaast zich meerdere mensen bevonden. Het Gerecht oordeelt dat niet is gebleken dat er voor de verdachte op dat moment een reële mogelijkheid was zich te onttrekken aan de aanranding, als hij daartoe in die omstandigheden al gehouden was.
Situatie voorbij?
Er was dus een noodweersituatie, en de verdachte mocht zich daar ook tegen verdedigen. De vraag is, of het recht op verdedigen ook nog bestond op het moment dat de verdachte de ijzeren pijp van het slachtoffer had afgepakt. Men zou kunnen stellen dat het gevaar was geweken op het moment dat niet het slachtoffer de pijp in handen had, maar de verdachte.
Dat vindt het Gerecht echter wel een heel technische benadering, die geen recht doet aan het korte tijdsbestek waarin een en ander zich heeft afgespeeld. Het slachtoffer heeft als eerste de aanval ingezet. De verdachte werd onverhoeds aangevallen door het slachtoffer, die hem eerder met de dood had bedreigd. Hij was zojuist op het hoofd geslagen met een ijzeren pijp. Zijn hoofd bloedde. Hij had geworsteld om de pijp, en had die in handen gekregen. Zijn aanvaller stond nog steeds dicht op hem, in een kleine ruimte, en uit niets volgt dat diens intenties ten opzichte van de verdachte waren veranderd.
Dat de verdachte dan één keer uithaalt met de pijp en vervolgens wegrent, ziet het Gerecht als een typisch geval van noodweer. Dit wordt nog aannemelijker wanneer men de omstandigheid meeweegt dat de verdachte bij de eerst mogelijke gelegenheid melding heeft gemaakt van het gebeurde bij de politie en om medische hulp voor het slachtoffer heeft gevraagd.
Van disproportionaliteit is geen sprake. Dat was anders geweest als vast was komen te staan dat de verdachte bijvoorbeeld meerdere keren met de pijp had uitgehaald of als er meer tijd zou zijn verstreken tussen het in handen krijgen van de pijp en de klap van de verdachte, maar dat vindt het Gerecht – net als de officier van justitie – niet bewezen.
Conclusie
Het is zeer noodlottig dat de gevolgen voor het slachtoffer zo ernstig zijn gebleken. Het slachtoffer heeft een schedelbreuk opgelopen, en is nog altijd aan het revalideren. Overigens blijkt uit het dossier niet zonder meer of deze gevolgen volledig door de klap van de verdachte zijn veroorzaakt. Niet valt uit te sluiten dat de verwondingen van het slachtoffer (deels) zijn veroorzaakt of verergerd door zijn val. Wat hier ook van zij, de ernst van de gevolgen maakt het oordeel over het noodweer niet anders.
Aan de verdachte komt een beroep op noodweer toe. Het bewezen feit is niet strafbaar en het Gerecht zal de verdachte ontslaan van alle strafvervolging.
De vordering tot schadevergoeding
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt $ 5.000,-.
Nu het Gerecht de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging, zal het Gerecht de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar;
ontslaat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat hij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer, zittingsgriffier, en op 13 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.